Mijn voornemen om gedurende mijn verblijf in Sowjet-Rusland de
tooneelkunst te bestudeeren, zooals die daarginds sedert de revolutie
in de steden en op het platteland opgekomen is, heb ik helaas niet ten
uitvoer kunnen brengen. De duur van mijn bezoek was te kort en het
tijdstip er van voor een dergelijke studie slecht gekozen; immers een
aantal theaters, waaronder die van den Proletkult, zijn gedurende de
zomermaanden gesloten. Er kwam bij, dat de zittingen van het
communistisch kongres in den regel 's avonds gehouden werden; eenige
opvoeringen, die mij zeer interesseerden, van drama, volkszang, dans,
heb ik tot mijn groote spijt »ambtshalve« moeten verzuimen.
Ik zag dus heel weinig, maar het weinige dat ik zag was belangwekkend,
het versterkte in mij het geloof dat de dramatische kunst
waarschijnlijk gedurende de sociale revolutie als eerste werkelijke
gemeenschapskunst zal opbloeien. Althans voor Rusland verwacht ik dit
zeker; de elementen van een dramatische volkskunst zijn er, verstrooid
en verspreid weliswaar, reeds aanwezig. Die elementen zijn voor een
deel nog uit het verleden afkomstig. De pogingen om de gevoelens,
aspiraties en gedachten van het nieuwe tijdperk dramatisch uit te
beelden, vinden de stof, het materiaal voor die uitbeelding in de oude
sprookjes en sagen, de boerendansen en de volksliederen, en de
mogelijkheid, het dramatisch kunstwerk tot opvoering te brengen, dat
is tot leven, bestaat, dank zij de onder het russische volk veel
voorkomende mimische en muzikale gaven. De russische volksmassaas
hebben--het is onnoodig op het groote gewicht van dit verschil te
wijzen--in tegenstelling tot de West-Europeesche niet eeuwenlang
moeten teren op den afval of de surrogaten der burgerlijke kultuur,
maar hun eigen volkskultuur in leven gehouden, onophoudelijk
gevarieerd, verrijkt en tevens zelf genoten[1].
De beweging tot vernieuwing en verheffing der dramatische kunst, die
ten deele, maar volstrekt niet alleen door den »Proletkuer« gedragen
wordt, kan niet anders dan de draden van die oude volkskultuur verder
spinnen, haar inhoud vervormen en haar vormen vernieuwen, zonder de
kontinuïteit met haar te verbreken.
Ook de beweging voor »Fysieke Kultuur«, die thans zeer populair is,
levert eenige elementen voor de herleving eener dramatische
gemeenschapskunst. Behalve op het turnen in massa (evenals de sport
iets geheel nieuws in Rusland en dat daarom groote belangstelling
vindt) legt men zich ook toe op de rythmische gymnastiek en de
dramatische pantomime. Op een groot gymnastiekfeest, dat wij in de
buurt van Moskou op het prachtige sportterrein aan den Musschenberg
bijwoonden, werd, nadat 8000 gymnasten, jongelieden, jonge meisjes en
kinderen een aantal vrije- en orde-oefeningen hadden uitgevoerd[2],
door een klein aantal deelnemers nog een dramatische pantomime, »De
Val van den Tyran«, vertoond. De bewegingen en standen waren zeer
schoon en de opvoering stond aesthetisch op een hoog peil, al zou het
geheel beter tot zijn recht gekomen zijn in een kleiner, meer besloten
ruimte, een openluchttheater in een park b.v., dan op het onmetelijke
sportterrein aan den Musschenberg.
Ongetwijfeld zijn de Russen veel dichter bij een herleving der oude
»dans«-kunst, d.w.z. der kunst, om door bewegingen van het lichaam
diepe, grootsche, collectieve, aandoeningen uit te drukken, dan welk
ook der West-Europeesche volken. Dit spreekt immers vanzelf, daar zij
het eenige volk zijn, dat thans grootsche en diepe collectieve
aandoeningen uit te drukken heeft.
De pogingen tot het scheppen eener dramatische volkskunst met
revolutionnairen inhoud, zijn voor ons, West-Europeesche communisten,
vooral verbonden aan den naam en de werkzaamheid van den »Proletkult«.
Best mogelijk echter zal niet deze instelling, maar het Roode Leger
voor komende geslachten gelden als de wieg, het uitgangspunt eener
herleving op tooneelgebied, en misschien ook op dat van andere
kunsten[3].
Buiten Rusland geeft men er zich veel te weinig rekenschap van, dat
het Roode Leger niet enkel een voornaam centrum van militaire kracht,
organisatorisch vermogen en politiek inzicht, maar ook van
revolutionnaire cultuur geworden is--misschien zelfs in verband met de
betreurenswaardige, maar onvermijdelijke tijdelijke verzwakking en
declasseering der arbeidersklasse, op het oogenblik het voornaamste
centrum van een en ander. Een aantal omstandigheden hebben dit in de
hand gewerkt. Ten eerste de concentratie in het leger van millioenen
jonge arbeiders en boeren, die een enorm materiaal van geestelijke
selectie vormden; dan het betrekkelijke gemak, waarmee men, tengevolge
van deze concentratie, allerlei instellingen op kultuurgebied kon
vormen en het algemeen geestelijke peil door voordrachten, kursussen,
voorstellingen van de beste wetenschappelijke en artistieke krachten
verhoogen. En als derde factor werkte de noodzakelijkheid, om een
sterke, over de materieele moeilijkheden zegevierende ideologie te
scheppen, dat wil zeggen een kern van bewuste en enthousiaste
communisten.
Geheel toevallig kreeg ik gelegenheid, iets te zien van wat in de
leger-organisatie op dramatisch gebied nagestreefd wordt, door het
bijwonen van een uitvoering van leerlingen der »School voor Roode
Kommandanten« te Moskou. Inderdaad zoo toevallig mogelijk, want wij
waren, een mijner vrouwelijke mede-gedelegeerden en ik, van plan naar
de opera te gaan en reeds op weg daarheen, toen een russisch kameraad,
die in dezelfde auto zat, ons vertelde, dat hij en de vierde
tochtgenoot, de fransche afgevaardigde Vaillant-Couturier, na ons bij
den schouwburg afgezet te hebben, hun weg zouden vervolgen naar het
Kreml om daar een »door soldaten gegeven« voorstelling bij te wonen.
Onze belangstelling was gewekt, wij vroegen nadere inlichtingen en
besloten al gauw, de opera te laten schieten en mee te gaan naar het
Kreml. Wij hadden er geen spijt van. Want zoowel wat wij daar zagen,
als de sfeer waarin wij het zagen, was belangwekkend en sympathiek,
vol glans van belofte en vol opbloeiend leven.
Opgevoerd werd een gemoderniseerd satyrisch sprookje met muziek en
zang. Het hoofdthema was, hoe de heerschende klassen--vertegenwoordigd
door een ridder, een pope, een wetgeleerde enz.--na den dood van een
Tsaar in diens plaats een pop opstellen en het »domme volk« daar voor
buigt en zich met zijn smeekbeden wendt aan den vermeenden heerscher.
Eindelijk wordt de list ontdekt, dappere jonge arbeiders dringen,
aangevuurd door de traditioneele Vrijheidsfiguur, het paleis binnen,
rukken het levenlooze schijnbeeld der macht het masker af en
veroordeelen de heerschenden, die er zich achter verscholen, tot
verschillende humoristische straffen. Het stuk eindigt met een soort
apotheose: de Vrijheid, die zich met den Arbeid verbindt. Voor zover
ik den tekst volgen kon, was die vlot en levendig, in den volkstoon
geschreven, soms fel-satyrisch, soms goedmoedig spottend, en alleen op
't eind, bij de obligate apotheose van de Vrijheid en den Arbeid, even
vervallend in deklamatorische rethoriek. De communistische ideologie
heeft nog geen nieuwe symbolen geschapen, noch een nieuwen heroïschen
stijl voortgebracht, en zoolang dit niet het geval is, zullen frissche
satyre, geestige spot en teedere lyriek, de aesthetische meest
waardevolle elementen van het volkstooneel zijn.
De uitvoering was zeer verzorgd, een genot voor oogen en ooren. Men
vertelde ons, dat een vakman bij de regie had geholpen, verder was
alles het werk van de leerlingen en oudleerlingen der school.
Uitstekend leek mij het probleem opgelost der verbinding van
fantastische styleering met satyrische typeering tot één harmonisch
geheel. Het--zeer sobere--decor was prachtig van lijnen en kleuren, en
enkele kostuums, vooral dat van de oud-russische figuur van den
bogatyr, den ridder, waren verrukkelijk om naar te zien. De akteur
(een oud-leerling der school), die deze rol vervulde, speelde niet
alleen bijzonder goed, maar hij had een zoo mooi vol, klankrijk
bas-orgaan, als men slechts zelden hoort. Trouwens, er waren meer
mooie stemmen bij, en het spel was zonder uitzondering goed, levendig
en toch beheerscht. Het was bijna onbegrijpelijk, dat dit alles
dilettanten waren. Bijzonderen indruk maakten de kollektieve momenten
in het stuk; ik herinner mij een episode met drie boeren in de
klassieke russische volksdracht, die zich voor den gewaanden Tsaar op
de knieën werpen om hem te verbidden. De onduleerende bewegingen,
waarmede de drie handenwringende gedaanten in hun lange witte gewaden
langzaam nader kropen tot den troon, waren prachtig van expressie. Men
zag werkelijk even een verschiet van plastisch-dramatische schoonheid
open gaan.
Telkens moest ik dien avond denken aan de stumperige
dilletanten-uitvoeringen van realistische eenakters, waarop men ten
onzent in vroeger jaren getrakteerd werd, wanneer men als
»feestredenaar« op S.D.A.P.-avonden optrad. En ook dacht ik, hoe thans
nog wel »revolutionnaire« vereenigingen op hun feestavonden, uit
aesthetische armoe, de toeschouwers vergasten op typisch-burgerlijke,
individualistisch-dekadente danskunst[4].
Voor en na de opvoering hadden wij gelegenheid met onze gastheeren, de
jonge leerlingen der »school voor Roode Kommandanten« en hun
superieuren kennis te maken. Mijn eigen indruk kwam geheel en al
overeen met het oordeel, dat een der leidende krachten van de school
tegen mij over de leerlingen uitsprak: »dit is een door en door gezond
element, vol zuiver enthousiasme«. Hij vertelde ons, hoe in den
vorigen winter, toen tengevolge van de plotselinge vermindering der
broodrantsoenen de bevolking van Moskou onrustig was, de leerlingen
soms een etmaal achtereen patrouilledienst moesten verrichten. Ook hun
eigen rantsoenen waren verminderd geworden, maar toen zij bemerkten,
dat de arbeiders 't nog veel ellendiger hadden dan zij, en somtijds
van uitputting neervielen in de fabrieken, deden zij ten behoeve dier
ongelukkige makkers afstand van een deel van hun eigen rantsoen.
De jongens zelf--verreweg de meesten waren boerenzoons, ongeveer één
vierde arbeiders--maakten een allerprettigsten indruk. Zoo echt-jong
en levenslustig waren zij, zoo vol begeerte naar
ontwikkeling--Fransch, Engelsch, literatuur, wat al niet wilden zij
leeren;--zoo vol belangstelling in de arbeidersbeweging van andere
landen. Zij gaven mij het tijdschrift, dat zij zelf redigeerden en met
eigen bijdragen: verhalen, schetsen, verzen, dialogen, vulden; een
hunner, een jonge dichter, schreef ook een opdracht daarin. Helaas, de
opdracht heb ik, evenals die van de toegewijde Proletkult-menschen,
van mijn lieftallige armenische genoote met het mooie olijfkleurige
gelaat, van mijn dappere vriendin Kollontay en van nog anderen, moeten
scheuren uit de boeken, brochures of manuscripten, die ze mij
schonken, uit beduchtheid voor mogelijke chicanes van nijdasserige
esthische of duitsche douane-beambten.
Iets geheel anders dan de opvoering van het satyrische sprookje in de
school voor Roode Kommandanten was de voorstelling, welke ik zag van
»Mysterie Bouffes«, een soort revue-feërie door Majakowski, den meest
beroemden dramaturg der revolutie, ter gelegenheid van het congres
geschreven. Het stuk werd op twee verschillende plaatsen, met geheele
afwijkende monteering en enscèneering, vertoond: in een tamelijk klein
volkstheater, met russischen tekst, voor het Moskousche publiek; en in
een groot cirque, met duitschen tekst, voor de buitenlandsche gasten.
Ook Majakowski heeft in dit stuk traditioneele gegevens en motieven,
voornamelijk uit het Oude Testament, gebruikt en ze verwerkt tot een
fantastisch, half symbolisch half satyrisch geheel. Loenascharski
karakteriseerde zijn werk m.i. zeer gelukkig met de woorden »een
dramatisch affiche«. Het stuk, dat in een serie symbolische tafereelen
de uitbuiting, den strijd en de zegepraal van het proletariaat als een
grooten tocht door verschillende levenssfeeren, met overwinning van
allerlei belemmeringen en hindernissen in beeld brengt, leek mij rijk
aan inventie, aan vernuft, aan treffende situaties en gezegden, maar
tamelijk inkongruent, zonder innerlijken band en zonder eenige
werkelijke dramatische spanning. Een der aardigste scènes is die,
waarin de arbeiders, na de hel zegevierend doorschreden te hebben, het
»mensjewistisch paradijs« bezoeken. Hier vinden zij behalve Rousseau
en Tolstoi, nog vele andere minder bekende apostelen van de
klassen-harmonie, waaronder de »wolkenmelkende« droomer. Natuurlijk is
de figuur van den verzoening-predikenden mensjewiek, die tenslotte
door alle partijen gehoond wordt en van alle kanten slaag krijgt, een
der bestgeslaagde van het stuk. Na hel en hemel achter zich te hebben
gelaten, komen de arbeiders in »de sfeer van den chaos«; zij dreigen
ten onder te gaan, maar een uiterste krachtsinspanning redt hen en
voert hen in het rijk van den broederlijken, gemeenschappelijken
Arbeid: de communistische samenleving begint.
Toevallig had ik gelegenheid, om op denzelfden avond een groot deel
der russische voorstelling en de duitsche in haar geheel te zien;
zoodat ik interessante vergelijkingen kon maken. In beide gevallen
waren het de kubisten, die de enscèneering verzorgd hadden, en toch
was het verschil tusschen de twee opvoeringen enorm groot. De
russische was in elkaar gezet met weinig materiëele hulpmiddelen en
slechts een klein aantal personen, naar schatting 25 à 30, namen aan
haar deel, terwijl in de ge-europaniseerde alles zeer grootscheeps en
met het oog op massale werking was opgezet; het aantal spelers en
figuranten bedroeg ongeveer 350. Ik voor mij gaf verreweg de voorkeur
aan de russische monteering; zij was een weinig plomp en armoedig,
maar bereikte hier en daar treffende dekoratieve werkingen en haar
naïf karakter paste, naar mij toescheen, bijzonder goed bij den
volks-dommelijken aard van het stuk. Vooral scheen mij dit het geval
in de scènes, waar men beneden op het tooneel den hellemond zag gapen,
terwijl wat hooger, door een soort rotswildernis van de aarde
gescheiden, het paradijs zichtbaar werd, met engelen en heiligen in
middeneeuwschen trant. Dit gedeelte deed mij in de russische
opvoering, ook door de boert en spot die er in vervlochten waren,
denken aan middeneeuwsche mysteries. Alleen zijn daarin enkel de
duivels kluchtige personaadjes geworden; de engelen en heiligen
vervullen de rol, die in de revolutionnaire russische kunst is
toebedeeld aan de arbeiders.
De ge-europaniseerde voorstelling kon mij, al gaf zij enkele mooie
tooneel-effecten te zien slechts matig bekoren. Ik vond haar overdruk
en woelig en, naar mij docht, sterk geinspireerd op motieven van
Reinhardt. Ook de gemaakte, sleepende wijze, waarop de tekst werd
gezegd, in een soort dreun en met overmaat van rethorische akcenten,
scheen mij slecht bij den aard der verzen te passen. Wat ik
buitengemeen bewonderde, was het groote scherm, dat aan den achterkant
de arena afsloot en gedurende de verschillende tafereelen onveranderd
bleef. Kubistische vormgeving en een sterk kleurgevoel hadden hier te
zamen iets bereikt, wat mij ongeëvenaard leek op de Europeesche
theaters; konstruktief en tegelijkertijd vol sterke, stoutmoedige
schoonheid.
De twee onderling zoo zeer verschillende en toch ook onderling
verwante stukken, die ik in Sowjet-Rusland zag opvoeren, waren voor
mij hierom verheugend, omdat er uit bleek dat, al heeft de nieuwe
dramatische volkskunst nog niet volkomen met het kleinburgerlijk
realisme gebroken, toch de meer interessante en belangrijke
tooneel-experimenten in een geheel andere richting plaatsvinden. En
ook kreeg ik den indruk dat zoo het kubisme, voor zoover ik zag, in
Rusland de schilderkunst vernieuwd noch verrijkt heeft met nieuwe
meesterwerken, het daarentegen geroepen schijnt, de wat rauwe
aankleeding te leveren, die bij dit eerste begin eener nieuwe
dramatische gemeenschapskunst past.