I.

Op zijn kantoor in de Warmoesstraat, aan zijn schrijftafel vlak bij 't

raam, zat hij te schrijven aan zijn vriend Edward, die in Batavia

woonde. Zijn stijf, geglansd papier bolde op, glimmend in 't kil-wittige

Octobermorgenlicht, zoodat hij zijn natte letters bijna niet zien kon.

Hij zat sterk voorover, met zijn linkerhand op 't papier, dat 't niet

kon verschuiven, nu en dan alleen wat rechter-op, als hij zijn zinnen

zat te maken, bijtend met zijn voortanden op 't botte eind van zijn

pennenhouder en kijkend, zonder te zien, door de beregende ruit tegen de

huizen aan van den overkant, zijn gezicht vertrokken als was er een vies

luchtje.

Verderop, aan weerszijden van 't lange lage vertrek, stonden een paar

bedienden tegen hun hooge, gele, leelijk grauwgele lessenaars te hangen

en een klein klerkje hurkte op een hooge kruk, aapachtig opgevouwen.

Dit schreef hij:

Je weet niet wat dat is voor mij, zoo'n brief van jou. Je kunt 't niet

weten, jij die er zooveel krijgt, met elke mail, niet waar? Van je vader

en je moeder, van je broers en je vrienden. Je kunt niet weten wat zoo'n

brief is voor mij, die geen vader, geen moeder, geen broers en geen

zusters, en geen vrienden heb -- dan jou alleen! Houd dit niet voor 'n

klacht of voor bitterheid, want dat is 't juist niet, heelemaal niet, 't

is een verhoovaardiging, 'n blij bluffen op iets wat ik heb en jij niet.

Zoo'n brief is voor mij wat 'n haas is, dien hij cadeau krijgt, voor

iemand die verschrikkelijk veel houdt van haas, maar geen geweer heeft

om er een te schieten en geen geld om er een te koopen. Nee! meer is

zoo'n brief voor mij. Want de man, die van haas houdt, brengt 'm naar

den poelier om 'm te laten villen en 't vel, daar bekommert hij zich

niet verder over, en over 't beest zelf eigenlijk ook niet; als hij er

lekker aan gesmuld heeft, gooit-ie de beentjes weg. Maar ik, als 'k den

brief gelezen heb, stop 'm weer in z'n envelop, want daar hoort-ie in,

daar heb ik 'm in zien komen en daar houd ik van, bijna net zooveel als

van den brief. En zoo, in z'n eigen envelop, steek ik 'm in me jaszak,

in me rechterbinnenzak, en graag haal ik 'm daar nu en dan 's uit (onder

een of ander voorwendsel voor me zelf) om 'm weer 's te zien. En lang

duurt 't voor ik 'm opberg bij de andere....

O! als ik 's morgens op kantoor kom, koud, huiverig door den slaap, die

nog in me leden zit, wakker alleen in me hoofd door 'n fel-schroevend

gevoel van "'t moet", en als ik dan de bus licht en 't heele zoodje van

brieven en drukwerken meeneem naar me lessenaar waar ik 't ga zitten

lezen en sorteeren, nuchter, leeg, in 'n minachtende onverschilligheid

voor al die zakenmenschen met hun quasi-gewichtig gezeur en gezanik,

hun aanstellerig gebeveel, hun peuterige aanmerkingen of hun kleverig

geflikflooi, en als er dan onder al die vervelende, firmabedrukte grauwe

dingen plotseling, heel leuk, met 'n rustig air van "o, wist-je niet,

dat ik hier lag?", zoo'n witte brief te voorschijn komt, zacht-roomwit,

met me naam, me particulieren naam, me voornaam Bernard en me

familienaam Bandt, en heelemaal niets van "Vermeet & Co.", en dat door

jou geschreven, door jou, dat zie ik nog voor 'k iets lees; ik herken

den brief; als ik den brief zie, zie ik dadelijk jou, zie ik je ouwe

goeie vrindenfacie en hoor ik je stem me naam zeggen, jou stem die in

m'n herinnering is als geluidgeworden sympathie, de eenige stem, die me

doet voelen, dat ik niet ganschelijk alleen ben op de wereld.... Zoo'n

brief dan leg ik apart en 'k ga haastig door met lezen en sorteeren van

de andere. Wat ik zelf moet behandelen leg ik op 'n stapeltje en de

rest verdeel ik onder de bedienden, en -- zenuwachtig van verlangen --

vergeet ik hun er bij te zeggen sommige dingen, die ik wil dat ze

schrijven, zoodat ze dan later, als ik je brief zit te lezen, komen

vragen: meneer dit en meneer dat, en dan snauw ik ze af met: ja, ja, ik

kom bij je, laat me nou toch even met rust. Want als ik dan eindelijk

je brief heb opengemaakt, dan wil ik niet gestoord worden, dan wil ik

rustig en langzaam genieten, met kleine delicieuse teugjes, de intieme

zinnen, die daar voor mij alleen staan opgeschreven door jou hand.

Ik voel 't heel goed: de zeldzaamheid maakt 't genot van je

vriendschapsuitingen fijner, exquizer; als je hier was, als 'k je allen

dag sprak, zou 'k niet zooveel van je houden als ik nu doe, nu ik niet

zie dingen die je doet, niet hoor dingen die je zegt, en die ik niet zoo

doen en zeggen zou, nu ik alleen maar van tijd tot tijd krijg een stuk

papier volgeschreven met eerlijke uitingen van je innigst voelen. Maar

toch, als je weer terugkomt, wat je schrijft dat je gauw doen zult, dan

zal ik toch -- geloof ik -- meer van je houden dan vroeger, want ik weet

nu zooveel meer van je, ik begrijp dingen in je, die 'k vroeger niet

begreep, en die me dus toen afstootten, nu aantrekken, en ik ben

langzamerhand beginnen te merken, dat ik bepaald houd van manieren van

je, die 'k vroeger dacht dat me heelemaal niet bevielen. Ik zie je beter

nu. Je bent anders dan ik, maar daarom vooral niet minder.

Dat wou ik je even zeggen, voor ik ga doen wat je van me vraagt, voor ik

je ga schrijven over me zelf. Want ik wil dat doen. Ja! Voor jou wil ik

dat doen. Want jij hebt er ook eigenlijk recht op, jij bent de eenige,

die er recht op heeft. Jij doet 't voor mij ook, je schrijft over wat je

innerlijk ik te lijden en te genieten heeft, je schrijft ontboezemingen.

Maar dit lijkt me nu bijvoorbeeld een groot verschil tusschen ons. Jij

doet 't graag, dat ontboezemen, ja 'k geloof dat je 'r behoefte aan

hebt, en dat komt door je heerlijk krachtgevende zelfingenomenheid. Je

praat heel zelfbewust over jezelf. Dat neem ik je niet kwalijk, ik vind

't ook niet pedant of maar eenigszins afkeuringswaardig, maar ik heb 't

niet, dat 's alles! Ik heb er juist 'n helsch plezier in me heel anders

voor te doen dan ik ben -- of eigenlijk, nee!...... ik wil er tegen jou

niet om liegen, ik geloof dat ik me dat maar wijs maak, dat ik eenvoudig

de kracht en den moed niet heb mezelf te zijn, altijd en overal. Want

soms, midden in me dagelijksche werk, in 't afdoen van me dagelijksch

stapeltje, voel ik 't, met diepe schaamte, mijn ellendig gebukt-gaan, en

dan slaat er in-eens 'n dolle drift over me, 'n felwassende woede, 'n

hijgende lust om stuk te trappen de lieverig-vergulde tralietjes van

't hok waar 'k in gevangen zit. O! wat 'n genot zou dat zijn, wat 'n

heerlijk lichte dag, wat 'n dag van gouden zon en voorjaarsluwte! Ik zou

't netjes willen doen, met ingehouden kracht, kranig, als 'n heer, m'n

eene been kalm buigend met spanning van al de beenspieren en dan --

pang! vooruit! en aan splinters de heele mooie boel! En dan weggaan,

kalm, weggaan, bedaardjes, lief groetend. En de menschen, die denken dat

ze je wat te bevelen hebben, met de complimenten naar huis sturen: "en

als dat meneer 't nou verder verdomde," en dan gaan leven, het gansche

leven, vrij, ongebonden, wild, al de kracht van me lijf en van me ziel

gebruikend, met goeddoende, o zoo zacht en teer goeddoende liefde, en

met driftig strijdenden, neerhouwenden haat. Want o 't leven, Edward,

't leven! Wat weet ik er van en wat weet jij er van? Wij zijn lekkertjes

gevoed en zoetjes gekoesterd, we zijn wel 's ziekjes geweest, we hebben

wel 's pijntjes gehad, en dan zijn we voorzichtigjes weer opgelapt met

drankjes en pilletjes en zoo door en zoo door; altijd is er voor ons

gezorgd; en de menschen zijn wel 's onvrindelijk tegen ons geweest, ze

hebben ons wel 's gesard en verveeld, o soms vreeselijk verveeld, maar

niemand heeft er nog ooit met ons willen vechten op leven en dood! Maar

wat praten we dan toch over honger, armoe, ellende, smart, liefde, haat,

genot, zaligheid, verrukking, leven! We weten er niets van, niets,

niets! geen flauw benul hebben we ervan! En kan jij daar dan bedaard bij

blijven zitten en zeggen: ja, ja, zoo is 't, en niet opvliegen en je

haren uittrekken en vloeken en grienen en beuken en stampen?! Huil jij

nooit tot je oogkassen branden om je jeugdjaren die verloren gaan,

die nooit weerkomen, nooit, nooit?! Is jou mond nooit droog en heet

geschroeid van verlangen naar leven?.... Maar o! niet waar? dan

komt sluiplangzaam, poeserig-zacht langs je schuiven je gemeene,

beroerd-laffe houden van lekker eten en drinken en 'n zacht bed, dan

komt je lafheid en houdt 't nuchter mombakkes van je verstand voor z'n

apentronie en sust je zoetjes en vriendschappelijk, klopt je op je rug

en zegt: "Mooi zoo! je bent 'n goeje jongen, iemand met gevoel, heel

interessant, heel mooi! Ja, ja, die kleingeestige wereld, niet waar?

Maar je meent 't natuurlijk niet. Je kunt je immers niet eens 'n

voorstelling maken van dat vrije leven. En daar ben je toch ook veel te

goed voor, je zoo te vergooien, foei! daar ben je 'n veel te knappe,

aardige jongen voor. Ga nou maar weer aan je werk en zet je die

fantasieën uit je hoofd, en denk aan je toekomst." Ja!.... En dan

gehoorzaam ik! Dan gehoorzaam ik, godbetere 't! Maar dan huil ik van

pure woede, machtelooze woede en diep ga ik gebukt onder m'n gedweeë

tamheid....

Voel je nu hoe 't komt, dat ik niet graag schrijf over mezelf, dat ik

opzie tegen ontboezemingen? Toch.... heb ik 't al gedaan en zal ik er

mee doorgaan, omdat ik 't nu eenmaal wil. Ik zal je schrijven hoe ik me

dagen doorbreng, ik zal je schrijven hoe "'t me gaat...."

Maar toe alsjeblieft, hoeft 't vandaag niet meer? Morgen! morgen! 'k

beloof 't je. En hier heb je dus dit stuk papier vast, want anders zou

ik 't morgen misschien overlezen en 't verscheuren -- of weer niet

verder kunnen....

En Bernard teekende den brief en adresseerde hem en gaf 'm aan zijn

jongsten bediende, die 'm naar de post bracht. Zelf ging hij kort daarna

uit om koffie te drinken, in een koffiehuis, vooraan in de Kalverstraat,

en daarna liep hij gauw naar de Beurs; 't was al laat....

Maar den volgenden dag, wat vroeger, ging hij weer aan zijn schrijftafel

zitten en begon een tweeden brief aan Edward:

Ik ben heel wel. Behalve nu en dan wat hoofdpijn, van katterigheid of

koude voeten, scheelt me tegenwoordig nooit iets. Ik geloof bepaald dat

ik 'n gezond en krachtig gestel heb. Daarbij komt dat ik vrij matig en

bedaard en vreeselijk geregeld leef, -- zoodat ik misschien wel zeventig

of tachtig jaar worden kan.

Me zaken gaan goed. M'n oom trekt zich meer en meer terug. Hij is nu

voor goed in Bussum gaan wonen. Hij heeft zich daar in 't voorjaar een

villa laten bouwen, die heelemaal door Jansen ingericht is, fijn, hoor!

prachtig! En er is een groote tuin bij (hij zegt: lap grond) waar hij

zelf nu in staat te spitten en te graven met z'n tuinman. Dat is zoo z'n

liefhebberij. Beste man! Tante maakt 't ook heel goed en laat je, met

'r gewone vriendelijkheid, wel zeer groeten. Ja, ja, beste menschen,

o zulke goeie menschen! Denk niet dat ik met ze spot, hoor! 't Zou

schande zijn. 'k Heb aan die menschen alles te danken, wat ik ben (ik

zeg: wat ik ben) en wat ik heb, al wat ik geleerd heb, me dagelijksch

brood, me klanten!.... Gaat 'r maar 's 'anstaan!....

Ik ben dus gezond en me zaken gaan goed, ik ben dus 'n deftig, geposeerd

man, 'n bourgeois-satisfait.

Lach nu niet. 't Is niet om te lachen. Of.... waarom zouden we er ook

niet 's om lachen, hè? Zeg, ouwe jongen, kijk me 's even aan, vind je 't

eigenlijk niet om te gieren? Ik vind 't om te brullen, te schudden, te

trappen van-de-lach, om je handen op je heupen te zetten en telkens weer

te beginnen! Ik vind 't verregaand belachelijk, God! ik vind 't zoo gek!

Ik vind 't om te gaan staan dansen en scheel te kijken en wa!- wa!- wa!-

te roepen als 'n idioot, zoo vind ik 't!

Stil! 'n vraag! 'n raadsel!.... Wat ontbreekt 'n jong man van

vier-en-twintig jaar, gezond, met 'n nette beklante zaak, die op 't

Rokin op kamers woont en in Bussum een rijken oom zonder kinderen heeft

wonen?.... 'n Meisje!.... Juist! precies! Kerel, wat kan jij toch goed

raden! Natuurlijk! 'n meisje! 'n vrouw! Waarom trouw ik niet? Waarom ben

ik nog niet geëngageerd? Waarom in 's hemelsnaam ben ik toch nog niet

geëngageerd?! Dat hoort 'r toch zoo bij! En als er nou geen lieve,

aardige, mooie meisjes meer waren in Amsterdam! In Amsterdam? Wat zeg

ik? in Nederland! in Europa! Wat bindt me aan Amsterdam?.... Maar,

't is waar, ik kom niet overal voor me zaken!.... Wat dan ook volmaakt

onnoodig is, want, m'n hemel! er zijn hier meisjes "te over" en de eene

is al mooier en liever en vriendelijker en zachter dan de andere! En

jongen-jongen! wat zijn hier 'n boel vroolijke en geestige meisjes, nee

maar kolossaal!

Ik ben dan ook in den regel verliefd. Op 't oogenblik toevallig niet,

maar 't zal wel niet lang meer duren, want morgenavond ga 'k naar 'n

bal. Nou, en als je zoo'n heelen avond letterlijk niets anders te doen

heb dan je zoo'n beetje op te winden....

Nu vind ik dat verliefd zijn iets erg aangenaams. Ook is 't 'n

geoorloofde, onschuldige bezigheid, die je onder je werk door best er

bij waarnemen kan. Je hebt 'n meisje gezien, gesproken, misschien zelfs

met 'r gedanst en dat heeft je gelukkig gemaakt. En nu soes je -- zoo

achter je wakkere, flinke om-zaken-gedenk om -- voortdurend aan dat

meisje, met lekkere scheutjes van heimelijk genot vol gesoes, dat is

als 't zoete gefluister van kinderstemmetjes achter de kalig-kamgaren

rugvlakten van degelijke, gelijkhebbende pa's. En al weet je best, al

voel je blozend, dat je niets dan flauwe, banale, stomme, botte gezegden

tegen 'r gezegd heb, je heb toch 'n stille hoop -- die je verbergt

voor jezelf -- dat je misschien nog al 'n tamelijk goeden indruk hebt

gemaakt, en je verlangt, niet sterk, niet onweerstaanbaar, maar zoo

net even genoeg om er 'n straatje voor om te loopen, naar 'n nieuwe

ontmoeting. En als je haar dan weer aan ziet komen, naar je toe, en ze

lacht en ze geeft je 'n hand, dan voel je licht-amoureuze trillingen, 'n

zacht neerstrijkende, streelende, niet-beklemmende bevangenheid, je bent

in eens in 'n soort van roes, 't suist in je hoofd als pas ingeschonken

champagne, je lijf is niet meer zoo zwaar en lomp, je voelt 't niet, je

bent je donkere, degelijke, vervelende zelf kwijt, je merkt in eens dat

je in de zon staat, dat 't zomerachtig zoel en lekker om je is. Je bent

gelukkig, je hebt aangename droomenvolten.... tot dat je liefste, je

nimbusomkranste engel, je sprookjeskoningin, je droomengebiedster even

met 'r wijsvinger aan 'r neus komt of leelijk geeuwt of tersluiks

glimlacht om 'n dubbelzinnigen mop of 'r moeder afsnauwt of -- weet ik

wat nog meer! -- tot dat ze, bedoel ik, in één blik, 'n klank, in 'n

tiende deel van 'n seconde, verandert in 'n doodgewone juffrouw, die

natuurlijk d'r goeje zij wel hebben zal, zooals ieder mensch, wel ja,

waarom niet!.... maar dan ga je toch maar weg, hè, dan ga je maar

weg....

O, maar vriendinnen heb ik heel veel, ik heb, geloof ik, wel

vijfentwintig vriendinnen in Amsterdam.

Ja, ja! ik weet wel, je vindt dit kinderachtig, kwajongensachtig,

kalverig geklets, je denkt: zijn dat nu z'n ontboezemingen? Je leest

't met 'n medelijdend glimlachje, innerlijk 'n beetje geërgerd, maar

je wilt je niet boos maken op mij. Maar je vindt dat 'n man, -- 'n

man nietwaar? -- dat 'n man, als hij 'n vrouw liefheeft, werkelijk

liefheeft, nietwaar? dat hij dan blind is en doof en dol en niet +wil+,

niet +wil+ zien de nuchtere dingen, niet +wil+ redeneeren, maar dat hij

dan aldoormaardoor doet wat hij kan om die vrouw te krijgen! Zeker,

zeker, zoo is 't, je hebt gelijk. Ik had 't dan ook maar alleen, ik

causeerde zoowat over verliefdheid en misschien was dat woord niet goed,

maar ik weet geen ander, en verder dan zoo'n kalverliefde heb ik 't nog

niet gebracht. Van dat andere, dat machtige, dat volwassene, dat eenige

echte, daar droom ik van in zoete, bedwelmende dagdroomen, daar verlang

ik naar met 'n angstig-wachtend verlangen, en altijd glanst in de ramen

van mijn zielehuis de gouden gloed van mijn hoop, maar soms, als ik 't

zie, dat kasteel van mijn ziel, dan is 't 'n roode gloed, mooi donker

bloedrood, weemoedig-dofrood, als van een ondergaande zon.

Maar neen! neen! dat moet komen, dat zal komen! Want o! als ik niet wist

dat ééns mijn leven rijzen zal, recht, met verdoovende, verbijsterende

snelheid, en opvlammen, rein en trotsch, in dien fel-zuiveren

zielebrand, als ik niet wist dat ik dat, dat heerlijkste, dat

eenig-hoogstbegeerlijke van 't leven kennen zal, dat dàn tenminste, dat

dàn eindelijk, al is 't dan maar 'n maand, 'n dag, 'n uur, één oogenblik

het leven door mij heen zal gaan, zoodat ik 't merk, zoodat ik 't

sidderend voel in mijn ademlooze zaligheid, als ik dat niet wist.... o,

mijn goede vriend, als ik dat niet wist!.... Maar dan had ik me immers

al verzopen.

Maar ik weet 't, zij zal komen, ik zal haar zien. Dikwijls heeft God 't

mij gezegd, sprekend met zijn machtige stem tot mij in mijn ziel. Ik ben

geduldig, ik zal wachten.

Zal zij blond zijn, bruin of zwart, blauwoogig, roomigwit van tint,

ik weet 't niet. Soms, in stille uren, hoor ik van verre haar zacht

vertrouwelijke stem, maar zij is mij nog nooit verschenen. Maar eens zal

zij komen en mij begrijpen en mij liefhebben en ik zal haar liefhebben.

Ik zal wachten op haar en mijn zielehuis zal ik rein houden, want zij

zal er in wonen, en ook mijn lijf, mijn mat-blank, vreemd-bewegend lijf,

mijn warm lijf, waar ik zooveel van houd, zal ik voor haar bewaren, want

als zij komt, recht naar mij toe, en zich glimlachend neervlijt in mijn

verlangende armen, als ik haar oogen voel in de mijne, haar warmen adem

gaande langs mijn hoofd en haar heilig lijf zich voegend naar de stugge

buiging mijner leden, dan zal ik 't plotseling heftig begeeren haar lijf

en zij zal 't geven, aarzelend eerst, schuchter trachtend mij te weren,

onbewust rekkende de zoete verrukking. En weten zullen wij dan dat

niemand nog bezat wat wij bezitten. Ik zal 't haar zeggen. O hoe zalig

zal 't dan zijn haar dankbaar liefkoozende hand te voelen streelen mijn

borst, mijn armen, mijn gansche lijf, dat zoolang ontbeerde....

Om dat besluit van mij, kuisch te blijven leven, zonder lijfsgenot tot

haar komst, word ik dikwijls bespot, soms gehoond, ja zelfs kleinzielig

verdacht en misschien ook wel 's belasterd, wie weet 't! Maar daardoor

juist groeit 't in me als 'n boom in 't bosch, hoog, trotsch, altijd

dieper en verder geworteld. Er zal wel 'n storm noodig zijn om 't neer

te rukken. En toch, als de storm komt, dan zal ik niet vluchten,

want ik zal houden van den storm omdat 't storm is, omdat 't geen

Amsterdamsche winderigheid en motregen is, maar storm.

Als maar niet de voortdurend doordruppelende motregen langzaam verrotten

zal en doen bezwijken, wat de storm neer zou kunnen slaan met een

ruk!....

Dezen laatsten zin schrapte Bernard weer door. En hij las den heelen

brief over en voelde zich vaag-verdrietig en leeg. 't Was 't niet! 't

Was nog heel anders. Hij zou 't nooit kunnen zeggen zoo zuiver en

eenvoudig als 't was.

* * * * *

Hij schreef alleen nog: 't Is 'n kille dag vandaag, mijn vingers

verkleumen, morgen verder.

En den volgenden dag:

O ja, nu zou ik je vertellen hoe 'k me dagen doorbreng. Zóó: Ik sta 's

morgens om acht uur op. Dan brengt "de juffrouw" me 'n cadetje met thee

op me kamer en dan loop ik op 'n kippendraf naar kantoor. Dan werken tot

half één, koffiedrinken, ergens hier in de buurt, met Sam van 't Hout of

André, of alleen, dan naar de Beurs en gauw weer naar kantoor en daar

zitten tot zes uur. Dan 'n borrel, hier-en-daar-en-overal, met allerlei

lui, en eten op 't Leidsche-plein, en 's avonds zitten lezen op me

kamer of in 'n koffiehuis, of zitten kijken in 'n komedie -- of in 'n

koffiehuis, of zitten kaarten op me kamer -- of in 'n koffiehuis, of 'n

partij meemaken, 'n soireetje of eterijtje bij vrinden of kennissen --

of in 'n koffiehuis......

Daar is ook 'n tijd van 't jaar, dat is juist altijd in 't begin van de

lente, in dien tijd als je 's avonds je raam opengooit en dan in eens

bevangen wordt door 'n vreemd-geurige zoelte en je deur uitloopt met 'n

niet-te-zeggen gevoel van verlangen naar zomer, en toch eigenlijk niet

'n verlangen, als je 't goed nagaat, maar juist 'n vrees, 'n angst

voor iets onbekends, iets geheimzinnigs, 'n gevoel van: o, nu zal 't

komen!.... De menschen loopen je voorbij als schimmen en in de verte

blaft 'n hond. En plotseling voel-je, dat je wel zoudt kunnen huilen van

slapte en loomen weemoed.

Nu, in dien tijd dan, zoo tegen half Maart, en in April soms ook nog en

ook in Mei nog wel 's 'n poosje, dan heb ik me drukke weken, dan eet ik

schrokkerig en gauw, weinig en toch te veel, en zit om acht uur weer op

kantoor en werk tot elf of tot twaalf of tot één uur.

O, die benauwende weken! Die strenge stroeve weken, die harde werkweken,

van je niet bemoeien met de lucht en de boomen en de menschen en de

vreugde en de kalme genoegens, maar altijd maar werken, weg zijn in je

werk, die weken van niet-leven, maar ook niet van dood, want er wordt

veel afgedaan, een berg van werk wordt weggeruimd met taai-volhoudenden,

nijdig-zwijgenden, al maar doorpeuterenden arbeid.

Als ik dan 's avonds laat de deur van mijn zakenhuis achter me dicht

getrokken heb, en ik loop naar me kamer, dan heb ik 'n rustgevend

gevoel van te moe zijn om nog iets te gaan doen. Dan loop ik nog aan

kleinigheden van me zaken te denken en aan wat ik morgen weer doen moet.

't Is maar 'n slap en traag gedenk, ik voel me suf en dof en dom, maar

zonder schaamte berust ik in mijn domheid; gelaten, stil-tevreden als 'n

kind, eet ik nog 'n boterham en drink 'n glas gerste-bier en ga naar bed

met klamme, koude voeten en 'n gloeiend hoofd. En den volgenden morgen

hijsch ik in 'n werktuigelijk, heelemaal gewoonte geworden gevoel van

plicht, me lamgeslagen lijf uit me warme bed-hol, en nonchalant op me

kleeren en op m'n ontbijt, draaf ik haastig naar kantoor, waar ik

langzaam-aan opleef en me weer gewoon ga voelen tegen tien, elf uur.

Maar soms......

Neen, nu is 't genoeg, laat me je niet hoeven mee te nemen naar de

diepe, kille donkergroene grotten van mijn innigste bitterheid. Scheld

't me kwijt, wat er nog ontbreekt aan dit pijnlijke geschrijf, dit

vinger-vegend, voorzichtig betastend, maar toch aanraken, aanraken van

mijn overgevoelig binnenste, van al die teer-opene, licht schrijnende

plekken. En laat me tot slot van deze brieven, die je weg moet doen

als je ze gelezen hebt, -- want ze zijn wel eigenlijk nog niets, neen,

niets, als ik er aan denk; zij zijn maar heel grove benaderingen, ze

tasten met dikke handen, ze treffen niet; ik durf niet; ik durf nog niet

mijn arm zelf voor je neerleggen met afgestroopt vel en dan snijden en

grijpen in 't bloedrig lillend vleesch, 't warme vleesch, en aanwijzen

en uitleggen, maar toch, 't zou me hinderen te weten op den duur, dat ze

daar nu liggen bij jou, als sombere stukken, als processen-verbaal

van mijn getob en gepeuter en waar je me mee aan zoudt kunnen komen,

zeggend: Kijk, dat heb je geschreven! -- O laat me tot slot nog 'n

beetje aan de koele oppervlakte blijven, wat praten, even maar, over

luchtige, lichte dingen!....

Want, waarachtig! 't Zou ten slotte ook wel gaan lijken of ik niet jong

was en levenslustig! Zeg, kerel, je moet niet gaan denken dat ik somber

ben of zwartgallig of zwaartillend, hoor! Ik ben vroolijk, vriendelijk

en goedhartig. Ik ben 'n opgeruimd zakenheertje, ik ben 'n lustig

beursmannetje. Ik ben blozend, ik ben flink, ze vinden me 'n energieken

jongen koopman op de Beurs en me kennissen mogen me graag lijden, want

ik kan heel gezellig zijn en moppen tappen, dat ze lachen rondom de

koffiehuistafel en weer gaan drinken uit vroolijkheid. Ik houd ook veel

van fuiven en ik doe 't ook dikwijls, ik kan 't ook goed en ik kan er

ook goed tegen. Nog pas hebben we 'n beestig dolle pan gehad op André's

nieuwe kamer op 't Rembrandtsplein. We hebben 't ingewijd, dat nieuwe

feestterrein. Je hadt er bij moeten wezen, 't was 'n avond van

uitgelaten dwaas-doen en je lekker roezig dronken voelen worden. Na 't

souper hebben we 'n allergekste scène gehad met de tafel. Dat was zoo'n

ronde, met een blad dat je op kunt slaan als je 'n knip wegtrekt. Nou,

je begrijpt 't natuurlijk al. Sam deed 't, 'n heidensch kabaal!...... en

rrang!, neer lag de rommel, en 't licht was uit. André stak 'n lucifer

aan; daar zaten we allemaal op den grond tusschen de scherven en plassen

wijn en vla, stil, in-eens stil van den schrik. 't Flikkerlichtje van

den lucifer glimmerde maar even om onze rooie koppen, maar dat eene

oogenblik zal me onvergetelijk zijn in z'n groteske onwezenlijke

dwaasheid........

Maar nu moet ik weg. Ik groet je, mijn beste Edward, houd je goed en

schrijf gauw weer aan je vriend

Bernard Bandt.

De roman van Bernard Bandt · 第 8 / 40 题