* * * * *
Een arbeiderswoning, aan den buitenkant van een duitsch grensdorp. Zoo
pas aangekomen. Middernacht. Het licht brandt nog hoog in mijn kamer.
Uit het andere vertrek roept een stem: »Wollen Sie sogleich das Licht
austun«. Ja, het was dom van mij, dit niet te bedenken. In het donker
ontkleed ik mij. De dag bracht vele indrukken.
Pas tegen den morgen val ik in slaap.
Ik ontwaak door een droomgezicht: een smalle, steenen trap, die steil
en diep afdaalt naar een ondergrondsch water. Het geheel heeft de
sfeer van de oubliettes van een of ander middeneeuwsch kasteel. Ik
gevoel mij beklemd. »Wat een ellendige droom: geen gelukkig
voorteeken«.
Ik slaap weer in: onmiddellijk zie ik weer de trap, steil en diep,
afdalen naar dat donkere water, maar... ditmaal stijgt zij aan den
overkant daarvan weer omhoog.
Als ik opnieuw ontwaak, is het gevoel van beklemming geweken. Toeval
en onzin, of... wijsheid van het onderbewuste? Wie zal het zeggen?