XI.

Waarin Kin-Fo de beroemdste man van het Hemelsche Rijk wordt.

Men kon Wang niet op het spoor komen. Kin-Fo liep gevaar razend

te worden door de werkeloosheid, waartoe hij zich gedwongen zag,

want hij kon zelfs geen pogingen doen om den philosoof te vinden,

daar hij verdwenen was zonder eenig spoor achter te laten.

Deze loop van zaken stond den hoofdagent van _de Eeuw_ niet bijzonder

aan. Eerst had hij gedacht dat het hier geen ernstig geval gold,

dat Wang zijne belofte niet zou houden, omdat zulke zonderlingheden

zelfs in het excentrieke Amerika niet zouden voorkomen,--maar hij kwam

allengs tot de overtuiging, dat in het vreemde land, 't welk men het

Hemelsche Rijk noemde, niets onmogelijk was. Ten slotte werd hij het

eens met Kin-Fo, dat de philosoof, als men hem niet kon opsporen, zijn

gegeven woord gestand zou doen. Zijn verdwijnen wekte het vermoeden,

dat hij zijn voornemen dan zou volvoeren als zijn leerling er het

minst op bedacht was en dat hij dan als een bliksemstraal met snelle

en zekere hand den doodelijken stoot zou toebrengen. En dan zou hij,

na den brief op het lichaam van zijn slachtoffer gelegd te hebben,

dood bedaard naar de bureaux van _de Eeuw_ wandelen om zijn deel van

het verzekerde kapitaal op te eischen.

Men moest Wang voorkomen; maar hem direct voorkomen, ging niet aan.

William J. Bidulph besloot daarop op indirecte wijze en wel door de

pers op Wang te werken. Binnen enkele dagen werden aan alle Chineesche

bladen missiven gericht en aan de hoofdorganen in de beide werelddeelen

telegrammen gezonden.

De _Tching-Pao_, het officieele blad van Peking, de Chineesche bladen

te Shang-Haï en te Hong-Kong, de meest verspreide bladen van Europa

en Amerika, behelsden herhaaldelijk de volgende advertentie:

»De heer Wang van Shang-Haï wordt verzocht om de overeenkomst, door

hem 2 Mei jl. aangegaan met den heer Kin-Fo, als niet geschied te

beschouwen, daar gezegde heer Kin-Fo slechts één wensch koestert,

nl. honderd jaar oud te worden."

Deze zonderlinge annonce werd gevolgd door een ander die er wat

practischer uitzag:

»Tweeduizend dollars of dertienhonderd taëls zullen uitgekeerd

worden aan hem die aan William J. Bidulph, hoofdagent van _de Eeuw_

te Shang-Haï, weet mee te deelen waar zich de heer Wang, in genoemde

plaats woonachtig geweest, thans bevindt."

Het was niet aannemelijk te achten, dat Wang in de vijf en vijftig

dagen die hem waren gegeven om zijne belofte te houden, aan het reizen

was getrokken. Het was veel waarschijnlijker, dat hij zich in de

omstreken van Shang-Haï ophield om van elke gelegenheid gebruik te

maken; William J. Bidulph achtte het echter zaak om op alles gevat

te zijn.

Verscheidene dagen gingen voorbij en er kwam geen verandering

in den toestand. Eindelijk begonnen de aanplakbiljetten, in echt

Amerikaanschen stijl de openbare aandacht te trekken en de algemeene

vroolijkheid op te wekken. Men zag er met groote letters en sprekende

kleuren Wang! Wang!! Wang!!! op staan en niet minder duidelijk de

woorden Kin-Fo! Kin-Fo!! Kin-Fo!!!

Men lachte er om tot in de meest afgelegen provinciën van het

Hemelsche Rijk.

»Waar is Wang?"

»Wie weet er waar Wang is?"

»Waar blijft Wang?"

»Wat doet Wang?"

»Wang! Wang! Wang!" riepen de kleine Chineesjes in koor langs de

straten, en dezelfde vragen waren weldra in ieders mond.

En Kin-Fo, die waardige zoon van het Hemelsche Rijk, »die slechts

één wensch koesterde, nl. honderd jaar oud te worden," die dus in

lengte van levensduur wilde wedijveren met den beroemden olifant,

wiens twintigste lustrum juist in het Stallenpaleis te Peking gevierd

was, Kin-Fo werd weldra de held van den dag.

»Welnu, hoe is het; wordt mijnheer Kin-Fo al ouder?"

»Hoe vaart hij?"

»Is zijn eetlust goed?"

»Hoe staan zijn vooruitzichten op het gele kleed?" [5]

»Dergelijke spotachtige vragen hoorde men van burgerlijke en militaire

mandarijnen als zij elkander ontmoetten, van kooplieden op de beurs of

in hun kantoor, van arbeidslieden op de straat en van de bootslieden

in hunne drijvende steden.

't Zijn vroolijke en satirieke lui, die Chineezen, en men moet

erkennen dat hier wel reden was om eens te lachen. Weldra had ieder

er dan ook een eigen geestigheid op bedacht en op de aanplakborden

en de particuliere muren wemelde het spoedig van allerlei karikaturen.

Kin-Fo leed veel onder al het onaangename van deze zonderlinge

vermaardheid. Men maakte zelfs een lied op hem op de wijs van het

»Man-tchiang-houng", de wind die door de wilgen blaast. Er verscheen

een berijmde klacht, waarin hij sprekende opgevoerd werd: de _Vijf

nachtwaken van den Honderdjarige_! Welk een verleidelijke titel en

welk een debiet had het, daar het slechts drie sapeken kostte!

Of al die ophef Kin-Fo al verdroot, de heer William J. Bidulph

verheugde zich over de ruchtbaarheid die de zaak kreeg; maar Wang

kwam in weerwil daarvan niet te voorschijn.

De zaken kwamen eindelijk zoo ver, dat de positie van Kin-Fo onhoudbaar

werd. Als hij zich buiten de deur vertoonde, vergezelde hem een stoet

van beiderlei geslacht en van allerlei leeftijd op de straten, langs de

kaden, zelfs in de Engelsche, Fransche en Amerikaansche nederzettingen,

en dwars door de velden. Kwam hij thuis, dan moest hij door een hoop

straatjongens heen worstelen, voordat hij zijn yamen kon binnentreden.

Elken ochtend dwong men hem om op het balkon van zijn kamer te

verschijnen, opdat elkeen zien zou dat hij nog geen definitief

bezit genomen had van zijn doodkist in de kiosk van het »Leven." De

dagbladen bevatten dagelijks een spot-bulletin betreffende zijn

toestand, met allerlei ironische toespelingen, als behoorde hij onder

de leden der regeerende dynastie der Tsings. Hij werd ten slotte meer

dan belachelijk.

Op zekeren dag, 21 Mei, kwam dan ook de veelgeplaagde Kin-Fo zijn

vriend William J. Bidulph opzoeken, om hem te vertellen dat hij

terstond op reis ging. Hij had eindelijk genoeg van Shang-Haï en

de Shang-Haïers!

»Misschien loopt u op reis nog meer gevaar!" merkte de agent zeer

terecht op.

»'t Kan me niet schelen!" antwoordde Kin-Fo. »Neem u maar voorzorgen."

»En waar gaat u heen?"

»Den weg die voor mij ligt."

»En waar houdt u op?"

»Nergens."

»Wanneer komt u terug?"

»Nooit!"

»En als ik wat van Wang hoor?"

»Loop naar den duivel met Wang! Uil die ik was, dat ik hem ook dien

dwazen brief gaf!"

Eigenlijk brandde Kin-Fo van begeerte om den wijsgeer terug te

vinden. Dat zijn leven in de macht van den ex-Taï-ping was, begon

hem bitter te verdrieten. Het bezwaarde hem letterlijk. Een maand

langer in die positie zou hij nooit uithouden! Het lam was geheel

van karakter veranderd!

»Welnu, ga op reis," sprak William J. Bidulph, toen hij zag dat er

niets aan te doen was. »Craig en Fry zullen u overal volgen, waar u

ook heengaat."

»'t Is _mij_ wel," antwoordde Kin-Fo, »maar ik waarschuw u vooraf

dat ik ze zal laten draven.

»Zij zullen draven, mijn waarde heer, zij zullen draven; het zijn

geen lui die zuinig op hun beenen zijn!"

Kin-Fo ging daarop huiswaarts en maakte zijne toebereidselen, zonder

een oogenblik tijd te verliezen.

Soun moest zijn meester vergezellen--tot zijn grooten spijt, want

hij hield niet van veranderingen. Maar hij zweeg, want de opmerking

zou hem ongetwijfeld weder een stuk van zijn staart gekost hebben.

Wat Craig en Fry betreft, als echte Amerikanen zagen zij niet tegen

verplaatsing op, en waren zij steeds bereid om op het eerste woord

naar het andere einde der wereld te gaan. De eenige vraag die zij

zich veroorloofden was:

»Waar gaat mijnheer naar toe?"

»Eerst naar Nan-King en vervolgens naar den duivel!"

Om beider lippen vertoonde zich tegelijkertijd een glimlach. Ze waren

verrukt! Naar den duivel! Niets viel beter in hun smaak! Slechts enkele

oogenblikken om afscheid van den heer William J. Bidulph te nemen en

nu kwamen zij terug in Chineesche kleederdracht om op hunne reis door

het Hemelsche Rijk minder de aandacht der bevolking te trekken.

Een uur later waren Craig en Fry met den reiszak omhangen en revolvers

gewapend weder in de yamen terug en bij het vallen van den avond

verlieten Kin-Fo en zijne gezellen zeer geheimzinnig de haven van

de Amerikaansche nederzetting met de stoomboot die van Shang-Haï op

Nan-King vaart.

Deze reis is slechts een uitstapje. In minder dan twaalf uur kan een

goede boot, die bij de afvaart van de eb profiteert, langs de Blauwe

Rivier de oude hoofdstad van zuidelijk China bereiken.

Gedurende dien overtocht droegen Craig en Fry voor hun kostbaren Kin-Fo

de teederste zorgen, na vooraf al de overige passagiers nauwkeurig

opgenomen te hebben. Zij kenden den wijsgeer van aanzien--wie van al

de bewoners der buitenlandsche nederzettingen kende zijne beminnelijke

verschijning niet?--en zij hadden zich overtuigd, dat hij hen niet

aan boord gevolgd was. Nadat deze voorzorg genomen was, hadden zij

gelegenheid om al hunne attenties aan den verzekerde van _de Eeuw_

te wijden; zij onderzochten met hunne handen de stevigheid der

verschansing waartegen hij leunde, der treden van de trap waarop

hij den voet zette, zij lokten hem ver van den stoomketel welks

constructie hun verdacht voorkwam, verzochten hem zich niet bloot te

stellen aan de koude nachtlucht, keken of de luikjes van zijn hut wel

vertrouwd en waterdicht waren, berispten Soun, dien luien knecht, die

er nooit was als zijn meester hem noodig had, vervingen hem somtijds

als Kin-Fo thee en koekjes verlangde en legden zich ten slotte in de

tweede nachtwake geheel gekleed voor de deur van zijn hut te rusten,

met veiligheidsgordels aan hunne zijde en gereed om hem ter hulp

te snellen, als door aanvaring of eenig ander ongeluk de stoomboot

gevaar mocht loopen in de diepte der rivier te verdwijnen. Maar er

gebeurde niets wat Craig en Fry gelegenheid gaf om hunne getrouwheid

en gehechtheid aan den persoon van Kin-Fo door daden te bewijzen. De

stoomboot zakte snel den Wou-Sang af, liep uit in den Yang-tse-Kiang of

Blauwe Rivier, voer langs het Tsong-Ming eiland, liet de vuurtorens van

Ourong en Langchan achter zich, kwam met het getij door de provincie

Kiang-Sou en zette 22 Mei hare passagiers behouden en wel op de kade

van de oude Keizersstad af.

Dank zij de zorg der beide gedienstige geesten, was de staart van Soun

gedurende dit gedeelte van de reis geen streep korter geworden. De

luiaard had dus geen reden tot klagen.

't Was niet zonder reden, dat Kin-Fo na zijn vertrek uit Shang-Haï

eerst naar Nan-King gegaan was. Hij meende eenige kans te hebben om

den philosoof daar aan te treffen.

Wang had zich door zijne herinneringen aangetrokken kunnen gevoelen

door deze ongelukkige stad, het voornaamste tooneel van den opstand

der Tchang-Mao's. Was zij indertijd niet in het bezit genomen en

verdedigd door dien eenvoudigen schoolmeester, later den geduchten Rong

Siéou-Tsien, die keizer der Taï-pings werd en het Mantschourijsche

gezag zoo lang in toom hield? Was in deze stad het nieuwe tijdperk

van den Grooten Vrede [6] niet door hem afgekondigd? Had hij daar

in 1864 geen vergif ingenomen, om te voorkomen dat hij levend in

handen zijner vijanden viel? Uit het oude koningspaleis daar ter

stede ontsnapte zijn jonge zoon, wiens hoofd weldra daarna door de

Imperialisten werd afgehouwen! Werden Rong Siéou-Tsien's beenderen

niet nog uit de puinhoopen der verbrande stad opgedolven om tot een

prooi der onreine roofdieren te strekken? Waren, om alles in eens te

zeggen, niet binnen drie dagen honderdduizend van Wangs oude gezellen

en vrienden in deze provincie om het leven gebracht?....

Het was dus wel mogelijk dat de wijsgeer, geleid door een soort van

heimwee, dat hem beving na de verandering in zijne gewone levenswijze,

naar deze plaatsen getrokken was en zich hier aan zijne persoonlijke

herinnering had overgegeven! Hij zou van hier toch weder binnen enkele

uren te Shang-Haï kunnen zijn, om den stoot toe te brengen....

Daarom was Kin-Fo eerst naar Nan-King gegaan en koos hij deze stad

als eerste pleisterplaats op zijne reis. Als hij er Wang aantrof zou

men terstond tot eene verklaring komen en de belachelijke zaak zou

daarmede uit zijn. Als Wang er niet te vinden was, zou Kin-Fo zijne

omzwervingen door het Hemelsche Rijk voortzetten tot den dag waarop

de overeenkomst afgeloopen was en hij niets meer van zijn ouden

leermeester en vriend zou te vreezen hebben.

Kin-Fo, door Craig en Fry vergezeld en door Soun gevolgd, begaf

zich nu naar een hotel, in een der slechts half bevolkte kwartieren

gelegen, waaromheen zich drievierde gedeelte der oude hoofdstad als

een woestijn uitstrekt.

»Ik reis onder den naam van Ki-Nan", zeide Kin-Fo tegen zijne

metgezellen, »en ik verzoek u dat mijn vorige naam, onder geen

voorwendsel hoegenaamd, nooit meer uitgesproken worde."

»Ki..." zeide Craig.

»Nan" vulde Fry aan.

»Ki-Nan" herhaalde Soun.

Men begrijpt dat Kin-Fo, nu hij zijne Shang-Haïsche vermaardheid

ontvluchtte, geen lust had om die op zijn reis terug te

vinden. Overigens had hij Craig en Fry ook niet gesproken over de

mogelijkheid dat de philosoof te Nan-King zijn zou. Deze vreesachtige

agenten zouden met een overdaad van voorzorgen voor den dag zijn

gekomen, die van hun standpunt wel te rechtvaardigen waren, doch die

Kin-Fo hartelijk verveelden. In waarheid, als zij met een millioen

in hun zak door eene verdachte streek hadden moeten reizen, zouden

zij niet voorzichtiger hebben kunnen zijn dan nu. 't Was dan ook

weinig minder dan een millioen, dat de maatschappij _de Eeuw_ aan

hunne zorgen had toevertrouwd!

De geheele dag werd besteed aan het bezoeken der straten, pleinen

en bijzonderheden van Nan-King. Van de West- tot de Oostpoort, van

het noorden naar het zuiden, werd de stad, die overal van vervallen

grootheid getuigde, doorkruist. Kin-Fo stapte stevig door, sprak

weinig, maar keek goed om zich heen.

Geen enkel verdacht gelaat vertoonde zich, noch op de kanalen, die door

de heffe des volks bezocht werden, noch in de met tegels bevloerde

straten, tusschen puinhoopen van huizen, waar gras en onkruid steeds

welig tierde. Men zag er geen vreemdeling onder de half verwoeste

marmeren zuilengangen, de verbrande stukken muur die de plek aanwezen

waar het keizerlijke paleis, het tooneel van de hevigste worsteling,

gestaan had, waar Wang ongetwijfeld tot het laatste oogenblik stand

gehouden had. Niemand trachtte zich te onttrekken aan de blikken der

bezoekers, noch in den omtrek van de yamen der katholieke zendelingen,

die de Nan-Kingers in 1870 wilden vermoorden, noch in de buurt van

de wapenfabriek, pas opgericht met de onvernielbare overblijfsels van

den porceleinen toren, waarmede de Taï-pings den grond bedekt hadden.

Kin-Fo, die onvermoeid scheen te zijn, liep steeds voorwaarts. Altijd

van nabij gevolgd door zijne beide onvermoeibare satellieten en in de

verte door den ongelukkigen Soun, die aan zulke tochten niet gewend

was, verliet hij de Oostpoort en waagde zich op de verlaten vlakte.

Daar vertoonde zich een onafzienbare laan, aan elke zijde door

monsterachtige dieren van graniet bezet.

Kin-Fo volgde die laan met versnelden stap.

Aan het einde verhief zich een kleine tempel. Daarachter bevond zich

een graf heuvel. Hier was de rustplaats van Rong-Ou, een priester

die keizer geworden was, een van die hardnekkige vaderlanders

die, vijf eeuwen geleden, tegen de vreemde overheersching hadden

gestreden. Zou de philosoof zich hier niet vermeid hebben in de

roemvolle herinneringen, op het graf zelf, waar de stichter van de

dynastie der Mings rustte!

De grafheuvel was eenzaam, de tempel verlaten. Men zag er niet anders

dan kolossale beelden, ten nauwernood in het marmer uitgebeiteld en

fantastische gedierten, die ter bewaking schenen te dienen.

Maar op de deur van den tempel bespeurde Kin-Fo, niet zonder eenige

ontroering, eenige teekens, die er door een menschenhand op gegrift

waren. Hij trad wat dichter bij en las deze drie letters:

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 15 / 36 题