IX.

Waarvan het slot, hoe vreemd het schijne, den lezer toch wel

niet verbazen zal.

»Welnu, Craig en Fry?" vroeg de heer William J. Bidulph den volgenden

morgen aan de twee agenten, die hij bepaaldelijk belast had het oog

te houden op den nieuwen verzekerde bij de maatschappij _de Eeuw_.

»Wel," antwoordde Craig, »wij hebben hem gisteren gevolgd op eene

wandeling, die hij door de omstreken van Shang-Haï deed, en..."

»Hij zag er zeker niet uit als iemand die van plan is een einde aan

zijn leven te maken," voegde Fry er bij.

»Toen het donker werd hebben wij hem gevolgd tot aan de deur van

zijn woning...."

»Die wij helaas niet binnen konden gaan."

»En van ochtend?" vroeg William J. Bidulph verder.

»Van ochtend," zeide Craig, »hebben wij gehoord dat hem evenmin iets

scheelde als...."

»De brug van Palikao," vulde Fry aan.

De agenten Craig en Fry, twee neven en echte Amerikanen, die in dienst

van _de Eeuw_ waren, vormden te zamen eigenlijk slechts een wezen. Zij

gingen zoo geheel in elkander op, dat de een voortdurend de volzinnen

van den andere aanvulde. Dezelfde hersens, dezelfde gedachten,

hetzelfde hart, dezelfde maag, dezelfde gebaren en gewoonten. Vier

armen, vier handen, vier beenen aan twee vereenigde lichamen. In een

woord: Siameesche tweelingen, waarvan een stoutmoedig chirurgijn den

vereenigingsband doorgesneden had.

»Dus is het u nog niet mogen gelukken in zijn woning door te

dringen?" vroeg William J. Bidulph.

»Nog..." begon Craig.

»Niet," zei Fry.

»'t Zal misschien moeilijk gaan," antwoordde de hoofdagent, »maar

't moet toch gebeuren. _De Eeuw_ heeft bij deze zaak niet alleen een

hooge premie te verdienen, maar loopt ook gevaar twee honderd duizend

dollars te verliezen! Wij moeten hem dus twee maanden surveilleeren

en misschien langer als hij zijn volgende quitantie betaalt."

»Er is een bediende...." zeide Craig.

»Dien men misschien zou kunnen gebruiken..." sprak Fry.

»Om alles te weten te komen..." vervolgde Craig.

»Wat er in het huis van Kin-Fo voorvalt," voltooide Fry.

»Hm!" sprak de heer William J. Bidulph. »Tracht dezen bediende te

lijmen. Koop hem om; hij zal wel gevoelig zijn voor den klank van

taëls en op taëls behoef je niet te zien. Zelfs als je de drieduizend

beleefdheidsvormen moest uitputten, die de Chineesche etiquette

tot haar dienst heeft, doe het gerust. Je zult je de moeite niet te

beklagen hebben."

»Nu, dat zal..." zeide Craig.

»Geschieden," sprak Fry.

En dit was de gewichtige reden waarom Craig en Fry kennis met Soun

trachtten aan te knoopen. Soun was er de man niet naar, om weerstand

te bieden aan den verleidelijken klank van taëls of het beleefde

aanbod van een paar glazen Amerikaanschen grog.

Craig en Fry vernamen dus door Soun alles wat zij verlangden te weten,

hetgeen ongeveer op het volgende neerkwam:

Had Kin-Fo in den laatsten tijd iets in zijne gewone levenswijze

veranderd?

Neen, 't eenige misschien was dat hij zich iets minder barsch toonde

jegens zijn zeer getrouwen dienstbode, dat de schaar niet meer

gebruikt werd, zeer ten bate van diens staart, en dat zijn rug schier

de rotting niet meer voelde.

Had Kin-Fo ook levensgevaarlijke wapenen te zijner beschikking?

Neen, hij behoorde tot die eerbiedwaardige categorie van menschen,

die een afkeer van vuur- en andere wapenen koesteren.

Wat at en dronk hij?

Zeer gewonen kost, zonder liflafjes of overdaad.

Hoe laat stond hij op?

Zoodra de vijfde nachtwake voorbij was, meestal als de dageraad,

bij het hanengekraai, den gezichtseinder begon te verhelderen.

Ging hij vroeg naar bed?

In de tweede nachtwake, zooals hij, voor zoover Soun wist, zijn leven

lang gedaan had.

Was hij treurig gestemd, bezorgd over iets, levensmoede?

't Was zeker niet wat men een vroolijk of opgewekt mensch

noemt. Integendeel! Maar in den laatsten tijd begon hij meer schik

in zijn leven te krijgen. Ja, Soun vond hem minder onverschillig

dan vroeger, alsof hij verwachtte dat er iets gebeuren zou... Wat,

dat kon Soun niet zeggen.

Bezat zijn heer ook vergif dat hem kwaad zou kunnen doen?

Soun geloofde het niet, want juist had hij dien ochtend een twaalftal

pillen in de Houang Pou moeten werpen, die hem wel eens verdacht

voorgekomen waren.

Er was in waarheid in al deze berichten niets wat den vertegenwoordiger

der levensverzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ kon verontrusten. Nooit

had de rijke Kin-Fo, van wiens waren toestand niemand behalve Wang iets

wist, getoond meer waarde aan het leven te hechten dan tegenwoordig.

Hoe geruststellend alles ook luidde, wat de hoofdagent der

verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ omtrent Kin-Fo te weten kreeg, toch

moesten Craig en Fry voortgaan hem nauwkeurig in het oog te houden

en hem op zijne wandelingen volgen, want de mogelijkheid bestond dat

hij het voornemen koesterde om zich buiten 's huis van kant te maken.

De twee onafscheidelijke neven deden dit dan ook en Soun bleef

voortgaan met hen op de hoogte te brengen van al wat zijn meester

deed of liet; dit viel te meer in den smaak van den bediende, omdat

de omgang met twee zulke beminnelijke lieden hem zeer veel voordeel

opleverde.

Wij zouden te veel zeggen als wij beweerden, dat de held dezer

geschiedenis nu meer aan het leven hechtte dan voordat hij besloten had

er een einde aan te maken. Maar, zooals hij gedacht had, verschaften

de eerste dagen althans wel eenige ontroering. Hij had toch vlak

boven zijn hoofd een zwaard van Damocles opgehangen, en dit zwaard

zou hem zeker den een of anderen dag dooden. Zou het heden gebeuren

of morgen, dezen ochtend of van avond? Dit hield hem in spanning en

van daar dat zijn hart toch wel wat sneller begon te kloppen, iets

dat hem vroeger ten eenenmale onbekend was.

Overigens ontmoetten Wang en hij elkander thans minder dan vroeger. De

wijsgeer ging meer uit dan hij placht te doen, of sloot zich meer in

zijne kamer op. Kin-Fo ging hem daar niet opzoeken--dit lag niet op

zijn weg--en hij wist niet hoe Wang den tijd doorbracht. Misschien

was hij bezig hem een valstrik te spannen. Een oude Taï-ping bezat

ongetwijfeld een grooten voorraad van middelen om een evenmensch uit

den weg te ruimen. Van welk zou hij zich bedienen? Van daar zekere

nieuwsgierigheid, die als een nieuwe, vroeger ongekende prikkel op

Kin-Fo werkte.

De wijsgeer en zijn leerling aten echter bijna dagelijks nog aan

dezelfde tafel. Het spreekt van zelf dat er geen enkele toespeling

gemaakt werd op hunne afspraak of op hunne toekomstige rol van

moordenaar en vermoorde. Zij spraken over de meest gewone zaken en niet

zeer druk. Wang, ernstiger gestemd dan anders, verried door zijn blik

dat hij voortdurend peinsde. In plaats van opgewekt was hij somber,

in plaats van spraakzaam laconisch geworden. Vroeger at hij veel,

zooals een philosoof met eene gezonde maag dit meestal doet, thans

lachten zelfs de fijnste gerichten hem weinig toe en de wijn van Chao

Chig bracht hem in geen andere stemming.

De houding van Kin-Fo was anders niet zoo, dat hij zich over iets

bezwaard behoefde te voelen. Hij proefde alle spijzen het eerst en

meende geen gerecht ongebruikt te mogen laten. Daaruit volgde dat hij

meer at dan gewoonlijk, dat zijne verwende tong iets meer smaak begon

te krijgen, en zijne spijsvertering niets te wenschen overliet. Van

vergif scheen de oude moordenaar van den rebellenkoning zich tot nog

toe althans niet bediend te hebben.

Kin-Fo verschafte hem voortdurend alle mogelijke gelegenheden om de

daad te plegen. De deur van zijn slaapkamer werd nooit gesloten en de

wijsgeer kon er dag en nacht binnen gaan en zijn leerling er wakend

of slapend overvallen. Kin-Fo wenschte slechts één ding: dat de hand,

die hem treffen zou, dit juist en snel deed.

Maar Kin-Fo was weldra aan deze nieuwe gewaarwordingen gewend, en na

een paar nachten had hij zich zoodanig verzoend met het denkbeeld

dat een dolkstoot hem treffen zou, dat hij er even gerust om sliep

als vroeger en even frisch en gezond om ontwaakte. Dit mocht zoo niet

langer duren.

Ook kwam het denkbeeld bij hem op dat het Wang misschien tegen de

borst zou stuiten hem te dooden in het huis waarin hij zoo gastvrij

opgenomen was. Hij besloot het hem nog gemakkelijker te maken. Hij

begon veel te wandelen, vooral op eenzame plaatsen, en bleef zeer

laat uit, dikwijls tot de vierde nachtwake; ook vond men hem vaak in

de slechtst befaamde kwartieren van Shang-Haï, waar schier dagelijks

moord en doodslag voorkomt, zonder dat er een haan naar kraait. Hij

dwaalde daar rond door nauwe en sombere stegen en stiet daar op

dronkaards van allerlei nationaliteit, geheel alleen in het holle van

den nacht of bij het krieken van den dag, als de bakker zijne dunne

weitenkoeken onder het geroep van »Mantoou! Mantoou!" rondventte of

de schel den laten opiumschuiver waarschuwde dat hij huiswaarts gaan

moest. Telkens echter kwam hij levend, springlevend weder thuis,

zonder dat hij zelfs bespeurd had dat de onafscheidelijke Craig en

Fry hem op den voet gevolgd hadden, gereed om hem te hulp te komen

als dit noodig mocht zijn.

Als het zoo voortging zou Kin-Fo ten slotte aan dit nieuwe bestaan

volkomen gewennen en zou hij zich weldra weder evenzeer vervelen

als vroeger.

Hoe dikwijls waren er toch reeds uren achter elkander voorbijgegaan

zonder dat hij er aan gedacht had dat hij een ter dood veroordeelde

was.

Op zekeren dag, op 12 Mei, verschafte het toeval hem echter weder

eenige ontroering. Toen hij zachtjes de kamer van den wijsgeer

binnentrad, zag hij dezen met de punt van zijn vinger een dolk

onderzoeken, dien hij daarop dompelde in een fleschje dat een zeer

verdacht blauw vocht bevatte.

Wang had zijn leerling niet hooren binnenkomen en zwaaide den dolk

eenige malen boven zijn hoofd, als om te zien of zijn hand wel juist

was. Hij zag er bij die gelegenheid alles behalve zachtzinnig uit en

het scheen dat zijne oogen zelfs met bloed beloopen waren!

»'t Gebeurt zeker van daag!" zei Kin-Fo bij zichzelf.

En hij verliet ongemerkt des wijsgeers kamer weder.

Hij ging naar zijne eigen vertrekken welke hij dien dag niet weder

verliet.... Wang echter vertoonde zich niet.

Kin-Fo ging naar bed; maar den volgenden dag stond hij weder op,

zoo levend als een gezond mensch slechts zijn kan.

Zooveel ontroeringen voor niets! 't Werd vervelend.

Er waren toch reeds tien dagen om, van de twee maanden tijd die hij

Wang gelaten had.

»'t Is een talmer," sprak Kin-Fo, »ik had hem niet zooveel tijd

moeten geven."

En hij dacht of de oude Taï-ping niet wat verweekelijkt was door het

goede leven te Shang-Haï.

Van dien dag af scheen Wang nog onrustiger en bezwaarder dan

vroeger. Hij liep de yamen in en uit, als een mensch die niet weet

waar hij het zoeken moet. Kin-Fo merkte zelfs op dat hij herhaalde

bezoeken bracht aan de zaal der voorouders, waar de kostbare uit

Liao-Tchéou ontvangen doodkist geplaatst was. Hij vernam ook door Soun,

en niet zonder belangstelling, dat Wang bevolen had haar te poetsen, te

wrijven, af te stoffen, in een woord, haar in zoo voldoend mogelijken

staat te houden.

»Wat zal mijn meester daar lekker in liggen," voegde de getrouwe

dienstbode er bij. »'t Zou wel de moeite waard zijn het eens te

beproeven!"

Deze opmerking verschafte Soun een vriendschappelijk knikje.

De dagen van 13, 14 en 15 Mei gingen voorbij en er gebeurde niets.

Was Wang dan voornemens den geheelen hem gestelden tijd te laten

verloopen en als een koopman eerst zijn schuld te betalen op den

uitersten vervaldag? Maar dan zou het immers geen verrassing zijn en

had Kin-Fo het even goed zelf kunnen doen.

Toen kreeg Kin-Fo in den ochtend van 15 Mei, op het oogenblik der

»mao-che" d. i. zes uur, kennis van een zeer opmerkelijke gebeurtenis.

De nacht was onaangenaam voorbij gegaan. Kin-Fo was bij het ontwaken

onder den indruk van een naren droom. De vorst Ien, de opperste rechter

uit de Chineesche onderwereld, had hem veroordeeld om niet voor zijn

aangezicht te verschijnen voor dat de twaalfhonderdste maan aan den

gezichteinder van het Chineesche rijk verscheen. Hij had dus nog een

eeuw te leven, een geheele eeuw!

Kin-Fo was dus zeer slecht geluimd; het scheen dat alles tegen hem

samenspande.

Soun moest dit bezuren toen hij als gewoonlijk verscheen om zijn

meester aan zijn toilet te helpen.

»Loop naar den duivel," was de wensch waarmede hij ontvangen

werd. »Moge uw loon uit twaalfduizend schoppen bestaan, ondier!"

»Maar, mijnheer ..."

»Verdwijn uit mijn oogen, zeg ik je!"

»Niet voor dat ik u iets vreemds verteld heb..." begon Soun.

»Wat dan, ezel?"

»Alleen dat mijnheer Wang ..."

»Wat van Wang?" antwoordde Kin-Fo levendig, zijn ongelukkigen knecht

plotseling bij den staart grijpende.

»O hemel!" riep Soun van angst ineen krimpende. »Hij heeft bevel

gegeven om mijnheer's doodkist over te brengen naar het paviljoen

van het »Leven," en..."

»Heeft Wang dat gedaan!" riep Kin-Fo uit, terwijl zijn drift plotseling

scheen te wijken. »Daar Soun, je bent toch wel een goede kerel, daar

heb je tien taëls; doe je plicht maar en zorg dat de bevelen van Wang

opgevolgd worden!"

Soun was geheel verbazing en herhaalde verscheiden keeren bij zich

zelf:

»Mijn meester is ongetwijfeld krankzinnig geworden, maar dat doet er

niet toe; ik vaar er wèl bij."

Ditmaal kon Kin-Fo er niet meer aan twijfelen. Wang wilde hem dooden in

de kiosk van het »Leven," waar hij zich zelf reeds den dood had willen

geven, en daarom had de Taï-ping zijn doodkist naar dat paviljoen

laten overbrengen. Het was of hij hem uitnoodigde daar te komen. Nu,

Kin-Fo zou niet op het appèl ontbreken.

Wat duurde die dag hem lang. Het water in de uurglazen scheen stil

te staan. De wijzers schenen over de gitten plaat te kruipen!

Eindelijk, eindelijk gaf het verdwijnen van de zon onder den

gezichteinder het teeken van de eerste wake des nachts en daalde het

schemerlicht rondom de yamen.

Kin-Fo begaf zich nu naar het paviljoen dat hij niet levend weder

hoopte te verlaten. Hij strekte zich op een zachten divan uit, die

voor eene langdurige rust scheen ingericht, en wachtte.

Toen kwamen allerlei herinneringen uit zijn nutteloos besteed leven

bij hem op, al zijne vervelingen, zijn afkeer van het leven, die

door rijkdom niet overwonnen had kunnen worden, die door armoede nog

toegenomen zou zijn!

Een enkele lichtstraal had slechts dit leven verhelderd, de genegenheid

die Kin-Fo voor de jonge weduwe gekoesterd had. Dit gevoel deed

zijn hart sneller kloppen op het oogenblik nu dit voor altijd zou

ophouden. Maar zou hij de arme Lé-ou ongelukkig maken door haar lot

met het zijne te verbinden?

De vierde wake, die welke den naderenden dageraad voorafgaat en

waarin de geheele wereld in rust gedompeld is, deze vierde wake

ging voor Kin-Fo in hevige ontroering voorbij. Hij luisterde angstig

en zorgvuldig of hij niets hoorde. Zijn blik scheen de nachtelijke

duisternis te willen doorboren. Meer dan eens verbeeldde hij zich het

zacht geluid eener deur te hooren die door eene voorzichtige hand

geopend werd. Zonder twijfel hoopte Wang hem slapende te vinden,

om hem zoo af te maken.

Toen trad er plotseling reactie in. Hij verlangde naar de vreeselijke

verschijning van den Taï-ping en deinsde er tevens voor terug.

De vijfde wake begon en de ochtendschemering kleurde, langzamerhand

alles met haar bleek licht. Het werd dag.

Plotseling ging de deur van het paviljoen open.

Kin-Fo sprong op; hij leefde meer in deze seconde dan in de dertig

vorige jaren van zijn bestaan!...

't Was Wang niet; 't was Soun, met een brief.

»Groote spoed!" was al wat hij zeide.

Kin-Fo had een voorgevoel. Hij greep den brief, dien hij zag dat

uit San Francisco kwam; hij scheurde de enveloppe open, las snel den

inhoud, gaf een kreet van vreugde en stormde het paviljoen van het

»Leven" uit.

»Wang, Wang!" riep hij zoo luid hij kon.

Hij was reeds bij de kamer van den wijsgeer en opende de deur.

Wang was er niet. Wang had blijkbaar ook dien nacht niet in zijne

kamer doorgebracht en toen op Kin-Fo's bevel zijne bedienden de yamen

in alle hoeken doorzocht hadden, bleek het dat Wang verdwenen was,

zonder een spoor achter te laten.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 13 / 36 题