Twee dagen later verlieten wij Parijs; na eene reis van drie dagen door
eene eentonige landstreek, bereikten wij de kleine stad Granville,
aan het Kanaal gelegen. In dit aangename plaatsje vertoefden wij
eenige dagen; en daar onze brieven ons geregeld werden nagezonden,
ontvingen wij ook hier weer tijding uit Engeland.
Daaronder was ook een brief van Clara, welke inhield, dat
er verschillende pogingen waren aangewend om Emilia tot andere
gevoelens over te halen, zonder dat daardoor het minste was bewerkt;
dat daardoor integendeel eene zekere verkoeling tusschen de familiën
was teweeggebracht. Zij voegde daarbij: »Ik vrees, dat uw vriend nog
wel zoo slecht is, als gij zijt; want ik hoor, dat hij reeds lange
jaren met een ander meisje verloofd is. Daar ik nu geloof, dat de
grootste aanleiding tot uwe vriendschap zijne genegenheid voor mij
is, en gij dus een verkeerden indruk van zijne oprechtheid hebt,
acht ik het mijn plicht u met een en ander bekend te maken. Het
is onmogelijk, dat gij langer achting kunt gevoelen voor den man,
die met de gevoelens uwer zuster gespot heeft, en vurig hoop ik,
dat uw volgende brief het bericht uwer scheiding zal behelzen."
Hoe weinig dacht de arme Clara, toen zij dezen brief schreef, welke
ernstige gevolgen dit hebben zoude; dat zij door hare klachten eene
mijn deed springen, waardoor rampen zouden ontstaan, tienmaal zoo
ernstig als al wat ons ooit overkomen was.
Ik was toen ter tijde in een sombere gemoedsstemming, ik haatte
mijzelf en ieder ander. De laatste dagen had ik het gezelschap
van Talbot verduurd, doch het was mij niet aangenaam geweest; en
ik was zelfs zoekende naar een voorwendsel om van hem ontslagen te
geraken. Ja, hij was mijn vriend, dit had hij bewezen; doch ik was
niet in eene stemming om diensten te erkennen. Afgewezen door haar,
die ik liefhad, had ik neiging om elkeen af te wijzen. Talbot was mij
een blok, een ketting aan het been, waarvan ik mij niet te spoedig
kon bevrijden. Deze brief gaf mij eene aanleiding mijn wrevel bot
te vieren; doch in plaats van hem een koel afscheid te geven, zooals
Clara's bedoeling was, besloot ik met hem op leven en dood te vechten.
Mijn brief uitgelezen hebbende, legde ik dien voor mij neder,
zonder iets te zeggen. Talbot vroeg op den hem eigen vriendelijken,
goedhartigen toon, of ik nieuws had. »Ja," antwoordde ik, »ik heb
ontdekt, dat gij een schurk zijt!"
»Dat is zeker iets nieuws," zeide hij; »en het vreemdste daarbij is,
dat de brief van Clara daarvan de overbrenger is. Doch dit is eene
taal, Frank, die zelfs uwe ongelukkige gemoedsgesteldheid niet kan
verontschuldigen. Trek uwe woorden in!"
»Ik zal ze eerder herhalen," zeide ik. »Gij hebt mijne zuster bedrogen
en zijt daarom een schurk."
»De naam van Clara," hervatte Talbot, »doet mij bedaard blijven:
geloof mij, Frank, gij dwaalt. Ik heb haar lief en koester steeds de
meest eervolle bedoelingen te haren opzichte."
»Ja," zeide ik met een schamperen lach, »terwijl gij reeds voor jaren
met een ander meisje verloofd zijt. Jegens een van beiden hebt gij
u als een schurk gedragen; ik trek mijne woorden daarom niet terug,
doch herhaal die; en daar gij onder beleedigingen zoo geduldig weet
te blijven, verwittig ik u, dat ik u hedenavond op het zeestrand
verwacht, of gij moet gedoogen, dat ik u schandvlek met een naam,
die voor elken rechtgeaarden Engelschman nog ondragelijker is."
»Houd op, genoeg Frank," zeide Talbot met een gelaat waarop zoowel
het bewustzijn der onschuld als mannelijke vastberadenheid te lezen
was. »Gij hebt meer gezegd, dan ik ooit verwacht had van u te zullen
hooren, en veel meer, dan gebruikelijk is om te verdragen. Wat moet,
zal gebeuren; maar nog eens herhaal ik, Frank, dat gij dwaalt, dat
gij ongelukkig misleid zijt en bitter berouw zult krijgen over de
dwaasheden van dezen dag. Gij zijt op uzelven verstoord en wilt dit
nu op uwen vriend wreken."
Die woorden maakten geen indruk op mij. Ik had een diep liggend gevoel
naar wraak en de zucht om iemand uit den weg te ruimen, of, zoo dit
niet mocht gebeuren, de valsche hoop, dat Emilia er onder lijden zou,
als ik door de hand van Talbot mocht worden gedood.
Met mijne pistolen op de afgesproken plaats gekomen, vond ik aldaar
Talbot reeds wachtende. Weder sprak hij:
»Frank, ik roep den hemel tot getuige, dat gij ongelijk hebt. Schort
ten minste uw oordeel op, als gij uwe woorden niet wilt herroepen!"
Als door den duivel bezeten, en pas overtuigd, toen het te laat
was, beantwoordde ik zijn vredesvoorstel met de meest beleedigende
spotternij: »Toen gij last gaaft op een armen jongen in het water
te vuren, waart gij niet bevreesd," zeide ik; »nu het blijkt, dat er
teruggeschoten zal worden, durft gij niet. Kom, kom, neem uwe plaats,
sta op als een man, wees niet bang."
»Voor mijzelf," antwoordde Talbot, met vaste en rustige onderwerping,
»ken ik geene vrees; doch voor u, Frank, is mijn hart ongerust." Zoo
zeggende, nam hij het pistool op, dat ik hem toegeworpen had.
Wij hadden geene getuigen, ook was er niemand in den omtrek te
zien. De maan scheen helder, en wij stapten naar het uiterste strand,
waar de eb het zand vrij hard had achter gelaten. Hier stonden wij
rug aan rug. De gewone afstand was veertien passen. Talbot weigerde
den zijnen te meten, doch bleef stilstaan. Ik maakte tien passen en
wendde mij om. »Klaar," zeide ik op zachten toon.
Beiden hieven wij onzen arm op; doch Talbot liet de tromp van zijn
pistool zakken, zeggende: »Het is mij onmogelijk om op Clara's broeder
aan te leggen."
»Het is mij onmogelijk haren beleediger te missen," antwoordde ik, en
na goed gemikt te hebben, vuurde ik en trof hem in de zijde. Hij sprong
op, draaide een halven slag om en viel met zijn gelaat op den grond.
Hoe plotseling kan de menschelijke gemoedsstemming keeren! Hoe
snel wordt de bevrediging der wraak op den voet gevolgd door innig
berouw! De blinddoek viel voor mijne oogen weg; ik zag in eens het
valsche, bedriegelijke schijnbeeld, dat mij verleid had tot eene
zoogenaamde »zaak van eer." De eer, o groote hemel! had mij tot
een moordenaar gemaakt en de stem van mijns broeders bloed schreide
om wraak.
De mannelijke en krachtige gestalte, welke eene minuut te voren mijn
bittersten haat had opgewekt, werd, nu hij daar sprakeloos ternederlag,
een voorwerp van overdreven genegenheid. Ik liep op Talbot toe en
bemerkte, toen het te laat was, het kwaad, dat ik had gesticht. Het
besef van moord, wreedheid, onrecht, doch vooral van de zwartste
ondankbaarheid, overstelpten op eens mijn verwarde verbeelding. Ik
keerde het lichaam om en zocht naar teekenen van leven. Een kleine
bloedstroom liep uit zijne zijde en verloor zich in den grond; door
de hevigheid van zijn val waren mond en neus vol zand geraakt. Ik
waschte hem schoon, stelpte het bloedverlies met mijnen zakdoek,
zette hem op tegen mij aan, en kon alleen uitbrengen: »O God, waarom
mij bij zooveel gelegenheden gespaard, dat ik dit moest beleven!"
Talbot opende even de halfgebroken oogen en staarde mij daarmede aan,
doch sprak niet. Eensklaps nog keerde het bewustzijn weder--hij
herkende mij, en o God! die vriendelijke blik doorboorde mij het
hart. Hij spande zich in, om wat te zeggen, en bracht eindelijk met
tusschenpoozen uit:
»Zoek brief--schrijflessenaar--lezen--uitleggen--God zegen--." Zijn
hoofd viel achterover, hij was dood.
O, hoe benijdde ik hem! Al ware hij nog tien duizend maal meer
schuldig, dan ik hem vermoedde te zijn, het zou mij niets rustiger
hebben gestemd. Ik was zijn moordenaar en had te laat zijne onschuld
erkend. Hoe ik er toe kwam, of op welke wij zo ik het deed, is mij
nog een raadsel, doch ik ontdeed mij van mijn halsdoek en bond hem
dien over de wond heen, stijf om het middel. Het bloed hield daardoor
op te vloeien. Het lichaam liet ik op de plaats liggen en keerde naar
ons hotel terug in een staat van zielelijden en ellende, geëvenredigd
aan de drift en opgewondenheid, waarmede ik van daar was gegaan.
Mijn eerste werk was de brieven te lezen, waarnaar mijn vriend mij
verwezen had. Bij mijne aankomst had ik onze beide bedienden nog op
gevonden. Mijne handen en kleederen zaten vol bloed, en met verbazing
zagen zij mij aan. Ik vloog naar boven, om hunne vragen te ontwijken,
en greep den schrijflessenaar, waarvan ik wist, dat de sleutel aan
zijn horlogeketting vastzat. Met den pook brak ik het slot open en
nam er het bedoelde pakket uit. Op dit oogenblik trad zijn bediende
in de kamer.
»Mijnheer, waar is mijn meester?" vroeg hij.
»Ik heb hem vermoord," zeide ik; »zijn lijk zult gij vinden op het
zeestrand bij den seinpost; en," vervolgde ik, »nu ben ik bezig hem
te berooven."
Mijn voorkomen en mijne handelingen, waren al te zeer in
overeenstemming met mijne verklaring. De man snelde de kamer uit; doch
ik lette daarop niet, en nog verwondert het mij, hoe ik eenige aandacht
aan de brieven kon wijden, nu ik toch reeds van Talbots onschuld
overtuigd was. Ik las echter het pakket door en vond verscheidene
brieven van Talbots vader, handelende over een engagement, dat hij
(de vader) zonder zijn (Talbots) toestemming had gesloten, met eene
jonge dame van aanzien en fortuin, dat Talbot geweigerd had, omdat
hij aan Clara gehecht was.
Reeds vroeger heb ik medegedeeld, dat Talbot van zeer hooge afkomst
was; en dit huwelijk, dat door de ouders van beide partijen gewenscht
was, willende doorzetten, had men het bericht verspreid, dat alles
daaromtrent vastgesteld was en slechts op de terugkomst van Talbot
gewacht werd om te trouwen. Alleen in den laatsten brief had zijn
vader toegegeven ten gunste van Clara; doch hij verzocht hem niet te
spoedig hare hand aan te nemen, daar hij eerst een behoorlijk excuus
wilde vinden, om die vroegere overeenkomst te verbreken; doch bovenal
drong hij op geheimhouding aan, totdat alles geschikt zou zijn. Zoo
was dus alles opgehelderd. Doch zelfs vóór ik van den inhoud dier
brieven had kennis genomen, was voor mij geen bewijs meer noodig van
zijne onschuld.
Juist was ik met lezen gereed, toen gendarmes mijne kamer binnentraden
en mij, op last van den officier van justitie, naar de gevangenis
voerden. Werktuigelijk liep ik mede en werd overgebracht naar een
klein gebouw op het midden van een plein staande. Het was een cachot
met op elk van de vier zijden een getralied venster zonder glas. Er
was geene bank, geene tafel in,--niets dan muren en de vloer. De
wind woei er doorheen. Ik had niet eens een overjas bij mij; doch
ik gevoelde koude, noch ongemak, want mijn geest was vervuld van
veel grooter ellende. De deur werd achter mij gesloten, en ik hoorde
de zware grendels opschuiven. Van weerskanten werd niet gesproken,
en zoo bleef ik alleen achter.
»Wel," zeide ik, »het noodlot heeft nu het uiterste volbracht, en
de fortuin zal wel eindelijk genoeg hebben van het kwellen van een
ongelukkige, die niet dieper kan zinken! Den dood vrees ik niet." Het
eenige wat mij vreeselijk hinderde, was de gedachte aan eene openbare
terechtstelling. Daartegen verzette zich mijn trots; want die trots
was bij mij teruggekomen en deed zich gelden, zelfs in mijn cachot.
Toen de dag weder begon aan te breken, werd ik uit mijne
droomerij,--want slapen was het niet geweest, gewekt--door het leven
van de boeren, die met karren de voortbrengselen van het land op het
marktplein kwamen brengen. De gevangenis werd van alle zijden omringd
door oud en jong, die een kijkje wilden hebben van den Engelschen
moordenaar; licht en lucht werd uit mijn verblijf weggenomen door
de menschenhoofden, die zich verdrongen tegen de ijzers van mijne
ramen. Ik werd bezichtigd als een wild beest; kinderen, op hun
moeders schouder gezeten, ontvingen eene les en eene waarschuwing,
terwijl men naar mij wees.
Als een tijger in zijn hok, die door zijn heen en weer loopen het oog
vermoeit, zoo liep ik in mijne gevangenis; had ik een der onbeschaamde
bespieders door de smalle opening in den drie voet dikken muur naar mij
toe kunnen trekken, met genoegen zou ik hem vermorzeld hebben. »Al die
menschen," zeide ik, »en nog duizenden meer, zullen getuigen zijn van
mijne laatste oogenblikken op het schavot!" Ik dacht er een oogenblik
aan mij zelf te dooden, doch de middelen ontbraken mij daartoe.
Ten laatste begon de menigte uiteen te gaan; de ramen waren weer
ledig, met uitzondering van een of andere kleine jongen, die zijn
hoofd tegen de tralies drukte. Uitgeput door lichamelijke vermoeienis
en geestelijk lijden, wilde ik juist op de koude steenen gaan liggen,
toen ik het gelaat van mijn eigen bediende zag, die haastig op het
venster van de gevangenis toekwam en vroolijk uitriep:
»Houd moed, mijn waarde meester! Mijnheer Talbot is niet dood."
»Niet dood!" riep ik, zonder te weten wat ik deed, op mijne knieën
nedervallende en mijne gevouwen handen en smeekende oogen hemelwaarts
richtende. »Niet dood! God zij geloofd. Dan is er hoop, dat ik nog
geen moordenaar ben."
Vóór ik meer kon uitbrengen, kwam de magistraat met den officier van
justitie in mijn cachot en deelde mij den uitslag van een gehouden
onderzoek mede; mijn vriend was in staat geweest de duidelijkste
antwoorden op alle vragen te geven; uit de verklaring van den heer
Talbot zelf was afgeleid, dat er eene affaire d'honneur was geweest
welke in den vorm behandeld was geworden; de pistolen, die beide in
het water waren gevonden, waren hiervan de bewijsstukken; »en daarom
mijnheer," vervolgde de magistraat, »hetzij uw vriend blijft leven of
sterven mocht, het is alles in den regel geschied, en gij zijt vrij."
Dit zeggende maakte hij eene beleefde buiging en wees naar de deur; ik
snelde naar buiten en vloog naar de kamer van Talbot, die zijn bediende
vooruitgezonden had om mij te berichten, dat hij mij gaarne wenscht
te spreken. Ik vond hem te bed. Toen ik binnenkwam, stak hij mij de
hand toe, die ik overdekte met kussen en besproeide met mijne tranen.
»O Talbot!" riep ik, »kunt gij mij vergeven?"
Hij drukte mij de hand en liet die van uitputting weder los. De
geneesheer liet mij de kamer uit, zeggende: »Alles hangt er van af,
dat hij rustig wordt gehouden." Ik vernam toen, dat hij het behoud
van zijn leven aan twee zaken te danken had: de eerste was, dat ik
de wond met mijn halsdoek had dicht gebonden; de andere was, dat het
duel had plaats gevonden beneden het hoogwaterpeil. Toen ik hem had
achtergelaten, was het water wassende; de koele golven, die over hem
heen begonnen te slaan, hadden hem tot bewustzijn doen ontwaken. In
dezen toestand was hij door zijnen bediende gevonden, niet heel lang
vóórdat hij geheel door den vloed zou bedekt zijn geworden, omdat hij
geene kracht genoeg had om het strand op te kruipen. Verder hoorde
ik, dat de kogel door de lever was heengedrongen en anders geene
gevaarlijke gedeelten meer had geraakt.
Recht dankbaar voor den loop der gebeurtenis zette ik mij naast den
lijder neder en verliet hem niet, vóór hij volkomen hersteld was. Toen
hij zoover gebracht was, schreef ik aan mijn vader en aan Clara een
omstandig verhaal van alles wat er had plaats gevonden. Clara nu
ingelicht, had geene bezwaren meer om voor hare genegenheid uit te
komen. Talbot werd door zijn vader verzocht om terug te komen. Ik
bracht hem tot Calais, waar wij scheidden; enkele weken later had ik
het genoegen te vernemen, dat mijne zuster zijne vrouw was geworden..
Die enkele weken bracht ik nog op het vaste land van Europa reizende
door. Ik zal van mijn wedervaren en mijne ontmoetingen gedurende dien
tijd geen verslag geven, ten eerste omdat er weinig opmerkelijks
in gebeurde, ten tweede omdat ik al reeds te veel gevergd heb van
het geduld van den lezer om mij te volgen in avonturen, die geheel
buiten het scheepsleven vielen. Genoeg zij het te melden, dat mijne
levenswijze langzaam mijn gemoed tot kalmte terugbracht.
Kort nadat Talbot naar Engeland was vertrokken, ontving ik het bericht,
dat Eugenia aan eene slepende ziekte was gestorven. Hoewel ik dit
bericht met eenige droefheid vernam, moest ik toch erkennen, dat
die vrouw, zonder daaraan in het minste schuld te hebben, voor mij
de oorzaak van veel jammer was geweest. Hoeveel zou niet ongeschied
zijn gebleven, als ik haar niet ongelukkigerwijze in Bordeaux had weder
ontmoet. Van alle kanten werd nu opnieuw op Emilia gewerkt, om haar tot
verandering van inzichten te mijnen aanzien over te halen. Het gebeurde
tusschen Clara en Talbot, dat geheel op een misverstand berust had,
en de ernstige gevolgen, die daaruit waren voortgevloeid, hadden haar
tot nadenken gestemd, en zooals mijn vader verwacht had, was tijd en
afwezigheid in mijn voordeel bij haar werkzaam geweest. De verwijdering
der beide familiën had door het huwelijk van Clara opgehouden. De
brieven, die ik uit het buitenland schreef, waren zeer droefgeestig
van toon, doch lieten voor het overige zoo duidelijk blijken, dat
ik veel ernstiger en bezadigder was geworden, dat, toen met den
dood van Eugenia de grootste hinderpaal voor het herstel eener goede
verstandhouding tusschen ons was weggevallen, Emilia er in toestemde
haren veel beproefden minnaar weder te zien. Niets was er meer noodig
om mij op de vleugelen der liefde naar Engeland terug te doen keeren.
Toen ik Emilia wederzag en alles opnieuw tusschen ons werd
opgehelderd,--toen haar gebleken was, dat ik niet zoo schuldig was
geweest, als zij onder den eersten indruk wel geloofd had,--toen mij
gebleken was, dat zij toch eigenlijk, in weerwil mijner verkeerdheden
en dwaasheid, nooit opgehouden had mij lief te hebben,--toen werd
alles, wat vergeven kon worden, vergeven en werd opnieuw het tijdstip
van ons huwelijk vastgesteld.
De heer Sommerville gaf daarbij de bruid weg; mijn vader was met
Talbot en Clara tegenwoordig; en wij allen waren, na de ondervonden
vreemde lotswisselingen, ten diepste aangedaan door deze verzoening
en door deze, zooals thans verwacht kon worden, gelukkige vereeniging.