Waarvan het slot, hoe vreemd het schijne, den lezer toch wel
niet verbazen zal.
»Welnu, Craig en Fry?" vroeg de heer William J. Bidulph den volgenden
morgen aan de twee agenten, die hij bepaaldelijk belast had het oog
te houden op den nieuwen verzekerde bij de maatschappij _de Eeuw_.
»Wel," antwoordde Craig, »wij hebben hem gisteren gevolgd op eene
wandeling, die hij door de omstreken van Shang-Haï deed, en..."
»Hij zag er zeker niet uit als iemand die van plan is een einde aan
zijn leven te maken," voegde Fry er bij.
»Toen het donker werd hebben wij hem gevolgd tot aan de deur van
zijn woning...."
»Die wij helaas niet binnen konden gaan."
»En van ochtend?" vroeg William J. Bidulph verder.
»Van ochtend," zeide Craig, »hebben wij gehoord dat hem evenmin iets
scheelde als...."
»De brug van Palikao," vulde Fry aan.
De agenten Craig en Fry, twee neven en echte Amerikanen, die in dienst
van _de Eeuw_ waren, vormden te zamen eigenlijk slechts een wezen. Zij
gingen zoo geheel in elkander op, dat de een voortdurend de volzinnen
van den andere aanvulde. Dezelfde hersens, dezelfde gedachten,
hetzelfde hart, dezelfde maag, dezelfde gebaren en gewoonten. Vier
armen, vier handen, vier beenen aan twee vereenigde lichamen. In een
woord: Siameesche tweelingen, waarvan een stoutmoedig chirurgijn den
vereenigingsband doorgesneden had.
»Dus is het u nog niet mogen gelukken in zijn woning door te
dringen?" vroeg William J. Bidulph.
»Nog..." begon Craig.
»Niet," zei Fry.
»'t Zal misschien moeilijk gaan," antwoordde de hoofdagent, »maar
't moet toch gebeuren. _De Eeuw_ heeft bij deze zaak niet alleen een
hooge premie te verdienen, maar loopt ook gevaar twee honderd duizend
dollars te verliezen! Wij moeten hem dus twee maanden surveilleeren
en misschien langer als hij zijn volgende quitantie betaalt."
»Er is een bediende...." zeide Craig.
»Dien men misschien zou kunnen gebruiken..." sprak Fry.
»Om alles te weten te komen..." vervolgde Craig.
»Wat er in het huis van Kin-Fo voorvalt," voltooide Fry.
»Hm!" sprak de heer William J. Bidulph. »Tracht dezen bediende te
lijmen. Koop hem om; hij zal wel gevoelig zijn voor den klank van
taëls en op taëls behoef je niet te zien. Zelfs als je de drieduizend
beleefdheidsvormen moest uitputten, die de Chineesche etiquette
tot haar dienst heeft, doe het gerust. Je zult je de moeite niet te
beklagen hebben."
»Nu, dat zal..." zeide Craig.
»Geschieden," sprak Fry.
En dit was de gewichtige reden waarom Craig en Fry kennis met Soun
trachtten aan te knoopen. Soun was er de man niet naar, om weerstand
te bieden aan den verleidelijken klank van taëls of het beleefde
aanbod van een paar glazen Amerikaanschen grog.
Craig en Fry vernamen dus door Soun alles wat zij verlangden te weten,
hetgeen ongeveer op het volgende neerkwam:
Had Kin-Fo in den laatsten tijd iets in zijne gewone levenswijze
veranderd?
Neen, 't eenige misschien was dat hij zich iets minder barsch toonde
jegens zijn zeer getrouwen dienstbode, dat de schaar niet meer
gebruikt werd, zeer ten bate van diens staart, en dat zijn rug schier
de rotting niet meer voelde.
Had Kin-Fo ook levensgevaarlijke wapenen te zijner beschikking?
Neen, hij behoorde tot die eerbiedwaardige categorie van menschen,
die een afkeer van vuur- en andere wapenen koesteren.
Wat at en dronk hij?
Zeer gewonen kost, zonder liflafjes of overdaad.
Hoe laat stond hij op?
Zoodra de vijfde nachtwake voorbij was, meestal als de dageraad,
bij het hanengekraai, den gezichtseinder begon te verhelderen.
Ging hij vroeg naar bed?
In de tweede nachtwake, zooals hij, voor zoover Soun wist, zijn leven
lang gedaan had.
Was hij treurig gestemd, bezorgd over iets, levensmoede?
't Was zeker niet wat men een vroolijk of opgewekt mensch
noemt. Integendeel! Maar in den laatsten tijd begon hij meer schik
in zijn leven te krijgen. Ja, Soun vond hem minder onverschillig
dan vroeger, alsof hij verwachtte dat er iets gebeuren zou... Wat,
dat kon Soun niet zeggen.
Bezat zijn heer ook vergif dat hem kwaad zou kunnen doen?
Soun geloofde het niet, want juist had hij dien ochtend een twaalftal
pillen in de Houang Pou moeten werpen, die hem wel eens verdacht
voorgekomen waren.
Er was in waarheid in al deze berichten niets wat den vertegenwoordiger
der levensverzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ kon verontrusten. Nooit
had de rijke Kin-Fo, van wiens waren toestand niemand behalve Wang iets
wist, getoond meer waarde aan het leven te hechten dan tegenwoordig.
Hoe geruststellend alles ook luidde, wat de hoofdagent der
verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ omtrent Kin-Fo te weten kreeg, toch
moesten Craig en Fry voortgaan hem nauwkeurig in het oog te houden
en hem op zijne wandelingen volgen, want de mogelijkheid bestond dat
hij het voornemen koesterde om zich buiten 's huis van kant te maken.
De twee onafscheidelijke neven deden dit dan ook en Soun bleef
voortgaan met hen op de hoogte te brengen van al wat zijn meester
deed of liet; dit viel te meer in den smaak van den bediende, omdat
de omgang met twee zulke beminnelijke lieden hem zeer veel voordeel
opleverde.
Wij zouden te veel zeggen als wij beweerden, dat de held dezer
geschiedenis nu meer aan het leven hechtte dan voordat hij besloten had
er een einde aan te maken. Maar, zooals hij gedacht had, verschaften
de eerste dagen althans wel eenige ontroering. Hij had toch vlak
boven zijn hoofd een zwaard van Damocles opgehangen, en dit zwaard
zou hem zeker den een of anderen dag dooden. Zou het heden gebeuren
of morgen, dezen ochtend of van avond? Dit hield hem in spanning en
van daar dat zijn hart toch wel wat sneller begon te kloppen, iets
dat hem vroeger ten eenenmale onbekend was.
Overigens ontmoetten Wang en hij elkander thans minder dan vroeger. De
wijsgeer ging meer uit dan hij placht te doen, of sloot zich meer in
zijne kamer op. Kin-Fo ging hem daar niet opzoeken--dit lag niet op
zijn weg--en hij wist niet hoe Wang den tijd doorbracht. Misschien
was hij bezig hem een valstrik te spannen. Een oude Taï-ping bezat
ongetwijfeld een grooten voorraad van middelen om een evenmensch uit
den weg te ruimen. Van welk zou hij zich bedienen? Van daar zekere
nieuwsgierigheid, die als een nieuwe, vroeger ongekende prikkel op
Kin-Fo werkte.
De wijsgeer en zijn leerling aten echter bijna dagelijks nog aan
dezelfde tafel. Het spreekt van zelf dat er geen enkele toespeling
gemaakt werd op hunne afspraak of op hunne toekomstige rol van
moordenaar en vermoorde. Zij spraken over de meest gewone zaken en niet
zeer druk. Wang, ernstiger gestemd dan anders, verried door zijn blik
dat hij voortdurend peinsde. In plaats van opgewekt was hij somber,
in plaats van spraakzaam laconisch geworden. Vroeger at hij veel,
zooals een philosoof met eene gezonde maag dit meestal doet, thans
lachten zelfs de fijnste gerichten hem weinig toe en de wijn van Chao
Chig bracht hem in geen andere stemming.
De houding van Kin-Fo was anders niet zoo, dat hij zich over iets
bezwaard behoefde te voelen. Hij proefde alle spijzen het eerst en
meende geen gerecht ongebruikt te mogen laten. Daaruit volgde dat hij
meer at dan gewoonlijk, dat zijne verwende tong iets meer smaak begon
te krijgen, en zijne spijsvertering niets te wenschen overliet. Van
vergif scheen de oude moordenaar van den rebellenkoning zich tot nog
toe althans niet bediend te hebben.
Kin-Fo verschafte hem voortdurend alle mogelijke gelegenheden om de
daad te plegen. De deur van zijn slaapkamer werd nooit gesloten en de
wijsgeer kon er dag en nacht binnen gaan en zijn leerling er wakend
of slapend overvallen. Kin-Fo wenschte slechts één ding: dat de hand,
die hem treffen zou, dit juist en snel deed.
Maar Kin-Fo was weldra aan deze nieuwe gewaarwordingen gewend, en na
een paar nachten had hij zich zoodanig verzoend met het denkbeeld
dat een dolkstoot hem treffen zou, dat hij er even gerust om sliep
als vroeger en even frisch en gezond om ontwaakte. Dit mocht zoo niet
langer duren.
Ook kwam het denkbeeld bij hem op dat het Wang misschien tegen de
borst zou stuiten hem te dooden in het huis waarin hij zoo gastvrij
opgenomen was. Hij besloot het hem nog gemakkelijker te maken. Hij
begon veel te wandelen, vooral op eenzame plaatsen, en bleef zeer
laat uit, dikwijls tot de vierde nachtwake; ook vond men hem vaak in
de slechtst befaamde kwartieren van Shang-Haï, waar schier dagelijks
moord en doodslag voorkomt, zonder dat er een haan naar kraait. Hij
dwaalde daar rond door nauwe en sombere stegen en stiet daar op
dronkaards van allerlei nationaliteit, geheel alleen in het holle van
den nacht of bij het krieken van den dag, als de bakker zijne dunne
weitenkoeken onder het geroep van »Mantoou! Mantoou!" rondventte of
de schel den laten opiumschuiver waarschuwde dat hij huiswaarts gaan
moest. Telkens echter kwam hij levend, springlevend weder thuis,
zonder dat hij zelfs bespeurd had dat de onafscheidelijke Craig en
Fry hem op den voet gevolgd hadden, gereed om hem te hulp te komen
als dit noodig mocht zijn.
Als het zoo voortging zou Kin-Fo ten slotte aan dit nieuwe bestaan
volkomen gewennen en zou hij zich weldra weder evenzeer vervelen
als vroeger.
Hoe dikwijls waren er toch reeds uren achter elkander voorbijgegaan
zonder dat hij er aan gedacht had dat hij een ter dood veroordeelde
was.
Op zekeren dag, op 12 Mei, verschafte het toeval hem echter weder
eenige ontroering. Toen hij zachtjes de kamer van den wijsgeer
binnentrad, zag hij dezen met de punt van zijn vinger een dolk
onderzoeken, dien hij daarop dompelde in een fleschje dat een zeer
verdacht blauw vocht bevatte.
Wang had zijn leerling niet hooren binnenkomen en zwaaide den dolk
eenige malen boven zijn hoofd, als om te zien of zijn hand wel juist
was. Hij zag er bij die gelegenheid alles behalve zachtzinnig uit en
het scheen dat zijne oogen zelfs met bloed beloopen waren!
»'t Gebeurt zeker van daag!" zei Kin-Fo bij zichzelf.
En hij verliet ongemerkt des wijsgeers kamer weder.
Hij ging naar zijne eigen vertrekken welke hij dien dag niet weder
verliet.... Wang echter vertoonde zich niet.
Kin-Fo ging naar bed; maar den volgenden dag stond hij weder op,
zoo levend als een gezond mensch slechts zijn kan.
Zooveel ontroeringen voor niets! 't Werd vervelend.
Er waren toch reeds tien dagen om, van de twee maanden tijd die hij
Wang gelaten had.
»'t Is een talmer," sprak Kin-Fo, »ik had hem niet zooveel tijd
moeten geven."
En hij dacht of de oude Taï-ping niet wat verweekelijkt was door het
goede leven te Shang-Haï.
Van dien dag af scheen Wang nog onrustiger en bezwaarder dan
vroeger. Hij liep de yamen in en uit, als een mensch die niet weet
waar hij het zoeken moet. Kin-Fo merkte zelfs op dat hij herhaalde
bezoeken bracht aan de zaal der voorouders, waar de kostbare uit
Liao-Tchéou ontvangen doodkist geplaatst was. Hij vernam ook door Soun,
en niet zonder belangstelling, dat Wang bevolen had haar te poetsen, te
wrijven, af te stoffen, in een woord, haar in zoo voldoend mogelijken
staat te houden.
»Wat zal mijn meester daar lekker in liggen," voegde de getrouwe
dienstbode er bij. »'t Zou wel de moeite waard zijn het eens te
beproeven!"
Deze opmerking verschafte Soun een vriendschappelijk knikje.
De dagen van 13, 14 en 15 Mei gingen voorbij en er gebeurde niets.
Was Wang dan voornemens den geheelen hem gestelden tijd te laten
verloopen en als een koopman eerst zijn schuld te betalen op den
uitersten vervaldag? Maar dan zou het immers geen verrassing zijn en
had Kin-Fo het even goed zelf kunnen doen.
Toen kreeg Kin-Fo in den ochtend van 15 Mei, op het oogenblik der
»mao-che" d. i. zes uur, kennis van een zeer opmerkelijke gebeurtenis.
De nacht was onaangenaam voorbij gegaan. Kin-Fo was bij het ontwaken
onder den indruk van een naren droom. De vorst Ien, de opperste rechter
uit de Chineesche onderwereld, had hem veroordeeld om niet voor zijn
aangezicht te verschijnen voor dat de twaalfhonderdste maan aan den
gezichteinder van het Chineesche rijk verscheen. Hij had dus nog een
eeuw te leven, een geheele eeuw!
Kin-Fo was dus zeer slecht geluimd; het scheen dat alles tegen hem
samenspande.
Soun moest dit bezuren toen hij als gewoonlijk verscheen om zijn
meester aan zijn toilet te helpen.
»Loop naar den duivel," was de wensch waarmede hij ontvangen
werd. »Moge uw loon uit twaalfduizend schoppen bestaan, ondier!"
»Maar, mijnheer ..."
»Verdwijn uit mijn oogen, zeg ik je!"
»Niet voor dat ik u iets vreemds verteld heb..." begon Soun.
»Wat dan, ezel?"
»Alleen dat mijnheer Wang ..."
»Wat van Wang?" antwoordde Kin-Fo levendig, zijn ongelukkigen knecht
plotseling bij den staart grijpende.
»O hemel!" riep Soun van angst ineen krimpende. »Hij heeft bevel
gegeven om mijnheer's doodkist over te brengen naar het paviljoen
van het »Leven," en..."
»Heeft Wang dat gedaan!" riep Kin-Fo uit, terwijl zijn drift plotseling
scheen te wijken. »Daar Soun, je bent toch wel een goede kerel, daar
heb je tien taëls; doe je plicht maar en zorg dat de bevelen van Wang
opgevolgd worden!"
Soun was geheel verbazing en herhaalde verscheiden keeren bij zich
zelf:
»Mijn meester is ongetwijfeld krankzinnig geworden, maar dat doet er
niet toe; ik vaar er wèl bij."
Ditmaal kon Kin-Fo er niet meer aan twijfelen. Wang wilde hem dooden in
de kiosk van het »Leven," waar hij zich zelf reeds den dood had willen
geven, en daarom had de Taï-ping zijn doodkist naar dat paviljoen
laten overbrengen. Het was of hij hem uitnoodigde daar te komen. Nu,
Kin-Fo zou niet op het appèl ontbreken.
Wat duurde die dag hem lang. Het water in de uurglazen scheen stil
te staan. De wijzers schenen over de gitten plaat te kruipen!
Eindelijk, eindelijk gaf het verdwijnen van de zon onder den
gezichteinder het teeken van de eerste wake des nachts en daalde het
schemerlicht rondom de yamen.
Kin-Fo begaf zich nu naar het paviljoen dat hij niet levend weder
hoopte te verlaten. Hij strekte zich op een zachten divan uit, die
voor eene langdurige rust scheen ingericht, en wachtte.
Toen kwamen allerlei herinneringen uit zijn nutteloos besteed leven
bij hem op, al zijne vervelingen, zijn afkeer van het leven, die
door rijkdom niet overwonnen had kunnen worden, die door armoede nog
toegenomen zou zijn!
Een enkele lichtstraal had slechts dit leven verhelderd, de genegenheid
die Kin-Fo voor de jonge weduwe gekoesterd had. Dit gevoel deed
zijn hart sneller kloppen op het oogenblik nu dit voor altijd zou
ophouden. Maar zou hij de arme Lé-ou ongelukkig maken door haar lot
met het zijne te verbinden?
De vierde wake, die welke den naderenden dageraad voorafgaat en
waarin de geheele wereld in rust gedompeld is, deze vierde wake
ging voor Kin-Fo in hevige ontroering voorbij. Hij luisterde angstig
en zorgvuldig of hij niets hoorde. Zijn blik scheen de nachtelijke
duisternis te willen doorboren. Meer dan eens verbeeldde hij zich het
zacht geluid eener deur te hooren die door eene voorzichtige hand
geopend werd. Zonder twijfel hoopte Wang hem slapende te vinden,
om hem zoo af te maken.
Toen trad er plotseling reactie in. Hij verlangde naar de vreeselijke
verschijning van den Taï-ping en deinsde er tevens voor terug.
De vijfde wake begon en de ochtendschemering kleurde, langzamerhand
alles met haar bleek licht. Het werd dag.
Plotseling ging de deur van het paviljoen open.
Kin-Fo sprong op; hij leefde meer in deze seconde dan in de dertig
vorige jaren van zijn bestaan!...
't Was Wang niet; 't was Soun, met een brief.
»Groote spoed!" was al wat hij zeide.
Kin-Fo had een voorgevoel. Hij greep den brief, dien hij zag dat
uit San Francisco kwam; hij scheurde de enveloppe open, las snel den
inhoud, gaf een kreet van vreugde en stormde het paviljoen van het
»Leven" uit.
»Wang, Wang!" riep hij zoo luid hij kon.
Hij was reeds bij de kamer van den wijsgeer en opende de deur.
Wang was er niet. Wang had blijkbaar ook dien nacht niet in zijne
kamer doorgebracht en toen op Kin-Fo's bevel zijne bedienden de yamen
in alle hoeken doorzocht hadden, bleek het dat Wang verdwenen was,
zonder een spoor achter te laten.