Een heldere allervroegste voorjaarsdag. Kraaiende hanen, bloeiende
hazelaars. Natuur-ontwaken vóór den tijd.
Een breede diepe sloot vol water; een heel smal plankje voert er over,
glibberig en half-vergaan. Achter die sloot gaat mijn pad verder; dáár
ligt het land, waar ik heen wil, open. Besluiteloos sta ik en draal,
zet één voet dwars over het plankje, trek hem weer terug. Een
wonderlijke gedachte duikt op: »Als ik er over kom, ga ik nog in dit
voorjaar naar Rusland«. Dwaze gril of ingeving? Ik weet het niet, maar
»iets« dringt mij het plankje op... ik ga de sloot over... Nu _weet_
ik, dat ik doorzetten zal.
* * * * *
Een grijze dag, einde April. Een naargeestig vertrek: het passenbureau
te Rotterdam. Menschen komen, nemen plaats vóór het hekje, wachten,
worden geholpen, gaan weg.
»Ein Durchreise-Visum für Berlin? Wo wollen Sie denn hin?«
»Nach Russland«.
Plotselinge stilte. Algemeene on-sympathieke belangstelling in mijn
persoon. Het is, of ik gezegd heb: »naar de hel«.
»Bedaure sehr, ich kann Ihnen das Visum nicht geben.«