VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Twee dagen later verlieten wij Parijs; na eene reis van drie dagen door

eene eentonige landstreek, bereikten wij de kleine stad Granville,

aan het Kanaal gelegen. In dit aangename plaatsje vertoefden wij

eenige dagen; en daar onze brieven ons geregeld werden nagezonden,

ontvingen wij ook hier weer tijding uit Engeland.

Daaronder was ook een brief van Clara, welke inhield, dat

er verschillende pogingen waren aangewend om Emilia tot andere

gevoelens over te halen, zonder dat daardoor het minste was bewerkt;

dat daardoor integendeel eene zekere verkoeling tusschen de familiën

was teweeggebracht. Zij voegde daarbij: »Ik vrees, dat uw vriend nog

wel zoo slecht is, als gij zijt; want ik hoor, dat hij reeds lange

jaren met een ander meisje verloofd is. Daar ik nu geloof, dat de

grootste aanleiding tot uwe vriendschap zijne genegenheid voor mij

is, en gij dus een verkeerden indruk van zijne oprechtheid hebt,

acht ik het mijn plicht u met een en ander bekend te maken. Het

is onmogelijk, dat gij langer achting kunt gevoelen voor den man,

die met de gevoelens uwer zuster gespot heeft, en vurig hoop ik,

dat uw volgende brief het bericht uwer scheiding zal behelzen."

Hoe weinig dacht de arme Clara, toen zij dezen brief schreef, welke

ernstige gevolgen dit hebben zoude; dat zij door hare klachten eene

mijn deed springen, waardoor rampen zouden ontstaan, tienmaal zoo

ernstig als al wat ons ooit overkomen was.

Ik was toen ter tijde in een sombere gemoedsstemming, ik haatte

mijzelf en ieder ander. De laatste dagen had ik het gezelschap

van Talbot verduurd, doch het was mij niet aangenaam geweest; en

ik was zelfs zoekende naar een voorwendsel om van hem ontslagen te

geraken. Ja, hij was mijn vriend, dit had hij bewezen; doch ik was

niet in eene stemming om diensten te erkennen. Afgewezen door haar,

die ik liefhad, had ik neiging om elkeen af te wijzen. Talbot was mij

een blok, een ketting aan het been, waarvan ik mij niet te spoedig

kon bevrijden. Deze brief gaf mij eene aanleiding mijn wrevel bot

te vieren; doch in plaats van hem een koel afscheid te geven, zooals

Clara's bedoeling was, besloot ik met hem op leven en dood te vechten.

Mijn brief uitgelezen hebbende, legde ik dien voor mij neder,

zonder iets te zeggen. Talbot vroeg op den hem eigen vriendelijken,

goedhartigen toon, of ik nieuws had. »Ja," antwoordde ik, »ik heb

ontdekt, dat gij een schurk zijt!"

»Dat is zeker iets nieuws," zeide hij; »en het vreemdste daarbij is,

dat de brief van Clara daarvan de overbrenger is. Doch dit is eene

taal, Frank, die zelfs uwe ongelukkige gemoedsgesteldheid niet kan

verontschuldigen. Trek uwe woorden in!"

»Ik zal ze eerder herhalen," zeide ik. »Gij hebt mijne zuster bedrogen

en zijt daarom een schurk."

»De naam van Clara," hervatte Talbot, »doet mij bedaard blijven:

geloof mij, Frank, gij dwaalt. Ik heb haar lief en koester steeds de

meest eervolle bedoelingen te haren opzichte."

»Ja," zeide ik met een schamperen lach, »terwijl gij reeds voor jaren

met een ander meisje verloofd zijt. Jegens een van beiden hebt gij

u als een schurk gedragen; ik trek mijne woorden daarom niet terug,

doch herhaal die; en daar gij onder beleedigingen zoo geduldig weet

te blijven, verwittig ik u, dat ik u hedenavond op het zeestrand

verwacht, of gij moet gedoogen, dat ik u schandvlek met een naam,

die voor elken rechtgeaarden Engelschman nog ondragelijker is."

»Houd op, genoeg Frank," zeide Talbot met een gelaat waarop zoowel

het bewustzijn der onschuld als mannelijke vastberadenheid te lezen

was. »Gij hebt meer gezegd, dan ik ooit verwacht had van u te zullen

hooren, en veel meer, dan gebruikelijk is om te verdragen. Wat moet,

zal gebeuren; maar nog eens herhaal ik, Frank, dat gij dwaalt, dat

gij ongelukkig misleid zijt en bitter berouw zult krijgen over de

dwaasheden van dezen dag. Gij zijt op uzelven verstoord en wilt dit

nu op uwen vriend wreken."

Die woorden maakten geen indruk op mij. Ik had een diep liggend gevoel

naar wraak en de zucht om iemand uit den weg te ruimen, of, zoo dit

niet mocht gebeuren, de valsche hoop, dat Emilia er onder lijden zou,

als ik door de hand van Talbot mocht worden gedood.

Met mijne pistolen op de afgesproken plaats gekomen, vond ik aldaar

Talbot reeds wachtende. Weder sprak hij:

»Frank, ik roep den hemel tot getuige, dat gij ongelijk hebt. Schort

ten minste uw oordeel op, als gij uwe woorden niet wilt herroepen!"

Als door den duivel bezeten, en pas overtuigd, toen het te laat

was, beantwoordde ik zijn vredesvoorstel met de meest beleedigende

spotternij: »Toen gij last gaaft op een armen jongen in het water

te vuren, waart gij niet bevreesd," zeide ik; »nu het blijkt, dat er

teruggeschoten zal worden, durft gij niet. Kom, kom, neem uwe plaats,

sta op als een man, wees niet bang."

»Voor mijzelf," antwoordde Talbot, met vaste en rustige onderwerping,

»ken ik geene vrees; doch voor u, Frank, is mijn hart ongerust." Zoo

zeggende, nam hij het pistool op, dat ik hem toegeworpen had.

Wij hadden geene getuigen, ook was er niemand in den omtrek te

zien. De maan scheen helder, en wij stapten naar het uiterste strand,

waar de eb het zand vrij hard had achter gelaten. Hier stonden wij

rug aan rug. De gewone afstand was veertien passen. Talbot weigerde

den zijnen te meten, doch bleef stilstaan. Ik maakte tien passen en

wendde mij om. »Klaar," zeide ik op zachten toon.

Beiden hieven wij onzen arm op; doch Talbot liet de tromp van zijn

pistool zakken, zeggende: »Het is mij onmogelijk om op Clara's broeder

aan te leggen."

»Het is mij onmogelijk haren beleediger te missen," antwoordde ik, en

na goed gemikt te hebben, vuurde ik en trof hem in de zijde. Hij sprong

op, draaide een halven slag om en viel met zijn gelaat op den grond.

Hoe plotseling kan de menschelijke gemoedsstemming keeren! Hoe

snel wordt de bevrediging der wraak op den voet gevolgd door innig

berouw! De blinddoek viel voor mijne oogen weg; ik zag in eens het

valsche, bedriegelijke schijnbeeld, dat mij verleid had tot eene

zoogenaamde »zaak van eer." De eer, o groote hemel! had mij tot

een moordenaar gemaakt en de stem van mijns broeders bloed schreide

om wraak.

De mannelijke en krachtige gestalte, welke eene minuut te voren mijn

bittersten haat had opgewekt, werd, nu hij daar sprakeloos ternederlag,

een voorwerp van overdreven genegenheid. Ik liep op Talbot toe en

bemerkte, toen het te laat was, het kwaad, dat ik had gesticht. Het

besef van moord, wreedheid, onrecht, doch vooral van de zwartste

ondankbaarheid, overstelpten op eens mijn verwarde verbeelding. Ik

keerde het lichaam om en zocht naar teekenen van leven. Een kleine

bloedstroom liep uit zijne zijde en verloor zich in den grond; door

de hevigheid van zijn val waren mond en neus vol zand geraakt. Ik

waschte hem schoon, stelpte het bloedverlies met mijnen zakdoek,

zette hem op tegen mij aan, en kon alleen uitbrengen: »O God, waarom

mij bij zooveel gelegenheden gespaard, dat ik dit moest beleven!"

Talbot opende even de halfgebroken oogen en staarde mij daarmede aan,

doch sprak niet. Eensklaps nog keerde het bewustzijn weder--hij

herkende mij, en o God! die vriendelijke blik doorboorde mij het

hart. Hij spande zich in, om wat te zeggen, en bracht eindelijk met

tusschenpoozen uit:

»Zoek brief--schrijflessenaar--lezen--uitleggen--God zegen--." Zijn

hoofd viel achterover, hij was dood.

O, hoe benijdde ik hem! Al ware hij nog tien duizend maal meer

schuldig, dan ik hem vermoedde te zijn, het zou mij niets rustiger

hebben gestemd. Ik was zijn moordenaar en had te laat zijne onschuld

erkend. Hoe ik er toe kwam, of op welke wij zo ik het deed, is mij

nog een raadsel, doch ik ontdeed mij van mijn halsdoek en bond hem

dien over de wond heen, stijf om het middel. Het bloed hield daardoor

op te vloeien. Het lichaam liet ik op de plaats liggen en keerde naar

ons hotel terug in een staat van zielelijden en ellende, geëvenredigd

aan de drift en opgewondenheid, waarmede ik van daar was gegaan.

Mijn eerste werk was de brieven te lezen, waarnaar mijn vriend mij

verwezen had. Bij mijne aankomst had ik onze beide bedienden nog op

gevonden. Mijne handen en kleederen zaten vol bloed, en met verbazing

zagen zij mij aan. Ik vloog naar boven, om hunne vragen te ontwijken,

en greep den schrijflessenaar, waarvan ik wist, dat de sleutel aan

zijn horlogeketting vastzat. Met den pook brak ik het slot open en

nam er het bedoelde pakket uit. Op dit oogenblik trad zijn bediende

in de kamer.

»Mijnheer, waar is mijn meester?" vroeg hij.

»Ik heb hem vermoord," zeide ik; »zijn lijk zult gij vinden op het

zeestrand bij den seinpost; en," vervolgde ik, »nu ben ik bezig hem

te berooven."

Mijn voorkomen en mijne handelingen, waren al te zeer in

overeenstemming met mijne verklaring. De man snelde de kamer uit; doch

ik lette daarop niet, en nog verwondert het mij, hoe ik eenige aandacht

aan de brieven kon wijden, nu ik toch reeds van Talbots onschuld

overtuigd was. Ik las echter het pakket door en vond verscheidene

brieven van Talbots vader, handelende over een engagement, dat hij

(de vader) zonder zijn (Talbots) toestemming had gesloten, met eene

jonge dame van aanzien en fortuin, dat Talbot geweigerd had, omdat

hij aan Clara gehecht was.

Reeds vroeger heb ik medegedeeld, dat Talbot van zeer hooge afkomst

was; en dit huwelijk, dat door de ouders van beide partijen gewenscht

was, willende doorzetten, had men het bericht verspreid, dat alles

daaromtrent vastgesteld was en slechts op de terugkomst van Talbot

gewacht werd om te trouwen. Alleen in den laatsten brief had zijn

vader toegegeven ten gunste van Clara; doch hij verzocht hem niet te

spoedig hare hand aan te nemen, daar hij eerst een behoorlijk excuus

wilde vinden, om die vroegere overeenkomst te verbreken; doch bovenal

drong hij op geheimhouding aan, totdat alles geschikt zou zijn. Zoo

was dus alles opgehelderd. Doch zelfs vóór ik van den inhoud dier

brieven had kennis genomen, was voor mij geen bewijs meer noodig van

zijne onschuld.

Juist was ik met lezen gereed, toen gendarmes mijne kamer binnentraden

en mij, op last van den officier van justitie, naar de gevangenis

voerden. Werktuigelijk liep ik mede en werd overgebracht naar een

klein gebouw op het midden van een plein staande. Het was een cachot

met op elk van de vier zijden een getralied venster zonder glas. Er

was geene bank, geene tafel in,--niets dan muren en de vloer. De

wind woei er doorheen. Ik had niet eens een overjas bij mij; doch

ik gevoelde koude, noch ongemak, want mijn geest was vervuld van

veel grooter ellende. De deur werd achter mij gesloten, en ik hoorde

de zware grendels opschuiven. Van weerskanten werd niet gesproken,

en zoo bleef ik alleen achter.

»Wel," zeide ik, »het noodlot heeft nu het uiterste volbracht, en

de fortuin zal wel eindelijk genoeg hebben van het kwellen van een

ongelukkige, die niet dieper kan zinken! Den dood vrees ik niet." Het

eenige wat mij vreeselijk hinderde, was de gedachte aan eene openbare

terechtstelling. Daartegen verzette zich mijn trots; want die trots

was bij mij teruggekomen en deed zich gelden, zelfs in mijn cachot.

Toen de dag weder begon aan te breken, werd ik uit mijne

droomerij,--want slapen was het niet geweest, gewekt--door het leven

van de boeren, die met karren de voortbrengselen van het land op het

marktplein kwamen brengen. De gevangenis werd van alle zijden omringd

door oud en jong, die een kijkje wilden hebben van den Engelschen

moordenaar; licht en lucht werd uit mijn verblijf weggenomen door

de menschenhoofden, die zich verdrongen tegen de ijzers van mijne

ramen. Ik werd bezichtigd als een wild beest; kinderen, op hun

moeders schouder gezeten, ontvingen eene les en eene waarschuwing,

terwijl men naar mij wees.

Als een tijger in zijn hok, die door zijn heen en weer loopen het oog

vermoeit, zoo liep ik in mijne gevangenis; had ik een der onbeschaamde

bespieders door de smalle opening in den drie voet dikken muur naar mij

toe kunnen trekken, met genoegen zou ik hem vermorzeld hebben. »Al die

menschen," zeide ik, »en nog duizenden meer, zullen getuigen zijn van

mijne laatste oogenblikken op het schavot!" Ik dacht er een oogenblik

aan mij zelf te dooden, doch de middelen ontbraken mij daartoe.

Ten laatste begon de menigte uiteen te gaan; de ramen waren weer

ledig, met uitzondering van een of andere kleine jongen, die zijn

hoofd tegen de tralies drukte. Uitgeput door lichamelijke vermoeienis

en geestelijk lijden, wilde ik juist op de koude steenen gaan liggen,

toen ik het gelaat van mijn eigen bediende zag, die haastig op het

venster van de gevangenis toekwam en vroolijk uitriep:

»Houd moed, mijn waarde meester! Mijnheer Talbot is niet dood."

»Niet dood!" riep ik, zonder te weten wat ik deed, op mijne knieën

nedervallende en mijne gevouwen handen en smeekende oogen hemelwaarts

richtende. »Niet dood! God zij geloofd. Dan is er hoop, dat ik nog

geen moordenaar ben."

Vóór ik meer kon uitbrengen, kwam de magistraat met den officier van

justitie in mijn cachot en deelde mij den uitslag van een gehouden

onderzoek mede; mijn vriend was in staat geweest de duidelijkste

antwoorden op alle vragen te geven; uit de verklaring van den heer

Talbot zelf was afgeleid, dat er eene affaire d'honneur was geweest

welke in den vorm behandeld was geworden; de pistolen, die beide in

het water waren gevonden, waren hiervan de bewijsstukken; »en daarom

mijnheer," vervolgde de magistraat, »hetzij uw vriend blijft leven of

sterven mocht, het is alles in den regel geschied, en gij zijt vrij."

Dit zeggende maakte hij eene beleefde buiging en wees naar de deur; ik

snelde naar buiten en vloog naar de kamer van Talbot, die zijn bediende

vooruitgezonden had om mij te berichten, dat hij mij gaarne wenscht

te spreken. Ik vond hem te bed. Toen ik binnenkwam, stak hij mij de

hand toe, die ik overdekte met kussen en besproeide met mijne tranen.

»O Talbot!" riep ik, »kunt gij mij vergeven?"

Hij drukte mij de hand en liet die van uitputting weder los. De

geneesheer liet mij de kamer uit, zeggende: »Alles hangt er van af,

dat hij rustig wordt gehouden." Ik vernam toen, dat hij het behoud

van zijn leven aan twee zaken te danken had: de eerste was, dat ik

de wond met mijn halsdoek had dicht gebonden; de andere was, dat het

duel had plaats gevonden beneden het hoogwaterpeil. Toen ik hem had

achtergelaten, was het water wassende; de koele golven, die over hem

heen begonnen te slaan, hadden hem tot bewustzijn doen ontwaken. In

dezen toestand was hij door zijnen bediende gevonden, niet heel lang

vóórdat hij geheel door den vloed zou bedekt zijn geworden, omdat hij

geene kracht genoeg had om het strand op te kruipen. Verder hoorde

ik, dat de kogel door de lever was heengedrongen en anders geene

gevaarlijke gedeelten meer had geraakt.

Recht dankbaar voor den loop der gebeurtenis zette ik mij naast den

lijder neder en verliet hem niet, vóór hij volkomen hersteld was. Toen

hij zoover gebracht was, schreef ik aan mijn vader en aan Clara een

omstandig verhaal van alles wat er had plaats gevonden. Clara nu

ingelicht, had geene bezwaren meer om voor hare genegenheid uit te

komen. Talbot werd door zijn vader verzocht om terug te komen. Ik

bracht hem tot Calais, waar wij scheidden; enkele weken later had ik

het genoegen te vernemen, dat mijne zuster zijne vrouw was geworden..

Die enkele weken bracht ik nog op het vaste land van Europa reizende

door. Ik zal van mijn wedervaren en mijne ontmoetingen gedurende dien

tijd geen verslag geven, ten eerste omdat er weinig opmerkelijks

in gebeurde, ten tweede omdat ik al reeds te veel gevergd heb van

het geduld van den lezer om mij te volgen in avonturen, die geheel

buiten het scheepsleven vielen. Genoeg zij het te melden, dat mijne

levenswijze langzaam mijn gemoed tot kalmte terugbracht.

Kort nadat Talbot naar Engeland was vertrokken, ontving ik het bericht,

dat Eugenia aan eene slepende ziekte was gestorven. Hoewel ik dit

bericht met eenige droefheid vernam, moest ik toch erkennen, dat

die vrouw, zonder daaraan in het minste schuld te hebben, voor mij

de oorzaak van veel jammer was geweest. Hoeveel zou niet ongeschied

zijn gebleven, als ik haar niet ongelukkigerwijze in Bordeaux had weder

ontmoet. Van alle kanten werd nu opnieuw op Emilia gewerkt, om haar tot

verandering van inzichten te mijnen aanzien over te halen. Het gebeurde

tusschen Clara en Talbot, dat geheel op een misverstand berust had,

en de ernstige gevolgen, die daaruit waren voortgevloeid, hadden haar

tot nadenken gestemd, en zooals mijn vader verwacht had, was tijd en

afwezigheid in mijn voordeel bij haar werkzaam geweest. De verwijdering

der beide familiën had door het huwelijk van Clara opgehouden. De

brieven, die ik uit het buitenland schreef, waren zeer droefgeestig

van toon, doch lieten voor het overige zoo duidelijk blijken, dat

ik veel ernstiger en bezadigder was geworden, dat, toen met den

dood van Eugenia de grootste hinderpaal voor het herstel eener goede

verstandhouding tusschen ons was weggevallen, Emilia er in toestemde

haren veel beproefden minnaar weder te zien. Niets was er meer noodig

om mij op de vleugelen der liefde naar Engeland terug te doen keeren.

Toen ik Emilia wederzag en alles opnieuw tusschen ons werd

opgehelderd,--toen haar gebleken was, dat ik niet zoo schuldig was

geweest, als zij onder den eersten indruk wel geloofd had,--toen mij

gebleken was, dat zij toch eigenlijk, in weerwil mijner verkeerdheden

en dwaasheid, nooit opgehouden had mij lief te hebben,--toen werd

alles, wat vergeven kon worden, vergeven en werd opnieuw het tijdstip

van ons huwelijk vastgesteld.

De heer Sommerville gaf daarbij de bruid weg; mijn vader was met

Talbot en Clara tegenwoordig; en wij allen waren, na de ondervonden

vreemde lotswisselingen, ten diepste aangedaan door deze verzoening

en door deze, zooals thans verwacht kon worden, gelukkige vereeniging.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 37 / 38 题