II

De verlatenen.

De sloep die kapitein Bligh droeg, was met haar achttien passagiers,

officieren en matrozen, behalve den wel is waar niet grooten voorraad,

zoo zwaar geladen, dat zij nauwlijks vijftien duim boven het vlak

der zee uitkwam. Een en twintig voet lang, zes voet breed, mocht zij

volkomen geschikt zijn voor den dienst der _Bounty_, doch om zulk

een talrijke equipage te bevatten, om zulk een lange reis te maken,

was het moeielijk een ellendiger vaartuig te vinden.

De matrozen stelden evenwel het volste vertrouwen in de geestkracht en

de bekwaamheid van kapitein Bligh en de officieren die zijn lot deelden

en roeiden met kracht, zoodat de sloep snel de golven doorsneed.

Bligh had niet geaarzeld hoe te handelen. Men moest dadelijk trachten

zoodra mogelijk het eiland Tofoa, het dichtste bij van de groep der

Vrienden-eilanden, te bereiken. Slechts eenige dagen geleden hadden

zij dit eiland verlaten en daar moest men dan een voorraad vruchten

van den broodboom verzamelen, den voorraad water vernieuwen en van

daar den koers naar Tonga-Tabou nemen. Daar zou men dan ongetwijfeld

genoeg levensmiddelen kunnen innemen om den overtocht te maken naar

de Hollandsche vestigingen van Timor, ingeval men uit vrees voor de

inboorlingen, zich niet wilde ophouden in de ontelbare archipels die

op den weg gezaaid liggen.

De eerste dag ging zonder eenig bijzonder voorval voorbij en de nacht

viel juist toen men de kust van Tofoa ontdekte. Ongelukkig is het

strand daar zoo rotsachtig, de kust zoo steil, dat men er 's nachts

niet kan landen. Men moest dus den dag afwachten.

Bligh wilde liefst, of het moest strikt noodzakelijk zijn, den

voorraad in de sloep niet aanraken. Het eiland moest dus allen

voeden. Dat scheen evenwel moeielijk te zullen zijn, want in het

eerst ontmoetten zij, aan land zijnde, geen spoor van bewoners. Toch

duurde het niet lang of er kwamen eenige opdagen; deze werden goed

ontvangen, en brachten andere mede die hen van een weinig water en

eenige kokosnoten voorzagen.

Bligh was in groote verlegenheid. Wat moesten zij den inboorlingen

wel zeggen die bij de laatste landing der _Bounty_ reeds handel

met haar gedreven hadden? Het was vooral zaak hun de waarheid te

verbergen, teneinde het aanzien niet in gevaar te brengen waarmede

de vreemdelingen op die eilanden steeds waren ontvangen geworden.

Zeggen dat zij door het vaartuig 't welk in volle zee was gebleven,

waren uitgezonden om voorraad op te doen? Onmogelijk, daar de _Bounty_

niet zichtbaar was, zelfs van de toppen der heuvels niet! Zeggen

dat zij schipbreuk hadden geleden en dat de inboorlingen in

hen de eenige overlevenden der schipbreukelingen zagen? dit was

nog de waarschijnlijkste fabel. Misschien zoude deze haar met

medelijden vervullen en er hen toe brengen den voorraad der sloep

te voltooien. Bligh bleef aan dit laatste besluit vasthouden, hoe

gevaarlijk ook en waarschuwde allen opdat men het algemeen eens was

betreffende deze fabel.

Bij het hooren van dit verhaal, gaven de inboorlingen geen bewijzen van

vreugde, noch teekenen van verdriet. Alleen was er groote verwondering

op hun gelaat te lezen en wat zij overigens dachten, was onmogelijk

te raden.

Den 2n Mei was het aantal inboorlingen die van de andere deelen des

eilands waren samengestroomd, waarlijk onrustbarend en weldra merkte

Bligh op dat zij vijandige plannen hadden. Eenige beproefden zelfs

de sloep op het strand te slepen en lieten dit voornemen eerst varen

bij de nadrukkelijke vertogen van den kapitein, die hen met zijn

hartsvanger in ontzag moest houden. Gedurende dien tijd, kwamen

eenige zijner manschappen, die Bligh had uitgezonden, met eenige

gallons water terug.

Het was meer dan tijd dit ongastvrije oord te verlaten. Bij het

ondergaan der zon was alles gereed, maar het was niet gemakkelijk de

sloep te bereiken. Het strand was bezaaid met inboorlingen die steenen

tegen elkander aansloegen en ze gereed hielden om te werpen. De sloep

moest zich dus op eenige vademen van het strand verwijderd houden en

slechts dan aanlanden, als de mannen gereed waren zich in te schepen.

De Engelschen waren nu ernstig ongerust over de vijandige neigingen

der inboorlingen; zij klommen weder naar het strand af, te midden van

tweehonderd inboorlingen, die slechts op een teeken wachtten om zich

op hen te werpen. Evenwel waren allen gelukkig in de sloep gekomen,

toen een der matrozen, Bancroft genaamd, op het noodlottig idée

kwam naar het strand terug te keeren om 't een of andere voorwerp

te zoeken dat hij er had achtergelaten. Binnen een seconde werd de

onvoorzichtige door de inboorlingen omringd en door steenen gedood,

zonder dat zijne metgezellen, die geen enkel vuurwapen bezaten, hem

konden te hulp komen. Doch ook zij zelven werden op dat oogenblik

aangegrepen en met een hagel van steenen begroet.

»Komt, jongens," riep Bligh, »aan de riemen en flink doorgeroeid!"

De inboorlingen begaven zich toen in zee en deden opnieuw een

hagelbui van keien op de sloep regenen. Verscheidene mannen werden

gekwetst. Maar Hayward, raapte een steen op die in de sloep gevallen

was, mikte op een van de aanvallers en raakte hem midden op het

voorhoofd. De inboorling viel omver, een doordringenden schreeuw

gevende, die beantwoord werd door de hoera's der Engelschen. Hun

ongelukkige kameraad was gewroken.

Intusschen staken verscheidene prauwen van het strand af en zetten

hen achterna. Deze vervolging kon slechts met een gevecht eindigen,

waarvan de uitslag misschien niet gelukkig geweest ware, toen

de equipagemeester een goeden inval kreeg. Niet wetende dat hij

Hippomenes in zijne worsteling met Atalantes navolgde, ontdeed hij

zich van zijn boezeroen en wierp het in zee. De inboorlingen lieten

hun prooi los en hielden zich op om zich van het boezeroen meester

te maken, waardoor de sloep om den hoek der baai heen kon varen.

Middelerwijl was nu de nacht geheel aangebroken en gaven de

inboorlingen ontmoedigd, de vervolging van de sloep op.

Deze eerste poging om ergens aan land te komen was al te ongelukkig

tegengeloopen om opnieuw te beproeven; dit was althans de raad van

kapitein Bligh.

»Wij moeten nu een besluit nemen," zeide hij. »Ik ben er zeker van

dat wat op Tofoa is voorgevallen, zich op Tonga-Tabou en overal

waar we zouden willen aanlanden, zal herhalen. Met ons klein getal,

zonder vuurwapenen, zullen we geheel aan de genade der inboorlingen

zijn overgeleverd. Zonder voorwerpen om te ruilen, kunnen we geen

levensmiddelen koopen, en 't is ons onmogelijk ze ons met geweld te

verschaffen. Wij zijn dus alleen aan onze hulpmiddelen overgelaten. Nu

weet je evengoed als ik, vrienden, hoe ellendig die zijn! Maar is het

niet beter er ons mee te vergenoegen dan bij elke landing het leven

van verscheidene onzer te wagen? En toch wil ik u het verschrikkelijke

van onzen toestand niet ontveinzen. Om Timor te bereiken, moeten we

nagenoeg twaalfhonderd mijlen afleggen en zult ge u moeten vergenoegen

met een ons beschuit per dag en een kwart pint water! Tegen dien prijs

alleen is er nog redding mogelijk en op die voorwaarde dan nog dat ik

de meest mogelijke gehoorzaamheid bij u zal ontmoeten. Antwoordt me

zonder omwegen, ronduit, vindt ge goed de onderneming te wagen? Zweert

ge mijne bevelen na te komen, welke ze ook zijn mogen? Belooft ge

zonder morren u aan al deze ontberingen te onderwerpen?"

»Ja, ja, we zweren het!" riepen als uit één mond de metgezellen van

Bligh uit.

»Mijne vrienden," hernam de kapitein, »ook moeten we onze wederzijdsche

tekortkomingen, onze antipathiën en onzen haat vergeten, in een

woord onzen persoonlijken afkeer opofferen aan het algemeen belang,

dat alleen ons moet leiden!"

»We beloven het."

»Als je je woord houdt," voegde Bligh er bij, »en desnoods zal ik je

er toe noodzaken, sta ik voor je redding in."

De weg was toen naar 't O.-N.-O. De wind, die vrij sterk was, ging

in den avond van 4 Mei in storm over. De golven werden zoo hoog,

dat de boot somtijds geheel tusschen haar wegdook en scheen zich niet

weder te kunnen verheffen. Het gevaar nam elk oogenblik toe. Doornat

en koud, hadden de ongelukkigen om zich wat op te wekken, niets dan

een kop thee met wat rum en het vierde van een half verrotte vrucht

van den broodboom.

Den dag daarop en de volgende dagen, kwam er geen verandering in

den toestand. De boot ging tusschen ontelbare eilanden door, waarvan

eenige prauwen afstaken.

Geschiedde dit om hen na te zetten of was het om eenige voorwerpen

in ruil aan te bieden? In dezen twijfel zou het onvoorzichtig geweest

zijn zich op te houden. Ook had de sloep, waarvan de zeilen door een

goeden wind uitgezet waren, ze weldra ver achtergelaten.

Den 9n Mei, barstte er een vreeselijke storm los. Donder en bliksem

volgden elkaar onophoudelijk op. De regen viel met een kracht waarvan

de hevigste stormen onzer klimaten geen denkbeeld kunnen geven. Het

was onmogelijk de kleederen te doen drogen. Bligh kwam toen op de

gedachte ze in zeewater te dompelen en ze op die wijze met zout te

laten doortrekken, teneinde de huid een weinig van de warmte terug te

geven, die haar door den regen ontnomen was. Intusschen bespaarden

die stortregens, die den kapitein en zijne metgezellen zooveel leed

berokkenden, hun andere martelingen nog veel verschrikkelijker, de

martelingen van den dorst namelijk, die eene onverdraaglijke hitte

weldra zou hebben doen ontstaan.

Den 17n Mei, 's morgens, werden na een vreeselijken storm, de klachten

algemeen:

»Nooit zullen we de kracht hebben Nieuw-Holland te bereiken," riepen

de ongelukkigen uit. »Doornat van den regen, uitgeput van vermoeienis,

zullen we nooit een oogenblik rust hebben! We zijn half dood van den

honger en toch versterkt u onze rantsoenen niet, kapitein! Wat komt

het er op aan dat onze levensmiddelen op raken. We kunnen bij onze

aankomst op Nieuw-Holland ze immers gemakkelijk vernieuwen!"

»'k Moet weigeren," antwoordde Bligh. »'t Zou met recht gekkenwerk

wezen. Wat! we hebben nog slechts den afstand afgelegd die ons

van Australië scheidt, en je verliest nu den moed al! En geloof je

bovendien gemakkelijk levensmiddelen te zullen vinden op de kust van

Nieuw-Holland? Je schijnt het land en zijn bewoners niet te kennen!"

Bligh schilderde toen in breede trekken den aard van den bodem,

de zeden der inboorlingen, het weinige vertrouwen dat men in een

goede ontvangst moest stellen, allen zaken die hij op zijn reis

met kapitein Cook had leeren kennen. Dezen keer nog, hoorden zijne

ongelukkige lotgenooten hem aan en zwegen.

De volgende veertien dagen mocht men zich in heldere zonneschijn

verheugen, die hun de gelegenheid aanbood om hunne kleederen op te

drogen. Den 27n kwamen zij over de branding die de oostkust van

Nieuw-Holland omgeeft. De zee was kalm achter deze koraalriffen

en eenige groepen eilanden met exotischen plantengroei, verheugden

hunne blikken.

Men ontscheepte zich en betrad de kust met de grootste voorzorgen. Men

vond geen andere sporen van het verblijf der inboorlingen dan oude

vuurplaatsen. Het was dus mogelijk een goeden nacht aan land door

te brengen.

Doch men moest eten. Bij toeval ontdekte een der matrozen een

oesterbank. Dat was een echte smulpartij.

Den volgenden dag vond Bligh in de sloep een vergrootglas, een vuurslag

en zwavel. Hij was dus in staat zich vuur te verschaffen om het wild

of de visch te braden.

Bligh kwam toen op het denkbeeld zijn equipage in drie afdeelingen

te verdeelen: de eene moest alles in de boot in order brengen; de

twee andere moesten op levensmiddelen uitgaan. Maar velen hunner

beklaagden zich over deze taak en zagen liever van hun diner af dan

zich in de wildernis te wagen.

Een van hen, heftiger of meer ontzenuwd dan zijne kameraden, ging

zelfs zoo ver om aan den kapitein te zeggen:

»De een is niets beter dan de andere en 'k zie niet in waarom u altijd

achter zoudt blijven om uit te rusten! Als u honger hebt, ga dan eten

zoeken! Voor 't geen u hier te doen hebt, zal 'k u wel vervangen!"

Bligh, die begreep dat deze geest van oproer in de geboorte moest

gesmoord worden, greep een hartsvanger, wierp een ander voor de voeten

van den oproermaker en riep hem toe:

»Verdedig je of ik steek je overhoop!"

Deze krachtige houding deed den oproerling dadelijk tot bedaren komen

en het algemeene misnoegen kalmeeren.

Bij deze landing deed de equipage der sloep een ruimen voorraad op

van oesters, kammosselen en zoet water.

Een weinig verder, in de straat van Endeavour, kwam een der troepen

die op de jacht van schildpadden en van zeezwaluwen waren uitgezonden,

met ledige handen terug; de andere troep bracht zes zeezwaluwen mede,

maar deze zouden er veel meer gevangen hebben als niet een der jagers

zoo koppig geweest was om van zijne kameraden af te gaan en deze vogels

te verschrikken. Deze man bekende later dat hij zich van negen dezer

vogels had meester gemaakt en ze rauw op de plaats zelve opgegeten had.

Zonder de levensmiddelen en het zoet water dat zij op de kust van

Nieuw-Holland gevonden hadden, zouden Bligh en zijne kameraden

ongetwijfeld omgekomen zijn. Overigens verkeerden allen in een

beklagenswaardigen toestand, vermagerd, vervallen, uitgeput, niet

veel meer dan lijken.

De reis in volle zee, om Timor te bereiken, was slechts de smartelijke

herhaling van het lijden dat deze ongelukkigen reeds doorgestaan

hadden alvorens de kusten van Nieuw-Holland te bereiken. Het vermogen

om weerstand te bieden was evenwel bij allen zonder uitzondering,

gebroken. Na eenige dagen, zwollen hunne beenen op. In dien toestand

van buitengewone zwakte werden zij overvallen door een bijna

voordurenden lust om te slapen. Dit waren de voorteekenen van een

einde dat niet veraf meer kon zijn. Bligh, die dit opmerkte, deelde

aan de meest verzwakten een dubbel rantsoen uit en trachtte hun een

weinig hoop te geven.

Eindelijk kwam den 12n Juni 's morgens, na een overtocht van

drie duizend zes honderd achttien mijlen, in verschrikkelijke

omstandigheden, de kust van Timor in 't gezicht.

De ontvangst die de Engelschen te Coupang genoten, was buitengewoon

gastvrij en deelnemend. Zij bleven er twee maanden om zich te

herstellen. Nadat Bligh toen aldaar een kleinen schoener gekocht had,

bereikte hij Batavia, alwaar hij zich voor Engeland inscheepte.

Den 14n Maart, 1790 liepen de verlatenen te Portsmouth binnen. Het

verhaal van het lijden dat zij doorgestaan hadden wekte de algemeene

deelneming en verontwaardiging van weldenkenden op. Bijna onmiddellijk

ging de Admiraliteit over tot de uitrusting van het fregat de

_Pandora_, van vier en twintig stukken en honderd zestig man en zond

haar uit ter vervolging van de oproerlingen der _Bounty_.

Men zal zien wat er van hen geworden was.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 32 / 36 题