Waarin Kin-Fo de beroemdste man van het Hemelsche Rijk wordt.
Men kon Wang niet op het spoor komen. Kin-Fo liep gevaar razend
te worden door de werkeloosheid, waartoe hij zich gedwongen zag,
want hij kon zelfs geen pogingen doen om den philosoof te vinden,
daar hij verdwenen was zonder eenig spoor achter te laten.
Deze loop van zaken stond den hoofdagent van _de Eeuw_ niet bijzonder
aan. Eerst had hij gedacht dat het hier geen ernstig geval gold,
dat Wang zijne belofte niet zou houden, omdat zulke zonderlingheden
zelfs in het excentrieke Amerika niet zouden voorkomen,--maar hij kwam
allengs tot de overtuiging, dat in het vreemde land, 't welk men het
Hemelsche Rijk noemde, niets onmogelijk was. Ten slotte werd hij het
eens met Kin-Fo, dat de philosoof, als men hem niet kon opsporen, zijn
gegeven woord gestand zou doen. Zijn verdwijnen wekte het vermoeden,
dat hij zijn voornemen dan zou volvoeren als zijn leerling er het
minst op bedacht was en dat hij dan als een bliksemstraal met snelle
en zekere hand den doodelijken stoot zou toebrengen. En dan zou hij,
na den brief op het lichaam van zijn slachtoffer gelegd te hebben,
dood bedaard naar de bureaux van _de Eeuw_ wandelen om zijn deel van
het verzekerde kapitaal op te eischen.
Men moest Wang voorkomen; maar hem direct voorkomen, ging niet aan.
William J. Bidulph besloot daarop op indirecte wijze en wel door de
pers op Wang te werken. Binnen enkele dagen werden aan alle Chineesche
bladen missiven gericht en aan de hoofdorganen in de beide werelddeelen
telegrammen gezonden.
De _Tching-Pao_, het officieele blad van Peking, de Chineesche bladen
te Shang-Haï en te Hong-Kong, de meest verspreide bladen van Europa
en Amerika, behelsden herhaaldelijk de volgende advertentie:
»De heer Wang van Shang-Haï wordt verzocht om de overeenkomst, door
hem 2 Mei jl. aangegaan met den heer Kin-Fo, als niet geschied te
beschouwen, daar gezegde heer Kin-Fo slechts één wensch koestert,
nl. honderd jaar oud te worden."
Deze zonderlinge annonce werd gevolgd door een ander die er wat
practischer uitzag:
»Tweeduizend dollars of dertienhonderd taëls zullen uitgekeerd
worden aan hem die aan William J. Bidulph, hoofdagent van _de Eeuw_
te Shang-Haï, weet mee te deelen waar zich de heer Wang, in genoemde
plaats woonachtig geweest, thans bevindt."
Het was niet aannemelijk te achten, dat Wang in de vijf en vijftig
dagen die hem waren gegeven om zijne belofte te houden, aan het reizen
was getrokken. Het was veel waarschijnlijker, dat hij zich in de
omstreken van Shang-Haï ophield om van elke gelegenheid gebruik te
maken; William J. Bidulph achtte het echter zaak om op alles gevat
te zijn.
Verscheidene dagen gingen voorbij en er kwam geen verandering
in den toestand. Eindelijk begonnen de aanplakbiljetten, in echt
Amerikaanschen stijl de openbare aandacht te trekken en de algemeene
vroolijkheid op te wekken. Men zag er met groote letters en sprekende
kleuren Wang! Wang!! Wang!!! op staan en niet minder duidelijk de
woorden Kin-Fo! Kin-Fo!! Kin-Fo!!!
Men lachte er om tot in de meest afgelegen provinciën van het
Hemelsche Rijk.
»Waar is Wang?"
»Wie weet er waar Wang is?"
»Waar blijft Wang?"
»Wat doet Wang?"
»Wang! Wang! Wang!" riepen de kleine Chineesjes in koor langs de
straten, en dezelfde vragen waren weldra in ieders mond.
En Kin-Fo, die waardige zoon van het Hemelsche Rijk, »die slechts
één wensch koesterde, nl. honderd jaar oud te worden," die dus in
lengte van levensduur wilde wedijveren met den beroemden olifant,
wiens twintigste lustrum juist in het Stallenpaleis te Peking gevierd
was, Kin-Fo werd weldra de held van den dag.
»Welnu, hoe is het; wordt mijnheer Kin-Fo al ouder?"
»Hoe vaart hij?"
»Is zijn eetlust goed?"
»Hoe staan zijn vooruitzichten op het gele kleed?" [5]
»Dergelijke spotachtige vragen hoorde men van burgerlijke en militaire
mandarijnen als zij elkander ontmoetten, van kooplieden op de beurs of
in hun kantoor, van arbeidslieden op de straat en van de bootslieden
in hunne drijvende steden.
't Zijn vroolijke en satirieke lui, die Chineezen, en men moet
erkennen dat hier wel reden was om eens te lachen. Weldra had ieder
er dan ook een eigen geestigheid op bedacht en op de aanplakborden
en de particuliere muren wemelde het spoedig van allerlei karikaturen.
Kin-Fo leed veel onder al het onaangename van deze zonderlinge
vermaardheid. Men maakte zelfs een lied op hem op de wijs van het
»Man-tchiang-houng", de wind die door de wilgen blaast. Er verscheen
een berijmde klacht, waarin hij sprekende opgevoerd werd: de _Vijf
nachtwaken van den Honderdjarige_! Welk een verleidelijke titel en
welk een debiet had het, daar het slechts drie sapeken kostte!
Of al die ophef Kin-Fo al verdroot, de heer William J. Bidulph
verheugde zich over de ruchtbaarheid die de zaak kreeg; maar Wang
kwam in weerwil daarvan niet te voorschijn.
De zaken kwamen eindelijk zoo ver, dat de positie van Kin-Fo onhoudbaar
werd. Als hij zich buiten de deur vertoonde, vergezelde hem een stoet
van beiderlei geslacht en van allerlei leeftijd op de straten, langs de
kaden, zelfs in de Engelsche, Fransche en Amerikaansche nederzettingen,
en dwars door de velden. Kwam hij thuis, dan moest hij door een hoop
straatjongens heen worstelen, voordat hij zijn yamen kon binnentreden.
Elken ochtend dwong men hem om op het balkon van zijn kamer te
verschijnen, opdat elkeen zien zou dat hij nog geen definitief
bezit genomen had van zijn doodkist in de kiosk van het »Leven." De
dagbladen bevatten dagelijks een spot-bulletin betreffende zijn
toestand, met allerlei ironische toespelingen, als behoorde hij onder
de leden der regeerende dynastie der Tsings. Hij werd ten slotte meer
dan belachelijk.
Op zekeren dag, 21 Mei, kwam dan ook de veelgeplaagde Kin-Fo zijn
vriend William J. Bidulph opzoeken, om hem te vertellen dat hij
terstond op reis ging. Hij had eindelijk genoeg van Shang-Haï en
de Shang-Haïers!
»Misschien loopt u op reis nog meer gevaar!" merkte de agent zeer
terecht op.
»'t Kan me niet schelen!" antwoordde Kin-Fo. »Neem u maar voorzorgen."
»En waar gaat u heen?"
»Den weg die voor mij ligt."
»En waar houdt u op?"
»Nergens."
»Wanneer komt u terug?"
»Nooit!"
»En als ik wat van Wang hoor?"
»Loop naar den duivel met Wang! Uil die ik was, dat ik hem ook dien
dwazen brief gaf!"
Eigenlijk brandde Kin-Fo van begeerte om den wijsgeer terug te
vinden. Dat zijn leven in de macht van den ex-Taï-ping was, begon
hem bitter te verdrieten. Het bezwaarde hem letterlijk. Een maand
langer in die positie zou hij nooit uithouden! Het lam was geheel
van karakter veranderd!
»Welnu, ga op reis," sprak William J. Bidulph, toen hij zag dat er
niets aan te doen was. »Craig en Fry zullen u overal volgen, waar u
ook heengaat."
»'t Is _mij_ wel," antwoordde Kin-Fo, »maar ik waarschuw u vooraf
dat ik ze zal laten draven.
»Zij zullen draven, mijn waarde heer, zij zullen draven; het zijn
geen lui die zuinig op hun beenen zijn!"
Kin-Fo ging daarop huiswaarts en maakte zijne toebereidselen, zonder
een oogenblik tijd te verliezen.
Soun moest zijn meester vergezellen--tot zijn grooten spijt, want
hij hield niet van veranderingen. Maar hij zweeg, want de opmerking
zou hem ongetwijfeld weder een stuk van zijn staart gekost hebben.
Wat Craig en Fry betreft, als echte Amerikanen zagen zij niet tegen
verplaatsing op, en waren zij steeds bereid om op het eerste woord
naar het andere einde der wereld te gaan. De eenige vraag die zij
zich veroorloofden was:
»Waar gaat mijnheer naar toe?"
»Eerst naar Nan-King en vervolgens naar den duivel!"
Om beider lippen vertoonde zich tegelijkertijd een glimlach. Ze waren
verrukt! Naar den duivel! Niets viel beter in hun smaak! Slechts enkele
oogenblikken om afscheid van den heer William J. Bidulph te nemen en
nu kwamen zij terug in Chineesche kleederdracht om op hunne reis door
het Hemelsche Rijk minder de aandacht der bevolking te trekken.
Een uur later waren Craig en Fry met den reiszak omhangen en revolvers
gewapend weder in de yamen terug en bij het vallen van den avond
verlieten Kin-Fo en zijne gezellen zeer geheimzinnig de haven van
de Amerikaansche nederzetting met de stoomboot die van Shang-Haï op
Nan-King vaart.
Deze reis is slechts een uitstapje. In minder dan twaalf uur kan een
goede boot, die bij de afvaart van de eb profiteert, langs de Blauwe
Rivier de oude hoofdstad van zuidelijk China bereiken.
Gedurende dien overtocht droegen Craig en Fry voor hun kostbaren Kin-Fo
de teederste zorgen, na vooraf al de overige passagiers nauwkeurig
opgenomen te hebben. Zij kenden den wijsgeer van aanzien--wie van al
de bewoners der buitenlandsche nederzettingen kende zijne beminnelijke
verschijning niet?--en zij hadden zich overtuigd, dat hij hen niet
aan boord gevolgd was. Nadat deze voorzorg genomen was, hadden zij
gelegenheid om al hunne attenties aan den verzekerde van _de Eeuw_
te wijden; zij onderzochten met hunne handen de stevigheid der
verschansing waartegen hij leunde, der treden van de trap waarop
hij den voet zette, zij lokten hem ver van den stoomketel welks
constructie hun verdacht voorkwam, verzochten hem zich niet bloot te
stellen aan de koude nachtlucht, keken of de luikjes van zijn hut wel
vertrouwd en waterdicht waren, berispten Soun, dien luien knecht, die
er nooit was als zijn meester hem noodig had, vervingen hem somtijds
als Kin-Fo thee en koekjes verlangde en legden zich ten slotte in de
tweede nachtwake geheel gekleed voor de deur van zijn hut te rusten,
met veiligheidsgordels aan hunne zijde en gereed om hem ter hulp
te snellen, als door aanvaring of eenig ander ongeluk de stoomboot
gevaar mocht loopen in de diepte der rivier te verdwijnen. Maar er
gebeurde niets wat Craig en Fry gelegenheid gaf om hunne getrouwheid
en gehechtheid aan den persoon van Kin-Fo door daden te bewijzen. De
stoomboot zakte snel den Wou-Sang af, liep uit in den Yang-tse-Kiang of
Blauwe Rivier, voer langs het Tsong-Ming eiland, liet de vuurtorens van
Ourong en Langchan achter zich, kwam met het getij door de provincie
Kiang-Sou en zette 22 Mei hare passagiers behouden en wel op de kade
van de oude Keizersstad af.
Dank zij de zorg der beide gedienstige geesten, was de staart van Soun
gedurende dit gedeelte van de reis geen streep korter geworden. De
luiaard had dus geen reden tot klagen.
't Was niet zonder reden, dat Kin-Fo na zijn vertrek uit Shang-Haï
eerst naar Nan-King gegaan was. Hij meende eenige kans te hebben om
den philosoof daar aan te treffen.
Wang had zich door zijne herinneringen aangetrokken kunnen gevoelen
door deze ongelukkige stad, het voornaamste tooneel van den opstand
der Tchang-Mao's. Was zij indertijd niet in het bezit genomen en
verdedigd door dien eenvoudigen schoolmeester, later den geduchten Rong
Siéou-Tsien, die keizer der Taï-pings werd en het Mantschourijsche
gezag zoo lang in toom hield? Was in deze stad het nieuwe tijdperk
van den Grooten Vrede [6] niet door hem afgekondigd? Had hij daar
in 1864 geen vergif ingenomen, om te voorkomen dat hij levend in
handen zijner vijanden viel? Uit het oude koningspaleis daar ter
stede ontsnapte zijn jonge zoon, wiens hoofd weldra daarna door de
Imperialisten werd afgehouwen! Werden Rong Siéou-Tsien's beenderen
niet nog uit de puinhoopen der verbrande stad opgedolven om tot een
prooi der onreine roofdieren te strekken? Waren, om alles in eens te
zeggen, niet binnen drie dagen honderdduizend van Wangs oude gezellen
en vrienden in deze provincie om het leven gebracht?....
Het was dus wel mogelijk dat de wijsgeer, geleid door een soort van
heimwee, dat hem beving na de verandering in zijne gewone levenswijze,
naar deze plaatsen getrokken was en zich hier aan zijne persoonlijke
herinnering had overgegeven! Hij zou van hier toch weder binnen enkele
uren te Shang-Haï kunnen zijn, om den stoot toe te brengen....
Daarom was Kin-Fo eerst naar Nan-King gegaan en koos hij deze stad
als eerste pleisterplaats op zijne reis. Als hij er Wang aantrof zou
men terstond tot eene verklaring komen en de belachelijke zaak zou
daarmede uit zijn. Als Wang er niet te vinden was, zou Kin-Fo zijne
omzwervingen door het Hemelsche Rijk voortzetten tot den dag waarop
de overeenkomst afgeloopen was en hij niets meer van zijn ouden
leermeester en vriend zou te vreezen hebben.
Kin-Fo, door Craig en Fry vergezeld en door Soun gevolgd, begaf
zich nu naar een hotel, in een der slechts half bevolkte kwartieren
gelegen, waaromheen zich drievierde gedeelte der oude hoofdstad als
een woestijn uitstrekt.
»Ik reis onder den naam van Ki-Nan", zeide Kin-Fo tegen zijne
metgezellen, »en ik verzoek u dat mijn vorige naam, onder geen
voorwendsel hoegenaamd, nooit meer uitgesproken worde."
»Ki..." zeide Craig.
»Nan" vulde Fry aan.
»Ki-Nan" herhaalde Soun.
Men begrijpt dat Kin-Fo, nu hij zijne Shang-Haïsche vermaardheid
ontvluchtte, geen lust had om die op zijn reis terug te
vinden. Overigens had hij Craig en Fry ook niet gesproken over de
mogelijkheid dat de philosoof te Nan-King zijn zou. Deze vreesachtige
agenten zouden met een overdaad van voorzorgen voor den dag zijn
gekomen, die van hun standpunt wel te rechtvaardigen waren, doch die
Kin-Fo hartelijk verveelden. In waarheid, als zij met een millioen
in hun zak door eene verdachte streek hadden moeten reizen, zouden
zij niet voorzichtiger hebben kunnen zijn dan nu. 't Was dan ook
weinig minder dan een millioen, dat de maatschappij _de Eeuw_ aan
hunne zorgen had toevertrouwd!
De geheele dag werd besteed aan het bezoeken der straten, pleinen
en bijzonderheden van Nan-King. Van de West- tot de Oostpoort, van
het noorden naar het zuiden, werd de stad, die overal van vervallen
grootheid getuigde, doorkruist. Kin-Fo stapte stevig door, sprak
weinig, maar keek goed om zich heen.
Geen enkel verdacht gelaat vertoonde zich, noch op de kanalen, die door
de heffe des volks bezocht werden, noch in de met tegels bevloerde
straten, tusschen puinhoopen van huizen, waar gras en onkruid steeds
welig tierde. Men zag er geen vreemdeling onder de half verwoeste
marmeren zuilengangen, de verbrande stukken muur die de plek aanwezen
waar het keizerlijke paleis, het tooneel van de hevigste worsteling,
gestaan had, waar Wang ongetwijfeld tot het laatste oogenblik stand
gehouden had. Niemand trachtte zich te onttrekken aan de blikken der
bezoekers, noch in den omtrek van de yamen der katholieke zendelingen,
die de Nan-Kingers in 1870 wilden vermoorden, noch in de buurt van
de wapenfabriek, pas opgericht met de onvernielbare overblijfsels van
den porceleinen toren, waarmede de Taï-pings den grond bedekt hadden.
Kin-Fo, die onvermoeid scheen te zijn, liep steeds voorwaarts. Altijd
van nabij gevolgd door zijne beide onvermoeibare satellieten en in de
verte door den ongelukkigen Soun, die aan zulke tochten niet gewend
was, verliet hij de Oostpoort en waagde zich op de verlaten vlakte.
Daar vertoonde zich een onafzienbare laan, aan elke zijde door
monsterachtige dieren van graniet bezet.
Kin-Fo volgde die laan met versnelden stap.
Aan het einde verhief zich een kleine tempel. Daarachter bevond zich
een graf heuvel. Hier was de rustplaats van Rong-Ou, een priester
die keizer geworden was, een van die hardnekkige vaderlanders
die, vijf eeuwen geleden, tegen de vreemde overheersching hadden
gestreden. Zou de philosoof zich hier niet vermeid hebben in de
roemvolle herinneringen, op het graf zelf, waar de stichter van de
dynastie der Mings rustte!
De grafheuvel was eenzaam, de tempel verlaten. Men zag er niet anders
dan kolossale beelden, ten nauwernood in het marmer uitgebeiteld en
fantastische gedierten, die ter bewaking schenen te dienen.
Maar op de deur van den tempel bespeurde Kin-Fo, niet zonder eenige
ontroering, eenige teekens, die er door een menschenhand op gegrift
waren. Hij trad wat dichter bij en las deze drie letters: