Nog eens: "juffrouw!"

Maar 't bleef stil.

Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof 't

raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel,

achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel

hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen

bij den lichtenden zonovervloed.....

Eigenlijk had hij al in 't begin van de week plan gemaakt dezen Zondag,

als 't mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had 's morgens

willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de

bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun

verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat

plan laten varen. Maar die was nu weg.... en 't was wel wat laat,

maar.... 't was in Amsterdam zoo'n nare Zondagsdrukte.... en hij had

geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden

te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn

spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog

halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas

en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn

stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den

trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn

hoekje, turend door 't intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde

ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte,

met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend

zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid,

teruggetrokken in de geheimzinnige schemering van zijn zielehuis,

zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de

namiddagtinten spiegelden van 't landschap en den hoogen hemel, zonder

dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee

en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes.

En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat

hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog

verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen

als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten

zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre

krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde

kwajongen die uitfluit wie 'n ernstig gezicht tegen hem trekt.

Daarom.... was 't maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist

omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij

't niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om 't gevaar

hunkerde hij naar 't avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op

plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet

mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.

Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door 't raampje

naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets

gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag

teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?....

neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand

tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten,

wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was 't? Van zoo'n

rij boomen in 't oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de

souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en

gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had

wat ze zei, maar nu herinnerde hij 't zich.... Ja, 't was mooi,

zacht-weemoedig-mooi, die rij boomen.... 't Was als een verre horizon

in je ziel waar 't mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen

kunt, omdat je 'r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt

met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver

onbereikbaar verlangen was die rij boomen......

Lucie!.... zoo'n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan,

zoo'n zuster hebben, dat zou een steun zijn....

In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de

trein en stond te hijgen. "Naarden-Bussum!.... Bussum!...." werd er

geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder

en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte 't station uit, en

krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van

zijn oom. 't Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood,

met onbegroeide waranda's en pretentieuse torentjes en fratserige

piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en

jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig,

alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij

deed 't piepende hekje open en stapte 't knarsende schelpweggetje over,

zich in haast voorbereidend op 't ontmoeten van oom en tante, met een

wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig

hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in 't

verzamelen van zijn gedachten.

Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op 't

geluid van zijn stem -- in de wijde marmeren vestibule -- daar kwam zijn

oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en

met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje,

levenslustig gekleed en met een joviaal air. "Héérejé!....

Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat 's nog 's mooi van je!.... Hoe

gaat 't? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is

mevrouw, Keetje?.... Zeg 's gauw dat de jonge meneer er is!...."

Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus

gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed,

zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!....

"Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat 's een

gemakkelijke, moet je 's probeeren,.... die heb ik er pas bij

gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan

zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!...."

En tante kwam binnenruischen, vol en breed, 't dikke hoofd ietwat

achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van

zware zij, met breede gitten spelden in 't nog niet geheel grijze haar,

dat zwart geweest was.

"Zoo Bertje!.... ben je daar! dat 's heel lief van je!.... geef me 'n

zoen!.... hoe gaat 't?"

Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van 't statige hoofd,

de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed 't, eerbiedig

en voorzichtig, en zei dat 't hem best ging. Nu, oom en tante ging 't

ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa,

die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen

last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige

lieve menschen; en toch was 't er vrij; je stoorde je niets aan elkaar,

o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar

waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren

kennen; nee! zoo'n allerliefste man was dat nu toch!....

"En Bertje, wat wil je 's van me hebben?.... 'n glas sherry, 'n glas

port?...."

Bernard zei, dat hij 't nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een

glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn

oom over zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem

verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de

laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden,

koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig

naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij

zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te

draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst

blijkbaar niet te vragen, maar deed 't dan toch maar, in-eens, een

beetje verlegen: "Zeg!.... vertel dat nog 's even als je wilt....

Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de

bewoordingen?"

En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem

alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje

weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje,

en begon van vroegere zaken -- van hem en van zijn vader, -- van aardige

meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen.

Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar

woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van

de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal -- terwijl oom zijn

sigaar aanstak of zijn neus snoot -- vlug 't een en ander weten mee te

deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar

meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al

open, -- wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, -- maar dan begon

oom weer over wat anders -- altijd over zaken -- en sloot ze den mond

weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef

was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten,

was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende

stem zei ze: "Je laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard te

praten!.... Ik wil toch ook wel 's wat weten!.... Je hoort hier ook

anders nooit 's iets!...."

"Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!....

De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!...." En lachend

verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en

troonde Bernard mee.

Buiten werd 't zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo,

door den neef met geduld en reverentie en 'n beetje plezier door den

terugslag. Was 't een oogenblik stil, dan groeide in Bernard 't stille

genot van de avondstemming om hem heen, 't zachte klagen van de

avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den

hemel, den gloed in 't westen, die lange schaduwen vaagde over den

rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te

genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: "Wat is dat weer mooi!...."

"Ja zeker, zeker is dat mooi," zei oom dan, ook even stilstaand en

rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, "maar wat zei je daar

over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat

uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht,

hoor!...."

Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer --

zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond

-- en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een

statig-tevreden glimlach in 't prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt

kwam.

En al onder de soep begon 't. Ze moest alles weten van de partij. Wat

Bernard zich niet herinnerde van 't menu en van de toiletten, dat vulde

ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: "Ja, ja! dat was 't,

geloof ik." Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest

waren, over familie-bizonderheden of in 't oog vallende karaktertrekken.

Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit van een van

die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een

groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen

begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke

uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer

geregeld verder en 't scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet

met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet

allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld.

Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten

aan 't souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn

antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes

koel-bedaard op, sprak ook Mimi's naam uit zonder eenige uiterlijke

ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over

Lize. Dat was nu toch zoo'n aardig vroolijk meisje geworden, zoo'n lief

meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan

en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht

te trekken, en zei: "Zou dat niets voor jou zijn, jongen?"

"Hoe bedoelt u," vroeg Bernard droog-weg, "om te trouwen?.... wel nee!

't is immers nog zoo'n jong ding!.... Wie weet wat 'n nuf 't nog wordt."

Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen.

Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje;

daar hield ze niet van; 't had soms juist een glad verkeerd effect, dat

had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van 't

geheime moest blijven bestaan.

Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. 't Was bijna

heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. 't Werd

rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten

wilden, ze hadden weer genoeg om een paar dagen rustig over te soezen

en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor 't theeblad, dicht onder de

lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom

en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.

't Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms 't rommelen

van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was 't

heelemaal nacht en 't werd koeler.

"'t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee

drinken," zei oom, traag-sprekend, "'t is vandaag een bizondere dag,

morgen zal 't wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we

midden in 't najaar!"

Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer

bewegend onder zijn neus.

"Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet,"

vroeg tante.

"Ja," zei Bernard,.... "heel lief!.... heel mooi!...."

En 't was weer stil, ze raakten nu alle drie aan 't soezen. Bernard gaf

toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich

behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom:

"Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?"

"O ja!" zei Bernard langzaam, "'t is een heel geschikte kamer,....

gemakkelijk overal dichtbij...."

"En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?"

"Dat gaat wel,.... 'n beetje zeurig...."

"En je eet nog altijd daar op 't Leidscheplein, hè?"

"Ja oom!"

En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig

gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar 't

haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet

geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder

opzien -- haar stem klonk vreemd-hard door 't lange zwijgen: -- "Dat

moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven en dat

eten in zoo'n café,.... je moest toch werkelijk 's gaan trouwen,

Bertje!"

Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn

behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet

dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een

rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om

zijn hoofd bleef hangen.

"Hebt u soms een meisje voor me op 't oog, tante," vroeg hij met een

poging om de zaak maar gauw in 't gekke te gooien, een poging, die hij

hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei 't te scherp en te vlug.

"Hè?.... och wel nee!" zei tante, die 't hartelijker bedoeld had dan

Bernard vermoedde, een beetje geraakt, "een meisje op 't oog!....

Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... 'k Zou

me schamen!"

Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze 't haakwerk in den

schoot vallen en verzette al de kopjes op 't blad met kleine bonsjes.

"Nou ja.... nou ja...." zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend,

"Nee jongen," zei oom toen ook, "dan begrijp je tante verkeerd, hoor!

We hebben 't er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo 'n lang

jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen....

maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!...."

Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn

behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte

verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen,

zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende,

dat wanhopige van 't banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen

in zijn ziele-omgeving van allen dag.

"Je vader zou 't je zeker geraden hebben," begon oom weer.

"En je goede moeder ook," zei tante.

"Ja," zei oom, hoofdschuddend, "die arme menschen!"

"Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar," vulde tante aan, haar haakwerk

weer opnemend, "'t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En

dat op 't eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? 's Middags

werden ze aan elkaar voorgesteld en 's avonds waren ze geëngageerd."

Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning

van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend

als hij zijn sigaar uit den mond nam.

Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en

moeder. Maar altijd weer deed 't zijn gansche gemoed ontroeren, was hij

blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie

zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken,

allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die

't geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets

beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die

hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest

lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend

hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op 't eerste aanschouwen,

dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie

volkomen, die als een zon rijst aan de kim van 't leven en niet meer

ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is

't eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar

als 't leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna

tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare

dingen verteert.

Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn

ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort

hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur van liefde een

menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was!

Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was

gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend

achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd,

doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je 't voelt liggen je hoofd,

zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als 't

kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan,

wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren....

Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat 't geluid van

zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon 't niet langer

uitstellen.

"Als u 't ernstig meent met dat trouwen van mij," zei hij eindelijk,

"spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet

trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen

zijn."

Meer zei hij er niet over. Hij vond 't eigenlijk al te veel. Dat

driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat

had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen.

't Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en 't

licht ging op. En 't duurde niet lang meer of ze zaten aan 't

gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren

verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over 't

ruilen, over 't tegenspelen van "sans prendre's" en zoo meer. Hij spande

zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich

een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante

deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat 't kwam door Lize, dat

aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet 's

te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens

verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was 't zeker nog niet met

zich zelf eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet

storen.

De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg.

't Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen;

liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de

week ook 's in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij 't

gerust over kon laten, dat was 't niet, hoor!

Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den

donkeren weg naar 't station op met een warm gevoel van vriendschap

en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo

onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar

och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes

geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met

kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch,

zooals zoo veel ouders 't niet doen voor hun kinderen....

Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in

de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig

flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de

villa's in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde

nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar

hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van

menschen, die "uit zijn" en rekken hun roes van plezier, opgewonden

negeerend 't einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en

geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel,

bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren,

die twinkelden bij honderden tegen 't diepe intense zwart, zag hij den

nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En 't was hem of hij dat

nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van.

Een gevoel dat hij anders nog alleen gekend had -- een enkele maal --

bij 't hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den

nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich

lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel

gevend aan 't genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo'n sterken

indruk van, dat 't hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige

grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als

voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam 't dat

hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een

week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een

wijd en vaag-smartelijk verlangen....; 't was of de nacht hem helpen kon

om hen te vinden....

Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande

zag hij dat 't station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die 'n

onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op 't perron was

't al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard

voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van

heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond 't

plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een

afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet

wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en

de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die

heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?

Hij liep 't perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het

open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en

kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een

niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan;

in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden

te kletsen en te lachen onder de kap van 't perron. Uit een van de

gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem

toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde 't uit van de lol.

Hij begreep dat 't was om 't norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil

en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen.

Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend

en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een

hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn

oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten

schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend

over 't ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot

stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs,

der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete

haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die

fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes

op 't land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet 't

intieme leven van 't riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in

de plassen van 't moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard

dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door 't

gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij 't onzinnige van

zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor 't stille

donkere veldenland.

Maar zijn gesoes werd doffer, 't gepraat ging verder, hij viel met

knikkend hoofd in lichten slaap.

Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker

en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad

hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag 't

groote hol waar 't bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast.

Daar lag de stad, de sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer

zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van

allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen,

tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis,

straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en

vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag

Bernard toen in-eens als een lichtglans om 't hoofd van een martelaar,

die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet

willend 't genot wat voor 't grijpen is, maar enkel de zaligheid.

De roman van Bernard Bandt · 第 16 / 40 题