Na het gebeurde op de voorbramzaling zou het mij nimmer gelukt zijn het
vertrouwen en de achting van onzen eersten officier te herwinnen. Hij
was ongetwijfeld een uitmuntend en streng dienstdoend officier en
kon daardoor onmogelijk iets wat hij beschouwde te zijn een inbreuk
op de eer, door de vingers zien. Toen het toeval dan ook kort daarna
medebracht, dat wij van elkaar scheidden, was mij dit niet onaangenaam.
Eens jaagden wij in de baai van Arcasson op een vaartuig, dat,
zooals gewoonlijk, zijn heil onder den wal nabij eene batterij zocht;
en onze commandant besloot, zooals dit nu zijne gewoonte was, het
daar vandaan te laten halen. Tot dit doel werden de noodige sloepen
bewapend, daarvoor de bemanning aangewezen en alles voorbereid voor een
aanval op den volgenden morgen. Het bevel over dezen tocht werd aan den
eersten officier opgedragen, die dit volijverig aanvaardde en in zeer
opgewekte stemming naar bed ging, in het vooruitzicht van den roem en
het voordeel, die de volgende dag hem zou brengen. Hij was dapper en
bedaard bij een gevecht, zoodat de matrozen hem vol vertrouwen, als
den leider tot een zekere overwinning, volgden. Of nu ditmaal zijn
slaap door onrustige droomen gekweld was geworden, dan wel nadere
overpeinzing van de moeielijke en gevaarlijke taak die hem wachtte,
hem verontrust had, weet ik niet; maar des morgens viel ons allen een
belangrijke verandering in zijne wijze van doen op. Zijn ijver was
verdwenen; met langzame en afgemeten passen, stapte hij over het dek,
schijnbaar in diepe gedachten verzonken, en wat hij anders nooit was,
ditmaal stil en droefgeestig en onverschillig voor de dienstzaken.
De sloepen werden klaargemaakt, de officieren waren er reeds in, de
riemen werden opgezet, de oogen der jeugdige krijgshelden fonkelden
van geestdrift en nog liet de heer Handstone, steeds in diep gepeins
op dek loopende, zich wachten. Ten laatste ontving hij een herinnering
van den commandant, die hem op luider toon dan gewoonlijk vroeg, of
hij nu van plan was om het bevel te aanvaarden, Zijn antwoord was:
»Wel zeker, onmiddellijk," en toen stapte hij flink en krachtig het
halfdek over en liet zich in zijne sloep af.
Ik volgde en zette mij naast hem neder; hij keek mij vreemd en
onverschillig aan; ware hij in zijne gewone stemming geweest,
ongetwijfeld zou hij mij in eene der andere sloepen gezonden
hebben. Wij hadden een heel eind te roeien, vóór wij het voorwerp
van onzen aanval bereikten, terwijl het zoo dicht mogelijk onder den
wal geankerd lag en gereed was ons te ontvangen. Eene volle laag van
kartetsen was onze eerste begroeting. Deze had op ons volk dezelfde
uitwerking als de sporen op een strijdros. Wij kwamen langs zijde en
enterden het vaartuig. Handstone had in een oogenblik zijne gewone
opgewektheid herkregen, moedigde zijne manschappen aan, klom met de
sabel tusschen de tanden tegen het boord op, terwijl ons volk een salvo
van geweerschoten loste en daarna hun onverschrokken aanvoerder volgde.
In onze sloep, die het eerst op zijde was gekomen, waren in minder dan
een oogenblik elf man van de vierentwintig dood of buiten gevecht. Dit
niet tellende, sprong de eerste officier vooruit. Ik volgde hem op de
hielen; van de verschansing was hij dadelijk op het dek, en vóórdat
ik mijn zwaard kon trekken om hem bij te staan, viel hij achterover
tegen mij aan, sleepte mij in zijnen val mede en was een lijk. Zijn
lichaam was door dertien geweerkogels getroffen.
Ik had geene gelegenheid om onder hem weg te komen, vóór er
op ons getrapt werd en ik bijna stikte onder het gedrang mijner
scheepsmakkers, die vurig om den prijs te nemen of om ons verlies te
wreken, met onweerstaanbare dapperheid voortrukten. Ik werd voor dood
gehouden en dienovereenkomstig behandeld, zoodat men mijn lichaam
gebruikte als een trede aan den valreep, waar de trap ingenomen
was. Daar bleef ik liggen, bijna flauw van de drukking en half gestikt
in het bloed van mijn heldhaftigen aanvoerder, op wiens borst mijn
hoofd rustte, terwijl ik, ter beschutting van mijn schedel tegen de
hakken mijner vrienden en de wapens mijner vijanden, mijne handen om
het achterhoofd hield. Daar ik nog nadenken kon, kwam ik echter tot de
overtuiging, dat voorloopig een verandering van positie niet in mijn
belang was. Binnen acht minuten was de strijd beslist, ofschoon het mij
in mijn neteligen toestand, oneindig lang scheen. Vóór het afgeloopen
was, geraakte ik geheel in onmacht, en toen ik weder bijkwam was het
vaartuig onder zeil en buiten bereik van de schoten der versterking.
De eerste oogenblikken van rust na het bloedbad werden besteed
tot onderzoek naar de dooden en gewonden. Ik werd tot de eersten
gerekend en tusschen de stukken, naast de ontzielde lichamen van
den eersten officier en de overigen neergelegd. Een frissche koelte,
die de geschutpoort inwoei, bracht mij een weinig tot mijzelven, maar
flauw en ziek als ik mij gevoelde, had ik de macht, noch de neiging
om beweging te maken; mijn hoofd duizelde, ik wist niet goed meer wat
er met mij gebeurd was en bleef in een soort van bedwelming, totdat de
prijs bij het fregat was aangekomen en de hoera's van gelukwensching en
overwinning door de aan boord achtergeblevenen mij in de ooren klonken.
Met de eerste sloep kwam de dokter met zijne helpers over, om de dooden
te onderzoeken en aan de gekwetsten de eerste hulp te verleenen. Murphy
kwam ook mede. Hij was niet bij de expeditie geweest; toen hij mijn
dood gewaand lichaam zag, raakte hij het met de punt van zijn voet
aan, daarbij uitroepende: »Daar hebben we een jongen haan, dien zij
het kraaien verleerd hebben! Wel wonder, want het jong was voor de
galg bestemd."
Het geluid van 's kerels gehate stem zou voldoende geweest zijn om mij
uit mijn graf op te wekken, maar zoover was het nog lang niet met mij;
zwakjes riep ik uit: »Je liegt," wat te midden van het droevige tooneel
rondom mij een smakelijk gelach ten zijnen koste teweegbracht. Ik
werd naar boord overgevoerd, te bed gebracht en adergelaten; spoedig
was ik in staat om de bijzonderheden onzer ontmoeting te vertellen,
doch een geruimen tijd bleef ik gevaarlijk ziek.
De uitlating van Murphy bij mijn dood gewaand lichaam en mijn
bondig antwoord gaven aanleiding tot veel vroolijkheid aan boord; de
adelborsten sarden hem door hem den redder van mijn leven te noemen,
daar niets dan zijn gehate stem mij uit den doodslaap had kunnen
wekken. Het treurig lot van den eersten officier werd door ons allen
betreurd, ofschoon ik niet ontveinzen kan, dat het mij in dit geval,
evenals den vorigen keer toen de dood een paar getuigen van mijn
vechtangst had weggenomen, niet erg speet. Toen ik eenmaal wist,
dat ik zijne goede meening verbeurd had, was het mij vrij aangenaam,
dat ik hem nooit meer ontmoeten zou. Het bleek nu, dat hij een sterk
voorgevoel van zijn dood had gehad; dikwijls had ik van het bestaan
van iets dergelijks gehoord, maar dit nog nooit bijgewoond.
De prijs, die door ons genomen was, heette l'Aimable Julie; zij was
geladen met koffie, katoen en indigo, voerde veertien stukken en telde
vóór het gevecht zevenenveertig koppen, waarvan er acht sneuvelden en
zestien gewond raakten. Daar dit buitenkansje voorviel kort vóór wij
naar onze haven moesten terugkeeren, zetten wij spoedig koers naar
Spitheads reede, alwaar onze commandant een hartelijke verwelkoming
van den admiraal ontving. Toen ons rapport ingediend en de averijlijst
opgemaakt en aan den admiraal opgezonden was, kregen wij per keerende
post last om ons zeeklaar te maken. De bestemming was onbekend,
en zelfs voor den commandant een geheim. De matrozenvrouwen echter
beweerden te weten, dat wij naar de Middellandsche zee moesten,
en zoo kwam het ook uit.
Slechts enkele dagen werden ons gegund om ons haastig klaar te maken;
hiervan maakte ik ook gebruik om een paar malen naar huis te schrijven,
waardoor ik verkreeg wat ik beoogde, namelijk het noodige geld. Wij
gingen onder zeil en bereikten spoedig, zonder ongevallen, Gibraltar,
waar wij de algemeene order vonden, die op elk uit Engeland aangekomen
schip geldig is, namelijk, om ons te gaan stellen onder de bevelen
van den admiraal te Malta. Weinige uren waren voldoende om onzen
victualie- en watervoorraad aan te vullen; toen zetten wij onze reis
voort, in grooter haast om van Gibraltar weg te komen, dan om Malta te
bereiken,--zooveel mogelijk de bochten van de Spaansche kust volgende,
in de hoop onder weg een en ander op te pikken, dat ons te La Valette
een even hartelijke ontvangst zou bezorgen, als onlangs te Portsmouth
ons deel werd.
Vroegtijdig, den tweeden morgen na ons vertrek, liepen wij Kaap de
Gata in 't zicht. Met de ochtendschemering ontdekten wij vier zeilen
bovenswinds en dicht onder de kust. Begunstigd door een lichte koelte,
zetten wij alle zeilen bij voor de jacht. Verscheidene uren achtereen
wonnen wij slechts weinig, en tegen den avond ging de wind geheel
liggen. Toen werden de sloepen gereedgemaakt om de vervolging voort te
zetten, en wij staken van boord, elk een eenigszins uiteenloopenden
koers nemende. Ik was bij den master in de giek, en daar deze het
snelst roeide, kwamen wij spoedig bij eene der feloeken aan. Wij
losten er eenige geweerschoten op; doch daar er weer een zuchtje
was doorgekomen, weigerde het vaartuig bij te draaien. Toen werd
bijzonder op den man aan het roer gemikt en deze ook werkelijk
getroffen; de eenige verandering, die wij daarmede verkregen was,
dat hij den helmstok met de rechterhand moest loslaten, doch nu met
de linkerhand bleef doorsturen. Wij van onzen kant bleven op dien
onverschrokken kerel doorvuren, maar 't was zóó eigenlijk niets beter
dan moordenaarswerk, daar hij zich niet kon verdedigen, doch slechts
trachtte te ontkomen.
Ten laatste, na eens goed opgehaald te hebben, gelukte het ons met den
sloepshaak in den spiegel van het scheepje te pikken, maar nauwelijks
waren de riemen ingelegd, of men sloeg van boord onzen haak weer los,
en wij dreven een goed eind achter. Daar nu de bries geheel opraakte,
konden wij zoodoende spoedig weer oproeien, kwamen langs zijde en namen
het vaartuig in bezit. De arme roerganger was tot het laatst toe zijn
dienst blijven waarnemen, ofschoon hij geweldig bloedde. Wij boden hem
alle hulp en vroegen, waarom hij zich niet eerder had overgegeven. Hij
antwoordde fier, dat hij een Oud Castiliaan was. Of hij van meening
was, dat een spoediger overgave onteerend zou geweest zijn, dan wel
uit eigen ondervinding geleerd had, dat men tot het laatste oogenblik
nooit weten kan hoe het loopt, kan ik hier niet uitmaken. Maar zeker
is het, dat ik nooit iemand ontmoette, die zich kraniger hield. Gaarne
had ik alles willen geven wat ik bezat om de wonden te kunnen heelen
van dien geduldigen, zachtzinnigen, doch onversaagden ouden man,
die geene klacht uitte, maar zich aan zijn noodlot onderwierp met
eene zielegrootheid, die zelfs Socrates hem benijd zou hebben. Hij
had vier kogelwonden en overleefde, zooals te verwachten was, slechts
enkele uren zijne gevangenneming.
Tot onze verbazing bemerkten wij, dat dit scheepje met de drie andere,
waarvan er nog een door de sloepen genomen was, van Lima uitgezeild
was. Zij voerden slechts één mast, de bemanning was twaalf koppen
sterk en de inhoud ongeveer dertig ton: de lading bestond uit koper,
huiden, was en cochenille, en zij hadden toen vijf maanden reis. Hunne
bestemming Valencia zouden zij binnen een dag bereikt hebben, indien
zij niet door ons onderschept waren geworden. Wisselvallige kansen
van den oorlog toch! Deze dappere schipper had, na een zorgelijke en
vermoeiende reis, het vooruitzicht binnen enkele uren bij de zijnen
aan te landen en hen te verblijden met het loon voor zijn eerlijke
arbeidzaamheid en ondernemingsgeest,--toen eensklaps door ons aan al
die zoete verwachtingen de bodem werd ingeslagen. Voor ons kwam het
prijsgeld binnen onder de tranen, zoo al niet de vervloekingen van
zijne weduwe en weezen!
Door eenig bericht, dat onze kolonel met den prijs opdeed, werd hij
genoopt om van hier naar de Balearische eilanden over te steken. Wij
liepen Iviza in 't zicht en zeilden er langs, naar de baai van Palma
op het eiland Majorca; tot onze teleurstelling vonden wij hier niets
en zetten onzen koers om het eiland voort.
Hier gebeurde iets zoo vreemds, dat het bijna niet te gelooven is;
toch is geen twijfel denkbaar, omdat er buiten mij nog anderen getuige
van zijn geweest. De zee was spiegelglad en het weer prachtig schoon;
onze afstand van den wal bedroeg meer dan 5/4 mijl, toen de commandant
de schootsverheid van onze kuilbatterij willende bepalen, den konstabel
gelastte een der achttienponders op de kust te richten. De konstabel
verzocht om een doel op te geven. Toevallig zag men van boord een
mensch langs het witte strand loopen, en daar er, om den grooten
afstand, schijnbaar niet de geringste kans bestond hem te kunnen
treffen en het slechts een klein stipje geleek, werd hij als doelwit
aangewezen. Het schot ging af en de man viel getroffen neder. Op
dit oogenblik zag men eenig rundvee uit den boschrand te voorschijn
komen, en werden daarop sloepen van boord gezonden om eenige daarvan
te schieten en weg te kapen.
Bij het aan wal stappen, bevonden wij, dat ons slachtoffer door den
kogel middendoor was geschoten; en het zonderlingste van de zaak
was, dat hij een man van stand bleek te zijn. Hij was zeer netjes
gekleed en droeg een korte zwarte broek, waaruit zijden kousen te
voorschijn kwamen; toen hij het doodelijk schot ontving was hij in
een van de werken van Ovidius lezende, welk boek ik hem nog uit de
handen moest nemen.
Dikwijls hoort men van de wonderdadige uitwerking van een toevallig
afgegaan schot, maar wie had ooit kunnen veronderstellen, dat
die ongelukkige kogel zoover komen en zooveel onheil stichten
zou. Wij begroeven den armen heer in het zand, nadat ik nog een klein
miniatuurportret van een mooie jonge vrouw van zijn hals had afgenomen
en nog een kostbare borstspeld bij mij had gestoken. Twee of drie
van de koeien schoten wij neer: deze werden gevild en gevierendeeld
in de sloep geladen, zoo keerden wij naar boord terug. Ik leverde
de kostbaarheden bij den commandant in, doch deze gelastte mij ze te
bewaren, tot er soms navraag van de familie gedaan mocht worden. Jaren
daarna had ik die nog in mijn bezit.
Twee dagen later ontmoetten wij weer een vaartuig, dat er verdacht
uitzag; daar het stil was, werden terstond de gewapende sloepen op de
jacht uitgezonden. Deze verkenden het, naderbij komende, voor eene
chebèque, varende onder Fransche vlag; die vlag werd echter spoedig
neergehaald en door geen andere vervangen. Toen wij binnen stem-bereik
kwamen, riepen zij ons toe om voorbij te gaan, onder bedreiging van
te zullen vuren, als wij nader kwamen. Zoodanige waarschuwing kon op
een Britsch officier, maar vooral op zulke vuurvreters als wij waren,
geen invloed hebben. Wij bleven er dus op aanroeien en geraakten in
een wanhopigen strijd, waarbij de partijen even sterk in aantal waren,
doch zij het voordeel hadden op hun dek te staan en door verschansingen
beschut te zijn. Wij echter behielden de overhand, kwamen aan boord
en namen het vaartuig in bezit met een verlies aan onze zijde van
zestien, en aan hunnen kant van zesentwintig man, zoo dooden als
gewonden. Maar groot was onze ontsteltenis, toen wij gewaarwerden het
bloed van eigen bondgenooten vergoten te hebben. Het scheepje bleek een
kaper uit Gibraltar te zijn; zij hadden ons voor Franschen aangezien,
omdat in onze sloepen de riemen in ijzeren dollen geroeid werden op
de Fransche manier; en wij hadden gemeend, dat zij Franschen waren om
hun vlag en later om de taal, waarin zij ons toegeroepen hadden. In
dit gevecht verloren wij drie officieren en verscheidenen van onze
beste matrozen. De kaper had eene uit allerlei natiën bijeengeraapte
bemanning; het meerendeel waren Grieken; en ofschoon zij een vrijbrief
van den gouverneur van Gibraltar wisten te toonen, kwam het ons voor,
dat zij weinig op de nationaliteit van eenig schip letten zouden,
zoodra zij slechts begrepen, dat het hun niet te sterk was.
Na deze ongelukkige vergissing gingen wij naar Malta door; de kolonel
was eenigszins bevreesd voor een berisping van den admiraal voor
zijne ondoordachte handeling om de sloepen af te zenden naar een
schip, waarvan hij de weerbaarheid niet kende. Gelukkig voor hem was
de admiraal afwezig, en toen wij hem later ontmoetten, hadden wij
weer zooveel prijzen er bij genomen, dat deze kleinigheid er onder
doorliep en met den mantel der liefde bedekt werd.
Tijdens ons verblijf in de haven van Malta viel op een goeden nacht
mijn vriend Murphy overboord en dat nog wel terwijl alle sloepen
uit het water geheschen waren. Hij kon niet zwemmen en zou zeker
verdronken zijn, als ik niet overboord gesprongen was en hem boven
water gehouden had tot er hulp kwam opdagen. De lieden aan boord
verkondigden over deze mijne daad meer lof dan die verdiende. Iemand
onder zulke omstandigheden het leven te redden, is een verdienstelijke
daad; maar mijn eigen leven te wagen voor een ander, die van mijne
komst aan boord af steeds getoond had mijn bitterste vijand te zijn,
was veel meer dan zij verwacht hadden, en ontegenzeggelijk de edelste
wraak, die ik had kunnen nemen. Maar hierin waren zij mis,--zij
kenden mij nog niet genoeg; het was slechts mijne ijdelheid geweest
en het verlangen om mijnen vijand te verpletteren onder zijne zware
verplichtingen, die mij tot zijne redding hadden doen besluiten;
bovendien toen ik van de valreep zijn gespartel stond aan te zien,
begon ik te vreezen, dat al de wraak, die ik voor hem opgegaard had,
mij daar in eens dreigde te ontgaan. Om kort te gaan, ik kon Murphy
niet missen, en redde hem alleen om dezelfde reden, waarom een kat
nog een paar malen de gevangen muis loslaat.
Murphy erkende de verplichting die hij aan mij had, en betuigde, dat
hij in vrees voor den dood had verkeerd, maar binnen een paar dagen
vergat hij wat hij mij schuldig was, voltooide zijn eigen schande en
was oorzaak dat mijn karakter verheven werd ten koste van zijnen goeden
naam. Om een zeer onbeduidende reden wierp hij mij een kom vuil water
in het aangezicht, toen ik eens langs hem ging; dit was een schoone
aanleiding om aan mijn lievelingshartstocht te voldoen. Reeds lang
had ik op een aanleiding tot twist met hem gewacht, maar daar hij op
onzen overtocht naar Gibraltar tot Malta ziek was geweest, had die
ontbroken. Hij was nu hersteld en in 't volle genot zijner krachten,
zoodat hij vreemd opkeek van mij den eersten slag te ontvangen. Een
worsteling volgde; ik bracht al mijne bokslessen in practijk en
wond mijzelf tot gloeihitte op bij het herdenken aan de vroeger
van hem ondervonden beleedigingen. Tot zijn eer moet ik zeggen, dat
hij zich heel goed hield,--maar er stond voor hem veel op het spel;
verloor ik het, welnu dan bleef alles zooals vroeger, maar voor hem
was het een gansch ander geval. Een gevallen tiran kan zijne vrienden
wel tellen. Dol van woede bij de gelukkige stompen, die ik hem in 't
aangezicht toebracht, verloor hij zijne kalmte, terwijl ik doodbedaard
bleef; zijne bewegingen waren zoo wild, dat ik al zijne slagen wist
te keeren en met woeker terugbetaalde. Eindelijk bleef hem niets
over dan zich gewonnen te geven met half dichtgeslagen oogen en een
zoodanig met bloed bevlekt, opgezwollen gezicht, dat hij zelfs voor
zijne vrienden, als hij die bezeten had, onkenbaar zou zijn geweest.
Ik was er zonder eenig merkteeken afgekomen; de meesten onzer waren
met gemaakte prijzen medegezonden en dus van boord afwezig; maar
de twee oudsten uit onze voorlongroom, een oude masters-assistent,
die geen kans had om ooit bevorderd te worden, en de jonge dokter,
die mij bij den pols had gehouden, toen ik voor mijne zoogenaamde
insubordinatie had moeten boeten, waren nu, als getuigen van Murphy,
bij het gevecht tegenwoordig geweest. In beginsel had ik aangenomen,
om als ik in den strijd gelukkig was geweest, de behaalde voordeelen
te vervolgen. De juichtonen der overwinning galmden door ons verblijf:
de jongsten bewierookten mij met triomfzangen en gaven groote ergernis
aan het bovengenoemde drietal. De jonge dokter, een bleekneuzig,
dom, pokdalig en ziekelijk uitziend jong man, was dwaas genoeg om
hardop te zeggen, dat, omdat ik Murphy een pak slaag had gegeven,
ik nog niet denken moest, dat ik nu de baas in de voorlongroom
was. Mijn antwoord hierop was een beschuit, die ik als een seinschot
van waarschuwing in zijn gezicht slingerde; en op hem toespringende,
vóór hij zijne lange beenen onder de tafel had kunnen uittrekken,
vatte ik hem met mijne hand in zijn halsdas en draaide die zoo stijf
dicht, dat ik hem half deed stikken, terwijl ik onderwijl zijn hoofd
eenige malen zeer onzacht met het beschot liet kennis maken.
Toen hij mooi zwart in 't gelaat begon te worden, liet ik los, hem
vragende of hij soms nog voldoening verlangde, waarop hij ontkennend
antwoordde; en van dien dag af was hij altijd behoorlijk onderdanig
jegens mij. De andere oudere heer, een stevige koopvaardijlobbes,
gevoelde zich zeer onaangenaam gestemd bij de achtereenvolgende
nederlagen van zijne bondgenooten, en zou, geloof ik, graag een
afzonderlijken vrede met mij gesloten hebben. Hij had er in 't geheel
niet over gedacht om den dokter te hulp te komen, ofschoon deze er
hem herhaaldelijk om gesmeekt had. Het was mij een groot genoegen
dit op te merken, en ik was nu te gewilliger ook hem zijn aandeel
te geven, nu ik zag, dat hij er weinig zin in had. Maar het was hem
daarom niet geschonken. Om twaalf uren in dien nacht, werd ik van de
eerste wacht afgelost en vond, omlaag komende, den ouden assistent in
een verregaanden staat van dronkenschap. Zoo rolde hij in zijne kooi
en viel in slaap. Toen hij daar »als een zwijn" lag, nam ik een stuk
helschen steen, maakte dit nat en trok allerlei streepen en figuren
over zijne getaande physionomie. Zijne op zichzelve reeds buitengewoon
leelijke tronie had nu veel van een getatoueerden Nieuw-Zeelander. Den
volgenden morgen, toen hij zijn toilet ging maken, was mijne partij
in stille verwachting naar de ontknooping. Hij opende een oude
toiletdoos, zette scheermes en zeep klaar, haalde een ouden riem en
plaatste een driehoekig stuk spiegelglas tegen het opstaande deksel,
gereed om zich in te zeepen. Wie beschrijft de afschuw en verbazing,
waarmede hij terugsprong bij het zien zijner eigene beeltenis? Hij
overtrof Roscius bij het aanschouwen van den geest van Hamlet. Met
zijn natgemaakten voorvinger wilde hij de vlekken uitwisschen, maar
de schoone teekeningen wilden niet verdwijnen, en wij stonden als
kleine saters rondom hem te schateren van het lachen.
Ik vertelde hem boutweg, dat hij evenals Murphy en de dokter, mijn merk
droeg; en, voegde ik er met een wreede spotternij, die ik beter gedaan
had voor mij te houden, bij: ik wilde vandaag nu al mijne onderdanen
eens in zwarte livrei zien. Ik vroeg, of hij voldaan was over mijne
schikking, of dat hij daartegen appèl wenschte aan te teekenen;
hij gaf te kennen, dat hij het er bij zou laten.
Zoo had ik, in ééne vierentwintig uren de groote bondgenooten, zoo
lang mijne onderdrukkers, ten onder gebracht. De gevolgen mijner
overwinning kan ik in een paar woorden mededeelen. Van dit oogenblik
af, evengoed als ware er eene omwenteling geweest, heerschte er in de
voorlongroom vrijheid en gelijkheid, al liet de broederschap nog wel
iets te wenschen over. Mijn invloed was nu groot genoeg geworden om
aan allerlei wederrechtelijkheden een eind te kunnen maken, en dit
deed ik ook trouw. De vroeger zoo hinderlijke tirannie der oudsten
was volkomen gebroken. Daar nu in het vervolg ook bleek, dat ik niet
zoo twistziek was als men vroeger dacht, maakten mijne handelingen
een werkelijk zeer gunstigen indruk ook bij de officieren.
Wij verlieten Malta, in de verwachting onzen opperbevelhebber
(eskadercommandant) in de buurt van Toulon te vinden. Nu heeft zelden
de commandant van een fregat een groot verlangen om bij zijn admiraal
te komen, tenzij hij gewichtige brieven moet overbrengen. Dit laatste
was thans niet het geval; met een zwaren oostelijken storm achter
ons, vlogen wij westwaarts de Middellandsche zee door en moesten
toen weer langs de Spaansche en Fransche kusten opwerken. »Het is een
slechte wind, die niemand wat goeds aanwaait", zegt het spreekwoord;
dit ondervonden ook wij weer; hadden wij nabij Toulon gekruist met het
overige deel van de vloot, dan zou het ons al bitter weinig voordeel
hebben opgeleverd om eenige prijzen te maken, want het prijsgeld
moest dan in zooveel deelen verbrokkeld worden. Onze kolonel, die een
slimme kerel was, maakte liever buit op eigen gelegenheid, en als er
iets genomen was, zond hij het altijd bij voorkeur naar Gibraltar;
ten eerste, omdat wij dan weer daarheen gezonden werden om ons volk
terug te halen, en ten tweede, omdat hij uit ervaring wist, dat men
bij het admiraliteitshof te Malta erg knoeide en dat dáár altijd veel
aan den strijkstok bleef hangen.
Al wat wij tot nu toe genomen hadden werd dan ook voor de formaliteit
der prijsverklaring naar Gibraltar gezonden, en nu vonden wij
gelegenheid er nog wat aan toe te voegen. Wij hadden het geluk
eerst een groot schip te vermeesteren, en daarna weer eene brik. De
laatste had eene lading tabak en wijn in. Met het bevel over deze
brik werd ik belast, en geen eerste minister had ooit zoo'n drukkende
verantwoordelijkheid bij zoo'n gebrekkigen steun. De bemanning van het
fregat was, door de vele gemaakte prijzen, die naar eene haven onder
zeil waren, en door de ongelukkige ontmoeting met den kaper zoo gedund,
dat mij slechts drie man konden afgestaan worden. Ik was echter zoo
blijde met mijn eerste commandement, dat ik geen bezwaar gemaakt zou
hebben, zelfs al had ik alleen met een hond en een varken moeten varen.
De sloep van het fregat bracht ons over. Er woei een fiksche
Oostenwind; dadelijk legde ik het roer op en stuurde op de oude rots
aan. Toen de wind later toenam en storm werd, hield ik hem maar
recht van achteren, doch moest spoedig besluiten de bramzeilen te
bergen. Met groote moeite, en één voor één, wisten wij dit gedaan te
krijgen. Toen bleek het noodig een paar reven in de marszeilen te
steken, maar dit ging niet. Wij namen de proef met een zoogenaamd
Spaansch rif, d.i. wij lieten de marszeilen op den rand loopen en
zetten de riftalies stijf, doch wij bleven vóór den wind, die nog
steeds onrustwekkend toenam, door het water vliegen. Onze lading
(wijn en tabak) was ongelukkigerwijs door een Spanjaard en niet door
een Engelschman gestuwd. Het onderscheid was voor mij niet van belang
ontbloot. Een Engelschman zou, met het oog op het bekende gebrek
zijner landgenooten, den wijn beneden en de tabak boven geborgen
hebben. Doch juist het omgekeerde was gebeurd. Mijn volkje was er
spoedig achtergekomen en had zich heel gauw meer dan half bedronken.
Alles ging nog goed tot twee uren des morgens, toen mijn roerganger,
die men aan zijn lot overgelaten had, ook behoefte aan eene
»hartversterking" begon te krijgen, en de anderen niet kunnende
wekken om hem een dropje te brengen, vond, dat hij heel best het schip
zichzelf kon laten sturen, zoolang hij even naar het kraantje liep.
Nauwelijks was echter het roer losgelaten, of het vaartuig vloog
in den wind op, en kwam dwarsscheeps te liggen; die veranderde
windrichting op de zeilen kostte ons den grooten mast, die even boven
dek afbrak. Gelukkig bleef de fokkemast behouden; de roerganger,
nog geen tijd gehad hebbende zich te bedrinken, ijlde naar zijn post
terug en de beide andere matrozen werden nuchter van schrik.
Zoo goed en zoo kwaad als het ging, wisten wij de vleet kwijt te
raken. Wij kregen het vaartuig weer vóór den wind, en zóó ging het
verder. Maar de Engelsche zeeman, die op zijn tijd de noodige stoutheid
weet aan den dag te leggen, is bij eene andere gelegenheid ook weer
hoogst onvoorzichtig, en ziet bij gevaar de gevolgen licht over het
hoofd. In plaats dat het verlies van het groottuig eene waarschuwing
voor hen was tot matigheid, had dit op mijn volk juist een omgekeerde
werking. Nu de helft van de zeilen zichzelve geborgen had, was het met
de overgebleven helft een veel gemakkelijker huishouden; zij konden
nu tweemaal zoo gemakkelijk dronken zijn dan te voren. Deze regel
van drieën werd, mijns ondanks, behoorlijk in toepassing gebracht,
en zoolang de verdere reis duurde, waren zij altijd onbekwaam door
den wijn.
De fortuin begunstigt ons dikwijls het meest, wanneer wij dit het
minste verdienen. Ik wist, dat wij bijna onmogelijk het nauw van
Gibraltar konden uithollen zonder het te bemerken. Den derden dag,
nadat wij het fregat verlaten hadden, liepen wij vroeg de rots in het
zicht en rondden ten twee uren de punt van Europa. Ik had mijn volk
order gegeven de ankerkabels op te steken en, zooals dat aan jonge
officieren wel eens meer overkomt, er op gerekend, dat het uitgevoerd
was, omdat ik het gezegd had en zij »ja" geantwoord hadden. Het was
niet in mij opgekomen om te gaan zien of mijn bevel volbracht was;
om de waarheid te zeggen, had ik zelf ook werk genoeg om handen. Ik
stond aan het roer van 's nachts twaalf uren tot zes uren 's morgens,
te gelijk scherp naar het land uitkijkende; toen had ik mij laten
aflossen en nadat ik het roer overgegeven had, was ik tot tien
uren in een diepen slaap gevallen: toen was al mijn verstand noodig
geworden om te zorgen, dat wij de baai inliepen, en niet de straat
uitstormden, en daardoor ontging mij die heele kabelgeschiedenis,
tot op het oogenblik dat wij de ankers noodig kregen.
Toen ik, met ons prijs-sein in top, langs den achtersteven van een
der in de baai liggende oorlogsschepen zeilde, riep de wachthebbende
officier mij toe, dat ik »zeil zou minderen." Jawel, dacht ik, niets
liever dan dat, maar hoe dit gedaan te krijgen? Mijn bemanning was
daartoe door dronkenschap buiten staat, en toen ik terugriep om mij
daarvoor assistentie te zenden, waren wij zoo hard doorgezeild, dat
men door den harden wind mij niet verstaan kon of wilde. Nood breekt
wet. Ik liep te veel vaart om ten anker te kunnen gaan en zag onder de
andere schepen een groot transportschip liggen, dat, naar ik meende,
beter dan elk ander een stootje kon verdragen. Te meer liet ik voor
dat doel het oog op dat vaartuig vallen, omdat ik wist, dat de reeders
van zulk soort schepen gewoonlijk gauwdieven zijn, die er niets om
geven om het gouvernement op duizenden ponden sterling aan onkosten
te jagen. Toevallig lag hij juist bij de ankerplaats voor prijzen,
en daar ik geene andere kans zag om te komen, waar ik wezen wilde,
stuurde ik recht op het transportschip aan en liep hem vierkant in
de zijde tot groote verbazing van kapitein, stuurman en volk.
De gewone uitroepingen, vloeken en verwenschingen volgden den
schok. Hierop was ik voorbereid, evenals op het verlies van mijn
voortuig, dat, kennis makende met de fokkera van het transportschip,
ons over stuurboordsverschansing verliet en daardoor het vraagstuk
van zeilmindering volledig oploste. Mijn schoone brik was eerst
tot een kotter herleid en nu bleef er niets dan een romp over, die
gelukkig waterdicht was gebleven. Met geringe moeite kwam ik van het
groote schip vrij en commandeerde daarop op fieren toon: »Laat vallen
het anker!"
Maar jawel: mijn anker viel, dat was zeker, maar het gaf ons niets,
mijn vaartuig had er geen houvast aan wegens het verzuim van de
kabelopstekerij. Wij bleven dus drijvende, en toen wij achter een
der fregatten gekomen waren, zond de commandant daarvan, ziende dat
ook de andere kabel niet vast was, vriendelijk een sloep met volk
tot mijne hulp; en te vijf uren lag ik eindelijk veilig in de baai
en stapte ik op mijn halfdek op en neder, even trotsch als Columbus,
toen hij de Amerikaansche eilanden ontdekt had.
Maar kort, zeer kort duurde mijne macht! Den volgenden morgen reeds
kwam ons fregat binnen. De kolonel liet mij halen, en ik gaf hem
verslag van mijne reis en mijn wedervaren. Minzaam troostte hij mij
over den ondervonden tegenspoed, en in plaats van mij een aanmerking
te maken over het verlies mijner masten, zeide hij dat het, alles
samengenomen, nog wonder was, dat ik het schip had weten binnen te
brengen. Nog geen veertien dagen lagen wij voor Gibraltar, toen er
bericht kwam, dat de Fransche legers Spanje waren binnengetrokken,
en kort daarop kwam bevel uit Engeland om tegen de Spanjaarden geene
vijandelijkheden meer te plegen. Dit was voor ons wat men noemt »een
klontje uit de pap", daar nu alle kans op prijsgeld vervlogen was;
doch tegelijkertijd vermeerderden onze werkzaamheden en werd er
voortaan veel grooter activiteit van ons gevergd, dan het geval zou
zijn geweest, indien de oorlog met Spanje had voortgeduurd.
Wij kregen nu last ons bij het eskader in de wateren van Toulon te
voegen, doch moesten onder weg Carthagena bezoeken en in die haven
den toestand van de Spaansche vloot opnemen. Door den gouverneur van
de plaats en de Spaansche zeeofficieren werden wij met de meeste
hoffelijkheid ontvangen. De laatsten deden zich als zeer bekwaam
en welopgevoed voor. Hunne schepen echter lagen voor het meerendeel
afgetuigd, en voor eene nieuwe uitrusting ontbraken de middelen.