Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de
werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door 't
opschieten en 't slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende,
schijn-lichte leegheden aan 't einde van den dag. Daarom werd maar veel
gewerkt, 's avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert.
Dat vulde, dan was 't gauw weer tijd om te gaan slapen, om met
ontspannen spieren weg te zinken in 't onbewuste van den slaap, waarin
alleen 't mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde,
gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke
vreugde-ontroering bij 't eerste ontwaken.
Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte 't weemoedig,
't gemakkelijk vindend, en 't gaf ook een zekere voldoening van stil je
plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen 't komen logeeren van
Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot
weer en teleurstelling. 't Was maar 't verstandigst zoo te blijven
voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet
merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen,
misschien.... En zij.... zij!....
Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar
de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste
momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld
van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en
liefdoende, en met heeren, die in 't slungelige staan vergeefs
naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en
eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke,
bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn
bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje,
zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing
glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door
haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in
Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend
naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in
zijn lichte oogen, -- die wat zwak nu schenen, -- bleek van geluk,
overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte
over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij
't was die haar man zou worden.
En Bernard benijdde hem niet.
Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat
hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge
menschenpaar tusschen bloemen en groen. 't Zou min geweest zijn en dom,
jaloersch te zijn. Maar hij was 't ook niet, heelemaal niet; toen ze
van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en
pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een
beetje schuw, zoowat 't tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de
maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.
Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in
Amsterdam, en 's avonds gingen ze naar 't concertgebouw, Bernard zag
aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en 't speet hem een beetje dat
hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was
niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond
van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn
geest in klankenweelde.
Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die
stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan
mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk
met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige
verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij 't weggaan haalde
hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar 't station te brengen,
zich een beetje schamend later over die huichelarij, want 't was enkel
om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.
* * * * *
Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een uitnoodiging van den
heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich
voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn
vriend Edward van Laeken. Hij wist 't al half; Edward zou Dinsdag in de
stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den
Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk.
Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo'n uitnoodiging haast
altijd aan omdat er geen voldoende reden was om 't niet te doen.
's Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en
gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat 't wel op
een ordinair muziekavondje uit zou draaien en -- ernstig liefhebber van
muziek -- had hij 't land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had
dat Betsy komen zou, sprak er met animo over.
En 't was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een
drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten.
Voor hij binnen kwam, gaande, 't dienstmeisje achter zich, door de
stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in
't rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al 't gedempte roezen van de
stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij
menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In
't midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem
breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn
handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met
jonge meisjes. Die zware figuur was 't eenige wat Bernard zag op zij van
zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend
in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt
had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem
luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en
ging toen zitten aan 't linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de
hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en
Hugo en Edward -- en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel.
Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte
fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf.
En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige
benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte
groetend en glimlachte officieel.
Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een
vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven,
koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en
voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn
wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te
stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm
op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij
was blij-tevreden over zich zelf, dat 't hem zoo gauw gelukt was zich
meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten,
een officieel leuterpraatje, met 't meisje dat naast hem zat, en nam van
tijd tot tijd een teugje thee.
En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en
Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette,
zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo
trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André's stem en zag hij,
langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook
blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden.
De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook
niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard
verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog
een paar andere jongelui binnengekomen waren en 't gezelschap nu
blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een
luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat
te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en
ging in een zwijgend-berustende houding naar 't koel-stomme instrument,
dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast
haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen,
korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de
bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en
lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven
't gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve
luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar
André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik
naar de zoldering.
Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een
beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had 't wel gezegd, 't draaide
uit op een muziekavondje.
Maar Bernard vond 't eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer,
daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd
hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt
alleen maar even te klappen als 't stuk uit was en tegen je buurvrouw te
zeggen, dat 't mooi was geweest.
Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een
gedwongen houding, begon 't hem te vervelen. Het was vooral ook dat
zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo'n rijtje
recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende
gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte
hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat zitten
kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken
gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten
vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte
van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met
hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd
naar zat te luisteren, alsof 't mooi was. Bernard voelde even driftige
energie van ergernis. 't Was toch eigenlijk te stom-idioot, 't was om
nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar
hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde
verdraagzaamheid en rust.
Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw,
die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een
meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano
speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn
verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet
ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer
en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn
rechtop-gehouden hoofd -- zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig
balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, -- de
gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door
afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij
genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te
kijken, -- maar je voelt hem toch langs je gaan, -- de gedachten aan
zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en
de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die
gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken
waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij
ze wist. 't Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de
menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag, dat de menschen
hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij
alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel
interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen,
lachende, pratende -- een taal die hij niet verstond --, doende dingen
waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige
menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn
lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken,
en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de
Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan
koffiehuizen-tegen-vier-uur en 't geroep van sinaasappelenjoden. Dat was
nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep,
daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets
hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die
gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in
zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die
menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één
handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel,
die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn
torenwoning, dan zwijgen?....
Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in
zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden,
witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken
onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn
trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet
duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten
morgen. Hij wist, hij voelde 't al hoe hij morgen dorsten zou naar wat
hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al 't geluk wat menschen tot nu
toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, en dat het ook
zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, 't eenige
mogelijke. Hij wist dat,.... en 't leven scheen hem lang en somber en de
wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam
bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht
op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn
hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde,
diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een
gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap
waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles
maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren
ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee
en wijd verlangen?.... Hij wist 't niet, hij zou 't ook wel nooit
weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen
ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor 't goddelijke, voor 't zuivere
licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij
ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig
waren, maar ze zeiden dat ze genoten van 't leven. Hij had nog nooit
genoten van 't leven! Hij wist niet wat 't leven was. Hij wist ook niet
of de anderen 't wisten, maar hij zag hen doen alsof ze 't heel precies
wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen
die er zijn, die 't onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de
sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze
waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles
flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar
prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze 't berouw kenden
en de zelfverachting. Hij zag 't niet. En hij wenschte zoo'n ander te
zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder
lijden.
Al die gedachten gingen door Bernards hoofd, elkaar verdringend, en ze
wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard
werden, in 't vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren,
zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk
en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar
in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de
stem van André in zijn oor fluisterend: "Zeg, zit toch niet zoo gek te
kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om." En
als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de
rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen
aankeek stierf 't glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn
dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook
naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met
Edward die zijn hoofd dicht naast 't hare gebracht had. Ze letten
blijkbaar niet op hem.
In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid,
zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de
klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen
door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen 't meisje naast hem, en
hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal
belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat 't alleen was geweest om zijn
soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant.
Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over 't
figuur dat hij sloeg zoo'n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem
gemelijk, als 't altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein
kind dat over zijn slaap is. Hij kon 't niet van zich zetten, hij voelde
zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En
hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en
heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan
zaten, luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze
uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap
overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan,
alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te
stampen op den grond en te krijschen van drift.
Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er
werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met
voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes
rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.
Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen,
gebeurtenisjes van den dag, met 't meisje dat naast hem zat, een
praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet
veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem
nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor
hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van
zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven
zitten, hij moest nu ook 's opstaan en 's iemand anders aanspreken. Hij
deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen
naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe 't haar ging en of
ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met
haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even
aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want
hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk
kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij
wilde 't nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó,
glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte
hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak......
Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam Edward er bij en vertelde
hem, -- kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen --,
dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij
eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen
dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer 's met
haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste.
"Dat moest jij nou 's gaan vragen aan de gastvrouw," zei hij tegen
Bernard, "of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel
gedaan...." "Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u 't is," zei ook Mimi op
smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. "Ik geloof niet dat ik de
rechte man ben om dat met 't noodige "entrain" te vragen," zei hij met
glimlachende minachting, "maar doe jij 't, Edward!...." en hij liep loom
weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich
opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet 's
met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze
zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een
dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias,
een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten
met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna
niet meer gekend en -- in die stemming van 't oogenblik -- gehaat om
zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de
kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond
te bezorgen. "Wat dunk je," vroeg hij aan Bernard, "zullen we ze straks
nog maar 's laten dansen?"
"Wel jà, wel jà...." zei Bernard.
Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, -- met verheffing van haar
vrindelijk-deftige stem, -- dat men eens een paar charades en action zou
bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een
indruk van alsof ze dat alleen maar verzonnen had om hem nog meer te
vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo'n tot idioot-wordens
kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur
slaan. Dan zouden ze plezier hebben. 't Was een kwelling zoo'n avond.
Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch
wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en
die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en
grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen
zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst 'm! Die gaat
zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!
Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit.
Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen,
zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren
met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan.
Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer
naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij
en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met
hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen 't lijf
liepen. Dit beduidde 't spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten
heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door 't jongste meisje van den
Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en
hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze
ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter
zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.
Nu moest de andere helft van 't gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer
uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk
al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij
elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om
verbeeld te worden met bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel
had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den
onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet
van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van
burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken.
Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is
één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog
dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten
loopen met de oogen toe.
Eén oogenblik kwam 't in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou
kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen
loopen, tastend, met kromme knieën, en hij 't gedempte gelach en
gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë
ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval
meer mee te doen, maar 't hoefde ook niet, want nu gingen Edward en
Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen
met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En
goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en
Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef
eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen
gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te
doen; loom ging hij toen naar 't meisje dat naast hem gezeten had en
walste met haar.
En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal
overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek
was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest
doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig.
En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een
heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering.
Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen,
en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot
worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed,
heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende
gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms
gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding,
en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste,
moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en
weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen
verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij
niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien,
en tegen zich aan te drukken 't weerstrevende lijf en te zoenen den
wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend
verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg,
in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden,
liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk
hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en
hoorde de stem van André die zei: "'t Schijnt jou te smaken!"
André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die
naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil
leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets
bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn
mondhoeken. "Wat scheelt jou?" vroeg hij. "Och niets," zei André,
"gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!" En luid sprekend, bijna
roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een
hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander
meisje. Hij zag ook aan haar dat ze 't land had, hij kende nog dat
gemelijke wenkbrauwfronsen van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei
hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze
elkaar niet aankeken.
Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar
in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt.
Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd
en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij
ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op
een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes
nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje
pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas
wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf 't hem wat voldoening, dat gevoel
van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om
een dans te gaan vragen -- ze zouden nog één wals dansen -- voelde hij
zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar
hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde
ouwelijkheid in zijn stappen.
En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar
hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was
datzelfde, een verborgen geblaseerdheid....
* * * * *
De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes
gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen.
Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden
glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook 't rijtuig van
Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden,
zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen
of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier
bedankten ze de gastvrouw en ook meneer van den Bosch, die na 't dansen
weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in
een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen
gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone
vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard.
Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op 't Rokin, dat
altijd laat open was, waar ze meer kwamen 's nachts na éénen. Bernard
liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op
zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig.
Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets
van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen
over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak
met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder
zich er rekenschap van te geven hoe 't kwam, dat hij hield van André.
Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk
gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die
bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied.
Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van
Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen
mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En
hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij
't omgaan aan 't slot van de lanciers. "Zóó.... zoo!...." zei Bernard
glimlachend, "je schiet al op met 'r!" "O, kerel!" zei Edward met
extase, "nee, zie je, ik vind 'r een verduiveld leuke meid, en ik vind
'r mooi ook,.... jij niet!" "Jawèl," zei Bernard. "Waarachtig," bromde
zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een
zenuwachtige proestbui, riep hij uit: "Wat zou 'k een furore met 'r
maken bij ons in Batavia!...." "Nou, nou," zei Bernard, "ik zou je toch
raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen
voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!" "Waarom niet?" vroeg Edward.
"Ik zou wel 's willen weten waarom niet!.... Alles gaat!...."
Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich
zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in
Indië. Want nu ging 't immers niet anders -- en hij had er een beetje
zijn booze vreugde om -- nu moest hij hem wel even ontnuchteren. "Wat
ben je opgewonden van avond, Eddy," begon hij, hem dien ouden naam
gevend met zekeren spot. "Ik heb je toch immers al verteld, dat ik
dien bal-avond al even ver met 'r was als jij nu. Ze gaf me net zulke
hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent
dat nou bij zoo'n geil dier van 'n meid!"
Maar 't had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem
op zijn schouder en zei: "Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch,
heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?...."
"Nee,...." zei Bernard, "dat niet, maar...."
"Nou!" viel de ander in, "wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat
dat maar aan mij over, hoor!...."
Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde,
had spijt dat hij 't gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo
ondoordacht!.... 't Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch
was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen
en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de
straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat
gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht.
Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet
hebben konden, dat hij zich even rustig voelde, want dadelijk kon hij
dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van
iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een
gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij 't
merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende
verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon
verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen
en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed.
Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen
kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden 't leven genoten, omdat hij
't zelf niet kon. Want dat was 't immers! Niets anders! Hij kón 't niet,
't leven genieten, hij had er 't talent niet voor, 't zout niet in zich
zelf, -- zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte.
Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met
minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen,
dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat
hij was!
Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker
steegje, en dan moest je 't trapje op en dan weer een trapje af, in
half donker, en dan was je in-eens in 't drinklokaal, een langwerpig,
laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen.
't Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende
mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen
zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en
gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen
nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; 't was alsof de mannen
die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen
verbonden waren door één in-'t-gniep den duivel dienend doel.
Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten drinken, want 't was
koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend
was aan 't helle avondlicht en de warmte, en geproefd had 't lekkere
sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen
opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die
negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden,
los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij
herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in 't
overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan
gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam
begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze
dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André
proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde
luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken.
Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten
niet van weggaan.
Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo,
terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren
tegen Edward: "Zeg ga je nou 's mee?.... je weet wel.... waar ik je
laatst van vertelde?...." En Bernard begreep dat hij van een bordeel
sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop.
Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis,
en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn
rug, en met blikken beleedigd. En 't stond in-eens in hem vast dat nu
eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan.
Waarom ook niet? Hij was wel 's meer even mee ingeloopen in zoo'n
gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat
nou nog?....
Even later stonden ze buiten. "Nou, Bert," zei André, "wij gaan nog 's
even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee...." "Och, jawèl,
dat 's goed," zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar
aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag 't niet, hij keek
voor zich. Even had hij weer erg 't land, dat André 't hem juist zoo
gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was 't
niet te doen.
En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een
breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje
lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten
en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat
meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam
er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar
André wel. Hij zei opgewekt: "O, dank u zeer!" en toen tegen de anderen:
"Zoo'n tractaatje aan 't ontbijt, dat mag ik wel," en hij stak 't ding
in zijn zak en schelde aan.
Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door
en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig
verlichte zaal. 't Geluid van hun stappen werd gedoofd in 't dikke kleed
en rondom zagen ze roode sofa's waar vrouwen op zaten, half-liggend
de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds
schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen,
kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal
zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er
een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over 't
heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van
netwerk, zwart.
De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep,
sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om
zijn malligheid, maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend.
Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten,
grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning
van zijn stoel. Hij huiverde even.
Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was
verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met
zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij
zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met
een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof 't een kind
was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd,
te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast
hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij
telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen.
André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar
flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig
flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof;
veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan
ergens ver-weg, op een tafeltje.
Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om
naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even
later ging André diezelfde deur door met een andere.
Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat
kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa,
vreemd-rustig en op zijn gemak.
Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en
drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren.
Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat er
een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant
van 't zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend
naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg.
En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn
lijden-door-zich-zelf hem door 't moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar
was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn
lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging
van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een
dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre
doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd,
om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die
hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind
aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te
worden en plat-weg mee te smullen van 't voor 't grijpen liggende
warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van
genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die
achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit
haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak,
was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even
zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden
glimlach.
Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van,
alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was
een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met
een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en
laat werken -- als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje
stroo -- en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden
verdoovend: Ik ben er van af....