In den avond van dien dag dus zou Bernard naar dat bal gaan. Het was een
groote soirée dansante, die de heer en mevrouw van den Bosch gaven,
omdat een van hun dochters ging trouwen met Mr. Langendijk van
Enkhuizen.
Bernard had 's middags op de Beurs een onaangename kwestie te bepraten
gehad en was wat opgewonden en geërgerd naar kantoor geloopen, waar hij
'n paar brieven had gevonden, die hem veel en vervelend werk bezorgden.
Korzelig was hij geworden en nog even voor zessen had hij om 'n
kleinigheid een bediende een heftig standje gemaakt. Toen hij daarop
zijn kantoor had gesloten en door de Warmoesstraat ging naar Kras, waar
hij eten wou, liep hij zich eerst koppig op te dringen, dat hij groot
gelijk had gehad met dat standje, mopperend in zich zelf, dat 't ook
zoo vervelend was, dat je nooit 's iets overlaten kon, dat je om alles
denken moest en dat al die bedienden ook zulke stomme lummels waren, en
zoo onverschillig, niets geen hart voor de zaken! Maar 't ging niet,
hij kon zich niet overtuigen, machteloos voelde hij zich wegzakken in
een onbehagelijk zich-bewust-zijn iemand beroerd behandeld te hebben.
En, eenmaal aanvaard, verbreedde en verscherpte zich die onvoldaanheid
tot een algemeene ergernis over zijn eigen doen en zeggen, over zijn
zich-niet-beheerschen-kunnen, over dien brief ook al, dien brief aan
Edward, over die intieme uitingen, die hem nu al laffe klachten schenen.
't Ergerde hem dat 'n ander nu ook wat weten zou van het leed, dat
hij altijd hoogmoedig verborgen gehouden had voor iedereen, waar hij
tot-nog-toe alleen mee geweest was, opgesloten in één hok met dat
smartbeest, er mee vechtend in trotsch-mannelijken tweekamp, in
eerlijken strijd als van man tegen man, 't beneden zich achtend hulp te
halen. Dat had hij nu toch gedaan, want Edward zou hem willen troosten,
bemoedigen, opwekken, en dat is immers helpen. En hij soesde over 't
plan den eerstvolgenden brief van Edward ongelezen te verbranden.
Er hing een nattige damp, een kille motregen-atmosfeer in de nauwe
straatvallei. Hij liep in 't midden, over 't nat-gladde asphalt in 't
schichtig schaduwende halflicht dat uit de winkelhuizen en kroegen
kwam, hier en daar wat opgehaald door een straatlantaarn, en boven
was de nacht, een raggende oneindigheid van vaal-zwart, waarvan de
schuw-armoedige flarden wuifden tusschen de spookgestalten van de
donkere geveltoppen. Hij liep met een ongeregelden stap, zijn hals en
kin weggestoken in 't intiem-warme van zijn jaskraag, zijn handen in
zijn zijzakken. En in eens in 't volle licht bij Kras, de vestibule
doorloopend, en toen de groote zaal in, voelde hij zich ruw-gestoord,
opgeschreeuwd uit lichte sluimering, rillerig, erg alleen, vervreemd
van alle menschen. Hij groette met een zwijgenden hoofdknik een paar
kennissen, die luid bonjourden van hun tafeltje, en ging achter in de
zaal zitten, waar kelners bedienden, die hem niet kenden. 't Galmend
geroep en 't borden-en-lepelgekletter en de etenslucht vooral, de lauwe
benauwende etenslucht hinderden hem. Hij zat met een vies gezicht te
kijken, hield zijn jas aan en zijn hoed op, zonder eenige behoefte 't
zich behagelijk te maken. Tegen den kelner, die bij hem kwam staan met
een spijzenlijst en vroeg wat hij zou eten, zei hij dat 't hem niet
schelen kon, als 't maar gauw kwam. Toen ried de kelner met een
aanbevelend lekker-genotlachje een schotel aan, en hij knikte dat 't
goed was en ging toen zitten wachten, trommelend met zijn mes op de
tafel, voor zich kijkend in de zaal, naar de plantengroepen en etende
menschenhoofden, suf door 't roezig geraas en dien zoetigen weeën walm,
opnieuw dof doorsoezend, zich klein en min voelend zonder te weten
waarom ook weer....
Maar, toen hij in eens dicht bij zich hard hoorde lachen, een vetten
vleezigen lach, en daarop ook zag een dik, glimmerig-rood boerengezicht,
dat een grooten viezen mond scheef openzette, dom lachend, met 'n lage
platte vroolijkheid, brutaal wijd-uit boven zijn breed-witte servet,
toen keerde hij zich met plotseling weer wakkeren wrevel snel om en
riep den kelner toe wat haast te maken, want dat hij geen tijd had.
't Nuchtere begrip van de werkelijkheid, van waar en hoe laat ook weer,
was nu scherp van uit den grauwen achtergrond van zijn gedachten naar
voren geschoten; hij keek op zijn horloge en zag met onaangename
bevreemding dat 't al half zeven was. En die partij begon om acht uur.
Hij moest zich nog laten scheren en dan zijn rok aan gaan trekken op
zijn kamer. 't Was een bruiloftspartij, daar mocht je niet te laat
komen. De haast verwarde zijn denken; hij kon niet, als anders, de
anderhalf uur, die hij nog voor zich had, netjes verdeelen: zóó lang nog
hier bij Kras, zooveel tijd voor scheren, zooveel voor kleeden. Toen 't
eten eindlijk kwam, at hij 't gejaagd en schrokkerig achter elkaar op,
slokken bier verzwelgend met een half vollen mond, betaalde, liet den
kelner zeven stuivers houden omdat hij niet wachten wou op 't wisselen
en liep haastig de restauratie uit, de straat op en den kapperswinkel
in, die een paar huizen verder was.
Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden.
In een opkomende verheuging daarover trok hij vlug zijn overjas uit en
liet hij zich neerploffen in een van de ruime leeren leuningstoelen waar
zijn tenger lijf lekker in wegzakte. Hij liet zijn hoofd tegen 't koele
leer rusten, en de kapper knoopte hem handig den frisschen witten doek
om zijn hals en zette toen zijn scheermes aan met gelijke kantige
krassen, heen en terug op 't stijf-stroeve leer, wat een aangenaam
rhytmisch geluid gaf.
Kwart voor zeven op de groote houten hangklok; hij begon zich rustig te
voelen, had eigenlijk nog al den tijd. Hij zou om even zeven uur thuis
zijn en op zijn gemak zijn toilet maken. 't Rijtuig kwam om kwart voor
achten.
't Was stil in 't barbierszaaltje, dat in 't achterhuis lag, door den
winkel gescheiden van de straat. Gejoel van straatjongens was flauw in
de verte, niet storend. Voor hem, in een overstrooming van electrisch
licht, de groote vierkante, stralend-heldere spiegel en daaronder 't
zacht vonkelend geglans van gepolijst marmer met kristallen flaconnen en
glimmende scharen en kammen er op. 't Was warm in 't zaaltje, maar 't
leer van zijn stoel aldoor lekker koel. En van den helwitten handdoek op
zijn borst steeg een frissche geur naar zijn gezicht, dat nu tevreden,
vergenoegd bijna, ging liggen gluren naar zijn stil beeld in 't wijde
spiegelmeer. Hij vond zich niet leelijk zoo, hij zag plotseling iets
innemends in zijn gezicht, en dat gaf hem een snelwassend plezier in
zichzelf en in zijn leven van vrijen jongen man, en hij kreeg een
overmoedig verlangen naar 't feest, naar de lichte zaal en den gladden
vloer en 't gewoel van menschen in feestkleeren en naar de jonge
meisjes in hun lichte japonnetjes en 't dansen en lachen en flirten.
Terwijl de barbier hem voor de tweede maal inzeepte en schoor, deed
hij zijn oogen dicht en liet hij lijdelijk zijn gezicht betasten om er
aldoor zoo aan te kunnen denken. Het schrapen van 't mes langs zijn
strak-harde onderkaak verhoogde nog die sensatie van zijn voorkomen, hij
voelde zich nu correct en welverzorgd, ervaren groote-stadsman, zijn
wereld kennend en heel ver van de melkmuilen-periode.
Toen hij geschoren was streek hij zijn snor wat op, zacht streelend de
malsch opkrullende haren, en hij voelde met wellust het trekken van zijn
gespannen vel als hij zijn onderkaak vooruitzette. Op de vraag van den
kapper, of hij zijn knevel ook opgebrand wou hebben, antwoordde hij met
een deftig minachtend dankje. Hij vond 't 'n beetje ploertig van den
man zoo iets te vragen. En hij liet zich zijn jas opgeven, stak op
zijn gemak een sigaar aan, en minzaam 'n praatje makend liet hij zijn
abonnementskaart knippen, schoof bedaard zijn handschoenen op en ging
den winkel uit, vriendelijk groetend den barbier en zijn vrouw, die
achter de toonbank stond.
Op straat, in 't gaan door de krommende Warmoesstraat, deed hij zijn
best dat gevoel vast te houden, rechtop in kranige, overmoedige houding
doorstappend, maar op den Vijgendam al, in de drukke volte, was hij
't in-eens kwijt, leeggevloeid van stemming; zijn gedachten schoven
onrustig van dit op dat, en hij liep weer gauwer door, opnieuw onder den
indruk van dat hij daar nu waarachtig nog liep in zijn daagsch pakje op
de vieze straatsteenen in de donkere volte, en dat hij straks keurig
gekleed aanlanden moest in die ruimte vol licht, in dien kring van
zich correct bewegende heeren en dames. Hij liep dus haastig door, wat
voorover als gewoonlijk. 't Rokin langs tot het huis waar zijn kamer
was, 'n eindje voorbij de Wijde Kapelsteeg. Hij had de voorkamer op de
eerste verdieping; beneden was een handel in zakkengoed, gedreven door
een oud heertje met een paar knechts. Ze zaten te werken aandachtig, bij
stil lamplicht, in 't kneuterig klein kantoortje, maar boven was 't huis
heelemaal donker.
Hij had den sleutel al in zijn hand toen hij aankwam en dadelijk was hij
binnen en liep de onbekleede houten trap op, een oud wrak van 'n trap,
met gladde afgesleten randen, die vettig glimmerden in 't armoedig
schemerlicht van een petroleumlampje, dat boven in de gang hing. Onder
de tree-randen gaapten de donkere hoeken als zwarte gaten.
Boven gekomen ging hij haastig zijn kamer in.
Daar was 't heel donker; alleen langs 't plafond trilde zwak-strepend
wat licht van een lantaarn buiten. Hij haalde zijn lucifers uit zijn zak
en stak zijn gaslamp aan, die in 't midden hing, boven de tafel. En
in-eens leefde de kamer op en zag hij alles op zijn gewone plaats, de
ronde tafel, waar 't donkere tafelkleed rondom afhing, de stoelen en
kanapee van dof-rood trijp, en zijn boekenkast van oud-eiken, en de
dingen aan de wanden en op den schoorsteen, allemaal waren ze weer
in-eens om hem heen en keken naar hem toen hij naar de ramen ging om
ze dicht te dekken, die drie donkere raamgaten, eerst met de gelige
ophaalgordijnen, die zakten met lammerige schokken, en daaroverheen de
zware donkerplooiende overgordijnen. En toen ook de ramen muur geworden
waren, ging hij naar de tafel, voelend dat achter en voor, naast en
onder en boven hem muren waren en dat hij alleen was. Alleen in de
stilte. En hij draaide 't licht wat hooger op, en kuchte uit behoefte
aan geluid. Toen zag hij al de dingen nog scherper in hun verstijfde
onbewegelijkheid, en de boekenkast kraakte. Hij schrok en rilde licht,
maar dat was van de kou, dacht hij; want 't was heel kil op zijn kamer;
de kachel stond nog niet.
Hij bleef weer aan de tafel staan, nam een paar boeken op, bladerde er
in en gooide ze weer neer. Hij vond dat verkleeden altijd zoo
vervelend......
Buiten ging dof rommelend de tram voorbij, gedempt klonk 't koperen
geluid van de schel, al verder...... En 't was weer stil......
Toen deed hij de deuren van zijn alkoof open, die met behangsel beplakt
waren, dat schuurde langs 't kleed toen zij opengingen. Er viel nu ook
wat licht in de alkoof en hij zag zijn ijzeren ledikant staan, zijn
waschtafel en 't houten kastje waar zijn linnengoed in lag. Daar ging
hij naar toe en haalde zijn sleutelring te voorschijn, die dof rammelde
langs 't hout toen hij een la opentrok. Hij nam er wat schoongestreken
linnen uit en de lucht daarvan en 't betasten gaven hem een nieuwe
droomenvolte, een nieuwe stemming, een vaag herdenken van vroeger gaan
naar feesten en van koud en ongezellig verkleeden, plichtmatig ruilen
van warm-intieme voor kille, nieuwe, vijandig-vreemde dingen. Hij lei 't
linnengoed op de tafel en haalde uit een andere kast in de alkoof zijn
rok, die over een stijven houten hanger hing met slappe mouwen als over
de hoekige hooge schouders van een gebocheld man. Hij lei zijn zwarten
rok en vest en broek over een stoel en haalde zijn schoone overhemd uit
de vouwen en hing 't er overheen, een vreemd slap doekengedoe om de
glimmende stijve borst, een onhandig, onmogelijk ding, dat hoekig en
plompverloren neerlag, als een zoo-maar-ergens-neergesmeten houten
janklaassen. Toen trok hij zijn jas en vest en zijn overhemd uit en
gooide ze over de kanapee, waar ze dadelijk in slordige plooien
wegzakten, tot een onherkenbaar hoopje goed.
Zoo, in zijn onderkleeren, waar zijn hals vreemd naakt uit kwam
steken, nu geen heerehals meer, maar een stuk bloot mannelijf, dat
kalvrig-nuchter afstak bij 't hoofd, dat nog wel 'n heerehoofd was, met
netjes opgestreken haren en snorren, zoo ging hij zijn handen staan
wasschen, ze in 't water stekend tot over de benig-magere polsen, wat
hem weer deed huiveren van kou. Hij haastte zich, al door zenuwachtig
rillend, en op zijn borst en achter, tegen zijn rug, voelde hij de kille
lucht als een tocht. Vlug droogde hij zich af en trok toen ook, met
snelle handige rukken, zijn beenen uit de warme donkerte van zijn broek
en schoot de stijve, scherpgevouwen pijpen van zijn kamgaren rokbroek
aan. Daarop begon hij de knoopjes in zijn schoone overhemd te doen, nu
en dan blazend tegen zijn vingers, die peuterend aan die knoopjes
blauwden van kou. Toen 't af was trok hij 't gekke, eigenwijs
armzwaaiende ding over zijn hoofd en 't flodderde en zwabberde om hem
met een scheurend geluid en schokte en plooide en rondde zich om 't
lijf, 't beheerschend nu met zijn brutaal-blinkend helle wit zoodat de
been-enden er lummelig onderuit kwamen. Maar toen begon hij 't wit te
bedekken met stukken dofzwart, die er omvielen in keurig-kantige lijnen,
zoodat 't witte geblink alleen van voren bleef, rustig nu liggend,
stil-deftig als 'n bevroren stadsgracht, ingesloten in 't warme zwart.
En met ieder stuk kleeren ontkilde en vervroolijkte zijn stemming en hij
begon zich netjes te vinden, weer heelemaal heer; hij kreeg er weer
plezier in; dat vol-zijn van overmoedige schitterlust kwam terug met
frissche scheuten. Intusschen was zijn juffrouw komen kloppen en had
geroepen dat de vigilante er was, en dus haastte hij zich nog meer, de
voorwerpjes bijeenzoekend, die hij noodig hebben zou, zijn hoogen hoed
opstrijkend, dien hij daarna -- als voorloopig -- schuin op zijn hoofd
zette. Zijn handschoenen stak hij in zijn zak en bedacht zich toen even,
stil-bedaard op de tafel leunend, of hij niets vergeten had. En terwijl
hij zoo staande droomerig voor zich keek, zag hij zijn kamer in
eens met een nieuwen blik, in een aardig-scherp licht, als door een
stereoscoop, met al de prentjes en de pulletjes zoo precies en intiem,
en hij voelde in-eens lust om er te blijven zitten, met een boek, en dan
de vreemde sensatie te hebben van daar op zijn eigen kamer te zitten in
galakostuum, tot verbazing van de meubels en de dingen aan de muren.
Maar hij deed 't natuurlijk niet, hij nam zijn overjas van den kapstok
en draaide 't licht uit en ging weg, zijn kamerdeur achter zich
afdraaiend, en hij daalde rechtop de oude trap af, zich voornaam voelend
als een prins, die afklimt in een ellendige kelderwoning. En snel wipte
hij over 't trottoir en in de vigilante, waarbij hij zijn hoed stootte,
terwijl hij den koetsier toeriep waar hij heen rijden moest, 'n bekend
huis-voor-feesten op de Keizersgracht.
In 't rijtuig was een vochtige, duffe kilte, nog kouder dan daarnet op
zijn kamer (hij dacht er even aan terug met een gevoel van genegenheid)
en de raampjes rinkelden en rammelden naar-hard bij 't schokkend rijden
over de hobbelige straat. Hij zat te vloeken tegen vigilantes, zijn hoed
weer opstrijkend, en begon toen langzaam zijn handschoenen over zijn
halfverkleumde vingers te duwen. Toen hij klaar was streek hij met een
mouw van zijn overjas wat wasem van 't eene raampje en ging naar buiten
zitten turen, naar de vreemd-bewegende koppen van de menschen in 't
rosse avondlicht, zacht sissend tusschen zijn tanden een wijsje, dat hij
zelf niet hooren kon door 't geratel en de straatgeluiden.
Met 'n schok stond 't rijtuig stil in de file. 't Stond wachtend stil,
schokte rommelend 'n endje naar voren, stond weer stil en wachtte, en
dat deed 't nog een paar maal. Tot hij, door 't opnieuw morsig bewasemde
raampje turend, twee gebogen meisjesfiguren in lichte sorties zag komen
uit 't rijtuig dat voor 't zijne stond; en hortend en stootend schoot
de doos, waar hij in zat, nu tot onder de luifel, die de breede stoep
overkapte. Met een ruk werd zijn portier opengegooid en hij voelde zich
er uitkomen in een golf van nattig-kille buitenlucht. "Niet terugkomen!"
riep hij den dikgeduffelden koetsier toe, hem vlug 't fooitje
toereikend, dat hij klaar gehouden had en meteen ging de deur
open en verdween hij in den lichten buik van het groote donkere
Keizersgrachthuis.