Met de grootste voorzichtigheid werd Eleonora overgebracht naar een
klein, fraai landhuis, onder den rook van Londen, hetwelk sedert lang
het eigendom was van Raffles, die het echter onder een anderen naam
gekocht had.
Maar alvorens heen te rijden, had Raffles Charly Brand met enkele
woorden op de hoogte gebracht en hij wist nu dat de jonge man ongeveer
tegelijkertijd als hijzelf bij het landhuis kon zijn, wanneer hij
gebruik maakte van een der snelle motorrijwielen, die in de garage
stonden.
Raffles bleek echter toch nog de vlugste te zijn geweest, en hijzelf
moest dus geheel alleen de zwaar gewonde vrouw alleen het huis binnen
en vervolgens de trap op dragen naar de eerste, tevens eenige
verdieping, waar zich eenige fraaie logeerkamers bevonden.
Eleonora Manoury werd op het bed neder gelegd, en vervolgens begon
Raffles al zijn zorgen aan haar te wijden en dat mocht hij doen, want
hij was een voortreffelijk geneeskundige, die veel van zijn vrijen tijd
besteedde aan de medische studie.
Hij liet Henderson alles brengen, wat hij noodig had, nam voorzichtig
het verband af, peilde de wonde, en bevond, dat de kogel niet al te
diep was doorgedrongen en dat hij hem betrekkelijk gemakkelijk zou
kunnen verwijderen.
Hij ging aanstonds tot deze operatie over en nadat zij gelukkig
geslaagd was, werd het verband weder aangelegd en tenslotte ging
Raffles een versterkenden drank voor zijn patiënt bereiden.
Hij was hier nauwelijks mee begonnen of het geronk van een zware motor
zeide hem, dat Charly zooeven was aangekomen.
Een oogenblik later trad Charly de keuken binnen, waar Raffles in zijn
hemdsmouwen bezig was, zijn medicijnen te bereiden, met behulp van de
overvloedig voorziene medicamententasch, zooals hij er in al zijn
huizen een bezat en waarvan de voorraad steeds opnieuw werd aangevuld.
Wat Henderson betreft, de reus was bezig, op aanwijzing van Raffles
iets fijn te stampen in een porceleinen mortier.
Nadat de jonge man Raffles krachtig de hand had gedrukt, met een
ontroering welke hij met moeite bedwong, barstte hij uit:
„Wat is er nu toch in hemelsnaam vannacht weer gebeurd. Ik behoef je
natuurlijk niet te zeggen, dat ik geen oog heb dicht gedaan en mijzelf
niet heb ontkleed.”
„Dat begrijp ik wel, Charly,” zeide Raffles hoofdschuddend. „Je zult
nooit verstandiger worden. Wel, ik zal je meedeelen, wat er geschied
is.”
En nu deelde Raffles den jongen man op zijn gewone, klare en korte
wijze mede, wat hem in het huis van Stanley was wedervaren.
Charly had met de grootste aandacht, terwijl de kleur van zijn jong
gelaat telkens wisselde, naar dit verhaal geluisterd.
Toen Raffles zijn verhaal beëindigd had, riep hij uit:
„Dus de bandiet is opnieuw ontkomen? Al je moeite was vruchteloos. De
ontmoeting heeft je niets anders opgeleverd dan een wonde aan je arm.
Men heeft je een zwaar gewonde vrouw op den hals geschoven en je kunt
van voren af aan beginnen. Maar een ding hebben wij althans gewonnen en
dat is, dat Stanley wel niet meer naar zijn huis zal durven terug
keeren.”
„Dat is nog volstrekt niet zeker, Charly, en als hij het niet doet, dan
kan ik dat niet als winst beschouwen,” hernam Raffles. „Zoolang hij de
onbeschaamdheid heeft, als een fatsoenlijk burger zijn huis in de
Kappel-Street te bewonen, weet ik althans waar ik hem vinden kan. En
nu, mijnheer Brand, hier is Henderson,” vervolgde Raffles, zich
glimlachend tot den reus wendend. „Wil je nu zoo goed zijn, ons beiden
je plotseling verschijnen op de galerij der vestibule te verklaren?”
„Ge moet het mij niet kwalijk nemen, Mylord,” begon Henderson
bedremmeld. „Maar ik had mij al dadelijk voorgenomen, niet eens tot het
afgesproken uur te wachten, maar zoo spoedig mogelijk te trachten
binnen in dat vervloekte huis te komen, waar ik u aan de grootste
gevaren bloot gesteld wist. Ik begon met onze auto te stallen in een
nachtgarage en toen zon ik op middelen om het huis binnen te komen.
Tenslotte besloot ik over den muur van den tuin te klimmen en dat deed
ik ook. Maar het was mij bijna slecht bekomen, er schoot dadelijk een
reusachtige waakhond op mij toe, een bloeddorstig monster en mijn
linkerarm is nog wat stijf, want daar beet het dier mij. Ik wist echter
zijn keel dicht te knijpen en toen moest het monster het toch afleggen.
Toen heb ik echter nog bijna een uur moeten zoeken, voor ik een plek
had gevonden, waar ik kon binnen dringen. En er ging weer bijna een uur
voorbij, voordat ik binnen was.
„Ik weet heel goed, dat ik niet geschikt ben om heel zachtjes iets te
verrichten, dat brengt mijn omvang mee.”
„Waar ben je binnen gekomen, Henderson?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Door een kelderraam, mijnheer Brand.”
„En ging dat zoo maar?” hernam Charly verwonderd. „Het verbaast mij,
dat Stanley zulke zwakke plekken aan zijn vesting had.”
„Zoo zwak was die plek niet, mijnheer Brand,” hernam de reus
glimlachend. „Er zaten tralies voor van een duim dik, en ik zeide u
reeds, dat het bijna een uur duurde, voor ik er vier had kunnen
loswurmen. Met minder ging het weer niet, ook alweer vanwege mijn
omvang.”
Charly en Raffles keken elkaar met een veelbeteekenend lachje aan en de
Gentleman-Inbreker zeide:
„Wij mogen het er gerust voor houden, Charly, dat geen enkel normaal
mensch zelfs al werd hij onder de sterken gerekend, daar had kunnen
binnen dringen. Met het bestaan van een Henderson heeft Stanley
blijkbaar geen rekening gehouden.”
„De rest beteekende natuurlijk niets, Mylord,” ging de reus voort. „Het
was daar beneden pikdonker, maar ik vond toch eindelijk den weg naar
boven en zooals gij weet kwam ik juist bijtijds om dien bandiet van een
Stanley een zwaren stoel naar het hoofd te slingeren, die zich daar
gelukkig juist onder het bereik van mijn hand bevond, waardoor hij zijn
electrischen schijnwerper en waarschijnlijk ook zijn revolver moest
laten vallen, en dat is alles.”
„Natuurlijk, als men hem hoort praten, heeft het niets om het lijf,”
riep Charly uit met een stem, die van ontroering trilde.
En hij drukte de handen van Henderson, alsof hij ze wilde verbrijzelen.
Buiten begon de dag reeds aan te breken, toen de drie mannen de
ziekenkamer weer betraden.
Eleonora Manoury lag in een rustige sluimering verzonken en reeds was
een weinig kleur op haar marmerbleek gelaat teruggekeerd.
Charly beschouwde een oogenblik het schoone, maar door lijden
vermagerde gelaat en vroeg nu op zachten toon, zich tot Raffles
wendende:
„Wat denk je nu met haar te doen?”
„Natuurlijk moet zij hier blijven, tot zij genezen is. En op zijn minst
moet steeds een van ons bij haar waken. Als zij eenmaal hersteld is,
zullen wij verder zien. Het voornaamste is, dat wij haar hebben los
gescheurd van dien onmenschelijken schurk, die haar leven vergiftigd
heeft, en die haar met zich sleurde in een poel van zonde en misdaad.
Misschien heeft de ongelukkige vrouw nog bloedverwanten, die haar
willen vergeven en die haar weder in liefde tot zich willen nemen.
Mocht dit echter niet het geval zijn, dan zal ik haar wel aan een of
anderen werkkring weten te helpen, in welk land ter wereld zij ook
verkiest. Gelukkig heb ik over de geheele wereld mijn connecties, al is
het dan niet als John Raffles, de Gentleman-Inbreker. Hier is zij
voorloopig volkomen veilig, want niemand weet, dat zij zich hier
bevindt, behalve wij drieën.”
„Denk je dat ze zal genezen?”
„Ja, dat geloof ik wel. Zij schijnt van een sterk gestel te zijn. De
wonde was niet diep en er zijn geen edele deelen geraakt.”
„En Stanley, wat denk je van hem?”
„Ik heb gezworen, Charly, dat ik dien man niet meer zal sparen. Wij
weten nu wat wij aan elkander hebben. Keert hij in zijn woning terug,
neemt hij zijn oude bestaan weder op, dan zal ik hem in zijn eigen club
opzoeken in een van mijn vermommingen. Ik zal hem, ten aanschouwe van
de leden in het gelaat slaan, of hem een schurk noemen, en dan zal hij
wel genoodzaakt zijn, het staal met mij te kruisen.”
„Dus toch?” riep Charly teleurgesteld uit. „Je bent nog steeds niet
genezen van je vooroordeel tegen het afmaken van schadelijk gedierte
naar het schijnt. Nu, ik hoop maar een ding, en dat is, dat Stanley
zich voorloopig niet meer in zijn eigen huis vertoont.”
Maar daarin zou Charly zich vergissen.
Den volgenden dag bevatten de bladen allen het bericht van de
zonderlinge gebeurtenis, die zich in het huis van Stanley had
afgespeeld en welke de hoofdcommissaris van politie had opgeteekend uit
den mond van denzelfden bediende, die met de blaker in de hand in het
holst van den nacht de beide indringers had gezien, toen zij, een
hunner met de revolver in de vuist, over het lichaam stonden heen
gebogen van een doode vrouw.
Want inderdaad had de bediende gemeend, dat de hem volkomen onbekende
vrouw reeds overleden was.
Deze berichten maakten er melding van, dat de bediende, nadat John
Raffles en zijn helper met de doode vrouw vertrokken waren, aanstonds
de politie had opgebeld en zich vervolgens naar de slaapkamer van zijn
meester had begeven, dien hij daar dan ook aantrof, ofschoon de
Gentleman-Dief had verzekerd, dat hij daar niet was.
Stanley had den bediende medegedeeld, dat er iemand in zijn kamer was
binnen gedrongen, in gezelschap van een hem onbekende vrouw, beiden
gemaskerd, die hem met de revolver in de vuist gedwongen hadden op te
staan, teneinde hen de brandkast te wijzen en deze voor hen te openen.
En hij had den bediende het uitgezaagde paneel in de balkondeur
gewezen, waardoor de inbrekers waren binnen gedrongen.
Bukkend voor de overmacht, was Stanley opgestaan, had snel een paar
kleedingstukken aangetrokken en had zich gehouden, alsof hij aan het
verzoek van de beide gemaskerde onbekenden gevolg zou geven.
Toen hij de gang betrad, had hij daar nog een derden inbreker
aangetroffen, die waarschijnlijk langs een anderen weg het huis was
binnen gekomen en die niet gemaskerd was.
Hij had kans gezien de drie inbrekers op te sluiten in het vertrek,
waar de brandkast stond en daarop had hij de politie willen
waarschuwen, maar dit kon hij slechts doen in zijn eigen slaapkamer,
waar de telefoon nog intact was.
Wat er daarna was gebeurd had hij voor een deel uit den mond van zijn
bediende vernomen.
Naar hij vermoedde, waren de drie inbrekers er in geslaagd, zich weder
te bevrijden, maar hij kon niet verklaren, waardoor de vrouw den dood
had gevonden. Misschien had de kogel haar bij ongeluk getroffen,
misschien ook was er tusschen de beide mannen twist ontstaan, waarbij
ze de vuurwapens hadden getrokken en had de vrouw er zich tusschen
geworpen.
Toen Raffles en Charly deze berichten lazen, keken zij elkander een
oogenblik zwijgend aan en toen begon Raffles:
„Die man is ongetwijfeld een verstokt booswicht en een groot
misdadiger. Maar niemand zal hem een weergalooze stoutmoedigheid mogen
ontzeggen, en toch, hij speelt wel hoog spel, maar hij weet dat hij
voorloopig veilig is.”
„Hij waant die vrouw dus dood?” vroeg Charly.
„Dat moet wel, anders moest hij wel begrijpen, dat zij hem, eenmaal
gevlucht zijnde, vroeg of laat, onder mijn invloed zou verraden. Hij is
er van overtuigd, dat hij haar gedood heeft en dat wij slechts haar
lijk hebben vervoerd. Vergeet ook niet dat er veel is, dat voor zijn
waarheidsliefde spreekt. Hij kon om te beginnen de politie het gat in
de deur toonen, waardoor ik ben binnen gedrongen. De bediende kon er
desnoods een eed op doen, dat ik zelf verklaard heb, John Raffles te
zijn, dat hij heeft hooren schieten, en dat hij de doode vrouw gezien
heeft. Misschien heeft hij wel een oogenblik geloofd, dat zij slechts
zwaar gewond was, maar hij maakte op mij den indruk een sukkel te zijn
en als zijn meester hem zeide, dat zij gedood was, dan moest zij het
ook zijn.”
„Maar de verbindingsdeur, Raffles, waarvan je mij gesproken hebt!” riep
Charly uit. „De politie moet die deur toch vinden!”
„Wat zou dat? Als zij die deur opent, dan ontdekt zij eenvoudig den
ouden vleugel van het huis, die weinig of niet gebruikt wordt, hetgeen
geen wonder is als men denkt, dat Stanley zelfs aan het nieuwe gedeelte
meer dan ruimschoots voldoende heeft! Er was echter voor de politie
volstrekt geen aanleiding, om dat gedeelte te onderzoeken, want Stanley
gaat immers volgens haar geheel vrij uit. Als zij zoekt, dan is het
natuurlijk naar John Raffles, naar zijn helper en naar de geheimzinnig
gemaskerde dame, of liever naar haar lijk!”
„Maar die vreeselijke kamer met den bewegelijken vloer dan?” hield
Charly vol.
„Daarvan wordt in het geheele bericht niet gerept, Charly,” hernam
Raffles bedaard. „Geen der bedienden weet iets van het bestaan van dat
vertrek, en je zult wel inzien, dat Stanley zelf er natuurlijk niet
over gesproken heeft.”
„Doe jij het dan,” vervolgde Charly opgewonden. „Jij kunt toch
getuigen? Jij hebt die kamer toch met eigen oogen gezien.”
„Te zijner tijd zal ik dat zeker wel doen, mijn waarde, maar het heeft
geen nut, daar nu over te gaan spreken! Scotland Yard zal eenvoudig
denken, dat ik haar voor den gek houd, en je weet wel, dat de politie
in Londen pas in de alleruiterste gevallen andermans huis binnen
dringt. Er schijnt nog volstrekt geen verdenking tegen Stanley te
bestaan, en hoofdinspecteur Baxter zal het niet zoo spoedig wagen, een
man als hij lastig te vallen, met veel kans dat hij den zooveelsten bok
schiet.”
„Maar de vrouw dan—laat zij spreken,” riep Charly uit.
„Nu raak je het kardinale punt aan, Charly. Zij alleen is in staat
Stanley den strop om den hals te doen! Maar ik denk er geen oogenblik
aan, daarop bij haar aan te dringen! Zij moet doen, wat zijzelf het
beste acht. Haat zij dien man werkelijk, veracht zij hem, en wil zij
hem onschadelijk maken, dan zal zij zeker niet aarzelen—maar ik wil
daarop geen invloed uitoefenen! Ik zal haar blijven verplegen, totdat
zij geheel genezen is—en dan mag zij doen wat zij wil.”
„Dan bestaat er dus kans, dat die duivel zijn verschrikkelijk handwerk
kan blijven voortzetten,” riep Charly rood van woede.
„Stel je gerust, mijn waarde—ik geef je de verzekering, dat het niet
lang meer zal duren, of aan het misdadig bestaan van Irwin Stanley zal
een einde gemaakt zijn door John Raffles.”