De verlatenen.
De sloep die kapitein Bligh droeg, was met haar achttien passagiers,
officieren en matrozen, behalve den wel is waar niet grooten voorraad,
zoo zwaar geladen, dat zij nauwlijks vijftien duim boven het vlak
der zee uitkwam. Een en twintig voet lang, zes voet breed, mocht zij
volkomen geschikt zijn voor den dienst der _Bounty_, doch om zulk
een talrijke equipage te bevatten, om zulk een lange reis te maken,
was het moeielijk een ellendiger vaartuig te vinden.
De matrozen stelden evenwel het volste vertrouwen in de geestkracht en
de bekwaamheid van kapitein Bligh en de officieren die zijn lot deelden
en roeiden met kracht, zoodat de sloep snel de golven doorsneed.
Bligh had niet geaarzeld hoe te handelen. Men moest dadelijk trachten
zoodra mogelijk het eiland Tofoa, het dichtste bij van de groep der
Vrienden-eilanden, te bereiken. Slechts eenige dagen geleden hadden
zij dit eiland verlaten en daar moest men dan een voorraad vruchten
van den broodboom verzamelen, den voorraad water vernieuwen en van
daar den koers naar Tonga-Tabou nemen. Daar zou men dan ongetwijfeld
genoeg levensmiddelen kunnen innemen om den overtocht te maken naar
de Hollandsche vestigingen van Timor, ingeval men uit vrees voor de
inboorlingen, zich niet wilde ophouden in de ontelbare archipels die
op den weg gezaaid liggen.
De eerste dag ging zonder eenig bijzonder voorval voorbij en de nacht
viel juist toen men de kust van Tofoa ontdekte. Ongelukkig is het
strand daar zoo rotsachtig, de kust zoo steil, dat men er 's nachts
niet kan landen. Men moest dus den dag afwachten.
Bligh wilde liefst, of het moest strikt noodzakelijk zijn, den
voorraad in de sloep niet aanraken. Het eiland moest dus allen
voeden. Dat scheen evenwel moeielijk te zullen zijn, want in het
eerst ontmoetten zij, aan land zijnde, geen spoor van bewoners. Toch
duurde het niet lang of er kwamen eenige opdagen; deze werden goed
ontvangen, en brachten andere mede die hen van een weinig water en
eenige kokosnoten voorzagen.
Bligh was in groote verlegenheid. Wat moesten zij den inboorlingen
wel zeggen die bij de laatste landing der _Bounty_ reeds handel
met haar gedreven hadden? Het was vooral zaak hun de waarheid te
verbergen, teneinde het aanzien niet in gevaar te brengen waarmede
de vreemdelingen op die eilanden steeds waren ontvangen geworden.
Zeggen dat zij door het vaartuig 't welk in volle zee was gebleven,
waren uitgezonden om voorraad op te doen? Onmogelijk, daar de _Bounty_
niet zichtbaar was, zelfs van de toppen der heuvels niet! Zeggen
dat zij schipbreuk hadden geleden en dat de inboorlingen in
hen de eenige overlevenden der schipbreukelingen zagen? dit was
nog de waarschijnlijkste fabel. Misschien zoude deze haar met
medelijden vervullen en er hen toe brengen den voorraad der sloep
te voltooien. Bligh bleef aan dit laatste besluit vasthouden, hoe
gevaarlijk ook en waarschuwde allen opdat men het algemeen eens was
betreffende deze fabel.
Bij het hooren van dit verhaal, gaven de inboorlingen geen bewijzen van
vreugde, noch teekenen van verdriet. Alleen was er groote verwondering
op hun gelaat te lezen en wat zij overigens dachten, was onmogelijk
te raden.
Den 2n Mei was het aantal inboorlingen die van de andere deelen des
eilands waren samengestroomd, waarlijk onrustbarend en weldra merkte
Bligh op dat zij vijandige plannen hadden. Eenige beproefden zelfs
de sloep op het strand te slepen en lieten dit voornemen eerst varen
bij de nadrukkelijke vertogen van den kapitein, die hen met zijn
hartsvanger in ontzag moest houden. Gedurende dien tijd, kwamen
eenige zijner manschappen, die Bligh had uitgezonden, met eenige
gallons water terug.
Het was meer dan tijd dit ongastvrije oord te verlaten. Bij het
ondergaan der zon was alles gereed, maar het was niet gemakkelijk de
sloep te bereiken. Het strand was bezaaid met inboorlingen die steenen
tegen elkander aansloegen en ze gereed hielden om te werpen. De sloep
moest zich dus op eenige vademen van het strand verwijderd houden en
slechts dan aanlanden, als de mannen gereed waren zich in te schepen.
De Engelschen waren nu ernstig ongerust over de vijandige neigingen
der inboorlingen; zij klommen weder naar het strand af, te midden van
tweehonderd inboorlingen, die slechts op een teeken wachtten om zich
op hen te werpen. Evenwel waren allen gelukkig in de sloep gekomen,
toen een der matrozen, Bancroft genaamd, op het noodlottig idée
kwam naar het strand terug te keeren om 't een of andere voorwerp
te zoeken dat hij er had achtergelaten. Binnen een seconde werd de
onvoorzichtige door de inboorlingen omringd en door steenen gedood,
zonder dat zijne metgezellen, die geen enkel vuurwapen bezaten, hem
konden te hulp komen. Doch ook zij zelven werden op dat oogenblik
aangegrepen en met een hagel van steenen begroet.
»Komt, jongens," riep Bligh, »aan de riemen en flink doorgeroeid!"
De inboorlingen begaven zich toen in zee en deden opnieuw een
hagelbui van keien op de sloep regenen. Verscheidene mannen werden
gekwetst. Maar Hayward, raapte een steen op die in de sloep gevallen
was, mikte op een van de aanvallers en raakte hem midden op het
voorhoofd. De inboorling viel omver, een doordringenden schreeuw
gevende, die beantwoord werd door de hoera's der Engelschen. Hun
ongelukkige kameraad was gewroken.
Intusschen staken verscheidene prauwen van het strand af en zetten
hen achterna. Deze vervolging kon slechts met een gevecht eindigen,
waarvan de uitslag misschien niet gelukkig geweest ware, toen
de equipagemeester een goeden inval kreeg. Niet wetende dat hij
Hippomenes in zijne worsteling met Atalantes navolgde, ontdeed hij
zich van zijn boezeroen en wierp het in zee. De inboorlingen lieten
hun prooi los en hielden zich op om zich van het boezeroen meester
te maken, waardoor de sloep om den hoek der baai heen kon varen.
Middelerwijl was nu de nacht geheel aangebroken en gaven de
inboorlingen ontmoedigd, de vervolging van de sloep op.
Deze eerste poging om ergens aan land te komen was al te ongelukkig
tegengeloopen om opnieuw te beproeven; dit was althans de raad van
kapitein Bligh.
»Wij moeten nu een besluit nemen," zeide hij. »Ik ben er zeker van
dat wat op Tofoa is voorgevallen, zich op Tonga-Tabou en overal
waar we zouden willen aanlanden, zal herhalen. Met ons klein getal,
zonder vuurwapenen, zullen we geheel aan de genade der inboorlingen
zijn overgeleverd. Zonder voorwerpen om te ruilen, kunnen we geen
levensmiddelen koopen, en 't is ons onmogelijk ze ons met geweld te
verschaffen. Wij zijn dus alleen aan onze hulpmiddelen overgelaten. Nu
weet je evengoed als ik, vrienden, hoe ellendig die zijn! Maar is het
niet beter er ons mee te vergenoegen dan bij elke landing het leven
van verscheidene onzer te wagen? En toch wil ik u het verschrikkelijke
van onzen toestand niet ontveinzen. Om Timor te bereiken, moeten we
nagenoeg twaalfhonderd mijlen afleggen en zult ge u moeten vergenoegen
met een ons beschuit per dag en een kwart pint water! Tegen dien prijs
alleen is er nog redding mogelijk en op die voorwaarde dan nog dat ik
de meest mogelijke gehoorzaamheid bij u zal ontmoeten. Antwoordt me
zonder omwegen, ronduit, vindt ge goed de onderneming te wagen? Zweert
ge mijne bevelen na te komen, welke ze ook zijn mogen? Belooft ge
zonder morren u aan al deze ontberingen te onderwerpen?"
»Ja, ja, we zweren het!" riepen als uit één mond de metgezellen van
Bligh uit.
»Mijne vrienden," hernam de kapitein, »ook moeten we onze wederzijdsche
tekortkomingen, onze antipathiën en onzen haat vergeten, in een
woord onzen persoonlijken afkeer opofferen aan het algemeen belang,
dat alleen ons moet leiden!"
»We beloven het."
»Als je je woord houdt," voegde Bligh er bij, »en desnoods zal ik je
er toe noodzaken, sta ik voor je redding in."
De weg was toen naar 't O.-N.-O. De wind, die vrij sterk was, ging
in den avond van 4 Mei in storm over. De golven werden zoo hoog,
dat de boot somtijds geheel tusschen haar wegdook en scheen zich niet
weder te kunnen verheffen. Het gevaar nam elk oogenblik toe. Doornat
en koud, hadden de ongelukkigen om zich wat op te wekken, niets dan
een kop thee met wat rum en het vierde van een half verrotte vrucht
van den broodboom.
Den dag daarop en de volgende dagen, kwam er geen verandering in
den toestand. De boot ging tusschen ontelbare eilanden door, waarvan
eenige prauwen afstaken.
Geschiedde dit om hen na te zetten of was het om eenige voorwerpen
in ruil aan te bieden? In dezen twijfel zou het onvoorzichtig geweest
zijn zich op te houden. Ook had de sloep, waarvan de zeilen door een
goeden wind uitgezet waren, ze weldra ver achtergelaten.
Den 9n Mei, barstte er een vreeselijke storm los. Donder en bliksem
volgden elkaar onophoudelijk op. De regen viel met een kracht waarvan
de hevigste stormen onzer klimaten geen denkbeeld kunnen geven. Het
was onmogelijk de kleederen te doen drogen. Bligh kwam toen op de
gedachte ze in zeewater te dompelen en ze op die wijze met zout te
laten doortrekken, teneinde de huid een weinig van de warmte terug te
geven, die haar door den regen ontnomen was. Intusschen bespaarden
die stortregens, die den kapitein en zijne metgezellen zooveel leed
berokkenden, hun andere martelingen nog veel verschrikkelijker, de
martelingen van den dorst namelijk, die eene onverdraaglijke hitte
weldra zou hebben doen ontstaan.
Den 17n Mei, 's morgens, werden na een vreeselijken storm, de klachten
algemeen:
»Nooit zullen we de kracht hebben Nieuw-Holland te bereiken," riepen
de ongelukkigen uit. »Doornat van den regen, uitgeput van vermoeienis,
zullen we nooit een oogenblik rust hebben! We zijn half dood van den
honger en toch versterkt u onze rantsoenen niet, kapitein! Wat komt
het er op aan dat onze levensmiddelen op raken. We kunnen bij onze
aankomst op Nieuw-Holland ze immers gemakkelijk vernieuwen!"
»'k Moet weigeren," antwoordde Bligh. »'t Zou met recht gekkenwerk
wezen. Wat! we hebben nog slechts den afstand afgelegd die ons
van Australië scheidt, en je verliest nu den moed al! En geloof je
bovendien gemakkelijk levensmiddelen te zullen vinden op de kust van
Nieuw-Holland? Je schijnt het land en zijn bewoners niet te kennen!"
Bligh schilderde toen in breede trekken den aard van den bodem,
de zeden der inboorlingen, het weinige vertrouwen dat men in een
goede ontvangst moest stellen, allen zaken die hij op zijn reis
met kapitein Cook had leeren kennen. Dezen keer nog, hoorden zijne
ongelukkige lotgenooten hem aan en zwegen.
De volgende veertien dagen mocht men zich in heldere zonneschijn
verheugen, die hun de gelegenheid aanbood om hunne kleederen op te
drogen. Den 27n kwamen zij over de branding die de oostkust van
Nieuw-Holland omgeeft. De zee was kalm achter deze koraalriffen
en eenige groepen eilanden met exotischen plantengroei, verheugden
hunne blikken.
Men ontscheepte zich en betrad de kust met de grootste voorzorgen. Men
vond geen andere sporen van het verblijf der inboorlingen dan oude
vuurplaatsen. Het was dus mogelijk een goeden nacht aan land door
te brengen.
Doch men moest eten. Bij toeval ontdekte een der matrozen een
oesterbank. Dat was een echte smulpartij.
Den volgenden dag vond Bligh in de sloep een vergrootglas, een vuurslag
en zwavel. Hij was dus in staat zich vuur te verschaffen om het wild
of de visch te braden.
Bligh kwam toen op het denkbeeld zijn equipage in drie afdeelingen
te verdeelen: de eene moest alles in de boot in order brengen; de
twee andere moesten op levensmiddelen uitgaan. Maar velen hunner
beklaagden zich over deze taak en zagen liever van hun diner af dan
zich in de wildernis te wagen.
Een van hen, heftiger of meer ontzenuwd dan zijne kameraden, ging
zelfs zoo ver om aan den kapitein te zeggen:
»De een is niets beter dan de andere en 'k zie niet in waarom u altijd
achter zoudt blijven om uit te rusten! Als u honger hebt, ga dan eten
zoeken! Voor 't geen u hier te doen hebt, zal 'k u wel vervangen!"
Bligh, die begreep dat deze geest van oproer in de geboorte moest
gesmoord worden, greep een hartsvanger, wierp een ander voor de voeten
van den oproermaker en riep hem toe:
»Verdedig je of ik steek je overhoop!"
Deze krachtige houding deed den oproerling dadelijk tot bedaren komen
en het algemeene misnoegen kalmeeren.
Bij deze landing deed de equipage der sloep een ruimen voorraad op
van oesters, kammosselen en zoet water.
Een weinig verder, in de straat van Endeavour, kwam een der troepen
die op de jacht van schildpadden en van zeezwaluwen waren uitgezonden,
met ledige handen terug; de andere troep bracht zes zeezwaluwen mede,
maar deze zouden er veel meer gevangen hebben als niet een der jagers
zoo koppig geweest was om van zijne kameraden af te gaan en deze vogels
te verschrikken. Deze man bekende later dat hij zich van negen dezer
vogels had meester gemaakt en ze rauw op de plaats zelve opgegeten had.
Zonder de levensmiddelen en het zoet water dat zij op de kust van
Nieuw-Holland gevonden hadden, zouden Bligh en zijne kameraden
ongetwijfeld omgekomen zijn. Overigens verkeerden allen in een
beklagenswaardigen toestand, vermagerd, vervallen, uitgeput, niet
veel meer dan lijken.
De reis in volle zee, om Timor te bereiken, was slechts de smartelijke
herhaling van het lijden dat deze ongelukkigen reeds doorgestaan
hadden alvorens de kusten van Nieuw-Holland te bereiken. Het vermogen
om weerstand te bieden was evenwel bij allen zonder uitzondering,
gebroken. Na eenige dagen, zwollen hunne beenen op. In dien toestand
van buitengewone zwakte werden zij overvallen door een bijna
voordurenden lust om te slapen. Dit waren de voorteekenen van een
einde dat niet veraf meer kon zijn. Bligh, die dit opmerkte, deelde
aan de meest verzwakten een dubbel rantsoen uit en trachtte hun een
weinig hoop te geven.
Eindelijk kwam den 12n Juni 's morgens, na een overtocht van
drie duizend zes honderd achttien mijlen, in verschrikkelijke
omstandigheden, de kust van Timor in 't gezicht.
De ontvangst die de Engelschen te Coupang genoten, was buitengewoon
gastvrij en deelnemend. Zij bleven er twee maanden om zich te
herstellen. Nadat Bligh toen aldaar een kleinen schoener gekocht had,
bereikte hij Batavia, alwaar hij zich voor Engeland inscheepte.
Den 14n Maart, 1790 liepen de verlatenen te Portsmouth binnen. Het
verhaal van het lijden dat zij doorgestaan hadden wekte de algemeene
deelneming en verontwaardiging van weldenkenden op. Bijna onmiddellijk
ging de Admiraliteit over tot de uitrusting van het fregat de
_Pandora_, van vier en twintig stukken en honderd zestig man en zond
haar uit ter vervolging van de oproerlingen der _Bounty_.
Men zal zien wat er van hen geworden was.