Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich
met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag
was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen
slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen
half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit,
zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn
onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in
de ongewone omgeving.
"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...."
"Morgen!...."
"Goed geslapen?"
"Best.... jij ook?"
"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?"
"Nou, 'n klein beetje!...."
Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had
een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets
opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in
zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest.
Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest
brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn
dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat
was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te
letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen
waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over
gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.
De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen
thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad,
dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had
bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den
student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht
schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig,
half-klagend, of meneer nog iets noodig had.
"Nee.... dank u!" zei Bernard.
En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend,
maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna
staken ze sigaren op en gingen uit.
't Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen
van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens
als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met
vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend
zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd
vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei
herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de
Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo
hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een
kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die
menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje
om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun
lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat
langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de
lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan
weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan
de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter
en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van
dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote
tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van
ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't
komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan
te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel
vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte
dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.
Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar
Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar
eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak
langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van
de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels.
Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard
genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den
blijen alom tintelenden zonneschijn.
Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was
toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te
gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op
kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door.
Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook
van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den
houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets
onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege
kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude
knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en
dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging
van geuren, muffig, bedompt.
Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die
atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde
hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn
vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf
er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn
hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was
bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was
een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit
winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat
succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook
zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu
ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou,
laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje
restaureeren!...."
En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals
ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu.
In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren,
die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid.
Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn
jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal.
In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die
vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren
nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten
worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging,
dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was
geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem
af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat
er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen
beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven
omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor
elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei
verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen
zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij
dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat
ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een
paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was
daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun
beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd
kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich
tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer
doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch
altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of
niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel
vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap
die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan
misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar
scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd....
Wel triestig was 't!....
Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij
kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't
koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't
ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde
dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt
doorpraatten.
Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te
vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een
beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij
toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen
en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen
de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de
trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een
goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder.
't Was niet druk.
In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn
horloge.
Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de
student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze
keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den
weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.
"Adieu!.... 't ga je goed!"
"Adieu!.... zien we je weer 's?...."
"Ja.... ja!"
En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart
voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station
uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel,
alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij
toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij
niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte
aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde
naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij
gezelschap had!
Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot
meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem
meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid,
die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige,
smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk,
leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo
harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders
in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde
stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende
groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette
haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair,
grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend,
sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop.
En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog
aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en
ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies
en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte
dameskleeren.
In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den
Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging
om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat
op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't
fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat
was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de
Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de
koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden
gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover
de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit
't gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de
hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om
tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en
nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was
het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad"
zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen
zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's
wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol,
zweeterig, klef, kleverig café.
Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was
netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu
van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar
hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie
zich tot geregeld lezen te zetten.
O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam
misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in:
"Juffrouw!.... juffrouw!"
Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de
trambel en menschenstemmen buiten.
Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met
haar man.