VII.

Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich

met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag

was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen

slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen

half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit,

zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn

onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in

de ongewone omgeving.

"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...."

"Morgen!...."

"Goed geslapen?"

"Best.... jij ook?"

"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?"

"Nou, 'n klein beetje!...."

Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had

een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets

opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in

zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest.

Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest

brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn

dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat

was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te

letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen

waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over

gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.

De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen

thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad,

dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had

bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den

student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht

schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig,

half-klagend, of meneer nog iets noodig had.

"Nee.... dank u!" zei Bernard.

En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend,

maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna

staken ze sigaren op en gingen uit.

't Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen

van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens

als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met

vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend

zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd

vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei

herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de

Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo

hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een

kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die

menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje

om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun

lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat

langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de

lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan

weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan

de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter

en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van

dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote

tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van

ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't

komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan

te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel

vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte

dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.

Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar

Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar

eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak

langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van

de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels.

Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard

genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den

blijen alom tintelenden zonneschijn.

Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was

toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te

gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op

kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door.

Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook

van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den

houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets

onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege

kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude

knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en

dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging

van geuren, muffig, bedompt.

Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die

atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde

hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn

vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf

er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn

hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was

bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was

een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit

winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat

succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook

zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu

ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou,

laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje

restaureeren!...."

En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals

ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu.

In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren,

die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid.

Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn

jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal.

In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die

vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren

nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten

worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging,

dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was

geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem

af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat

er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen

beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven

omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor

elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei

verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen

zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij

dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat

ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een

paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was

daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun

beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd

kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich

tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer

doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch

altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of

niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel

vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap

die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan

misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar

scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd....

Wel triestig was 't!....

Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij

kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't

koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't

ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde

dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt

doorpraatten.

Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te

vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een

beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij

toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen

en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen

de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de

trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een

goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder.

't Was niet druk.

In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn

horloge.

Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de

student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze

keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den

weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.

"Adieu!.... 't ga je goed!"

"Adieu!.... zien we je weer 's?...."

"Ja.... ja!"

En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart

voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station

uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel,

alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij

toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij

niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte

aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde

naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij

gezelschap had!

Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot

meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem

meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid,

die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige,

smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk,

leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo

harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders

in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde

stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende

groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette

haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair,

grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend,

sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop.

En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog

aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en

ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies

en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte

dameskleeren.

In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den

Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging

om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat

op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't

fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat

was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de

Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de

koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden

gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover

de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit

't gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de

hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om

tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en

nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was

het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad"

zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen

zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's

wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol,

zweeterig, klef, kleverig café.

Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was

netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu

van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar

hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie

zich tot geregeld lezen te zetten.

O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam

misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in:

"Juffrouw!.... juffrouw!"

Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de

trambel en menschenstemmen buiten.

Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met

haar man.

De roman van Bernard Bandt · 第 15 / 40 题