Nog scheen Eleonora een oogenblik te aarzelen, maar plotseling nam zij
de beide handen van Raffles in de hare en riep hartstochtelijk uit:
„Nu dan, ik wil het wagen, er kome van wat komt. Ik wil deze hel
ontvluchten, waarin hij mij reeds al te lang liet opgesloten. Ik
vertrouw mij aan u toe. Breng mij weg, ver weg. Wanneer wij eenmaal dit
huis ontkomen zijn, dan is misschien het gevaar bezworen, ofschoon ik
weet, dat hij overal zijn spionnen heeft en dat hij mij spoedig weder
in zijn macht zal hebben, wanneer een van die lieden mij ontdekt.”
„Daarvoor behoeft gij geen vrees te koesteren in den eersten tijd,”
zeide Raffles zacht fluisterend en met een flauwen glimlach op de
lippen. „Ik zal uw uiterlijk wel zoodanig weten te veranderen, dat
zelfs Stanley u niet zal herkennen. En kom nu spoedig mede. Er moet
gehandeld worden.”
En hij voerde de vrouw buiten het vertrek, na zich te hebben overtuigd,
dat zich niemand in de gang bevond.
Het slaapvertrek van de ongelukkige vrouw, die in dezen afgelegen
vleugel van het oude huis geruimen tijd scheen te hebben gewoond,
zonder dat iemand van de bedienden het vermoedde, bleek zich in
dezelfde gang te bevinden. En hierdoor was het te verklaren, dat zij
aanstonds gewekt was door het gerucht van de pratende stemmen der beide
doodsvijanden.
Raffles liet er haar echter niet binnen treden, dan nadat hij zich met
de revolver in de hand overtuigd had, dat zich ook in deze kamer
niemand verborgen hield, evenmin als op het kleine balkon, waarop een
der ramen uitkwam.
En daarop vatte hij post voor de deur en wachtte.
In het groote sombere huis liet zich thans geen enkel gerucht hooren.
En Raffles vroeg zich af, waar Stanley toch wel gebleven kon zijn.
Het waarschijnlijkste was, dat hij op dit oogenblik de wonde verzorgde,
welke Raffles hem met den dolk had toegebracht gedurende den
vreeselijken strijd in het donkere vertrek.
Maar daarna zou de ellendeling zich zeker willen overtuigen, of hij
zijn slachtoffer inderdaad gedood had en wanneer hij zijn lijk niet
terug vond op den bodem van den diepen put vol modderig water, dan zou
hij zeker niet rusten, voor hij Raffles had terug gevonden.
In ieder geval was het zeker, dat hij onkundig was gebleven van de
tusschenkomst van zijn minnares, anders zou het zeker niet zoo stil
zijn in het huis.
Het was echter een onheilspellende stilte, die mannen met minder sterke
zenuwen schrik en ontsteltenis zouden hebben ingeboezemd.
Raffles had Eleonora op het hart gedrukt, zich zooveel mogelijk te
haasten en er waren dan ook geen vijf minuten verloopen, of reeds
hoorde hij de deur weder zachtjes open gaan.
Onmiddellijk hief hij zijn revolver in de hoogte, maar hij liet het
wapen weder dalen, toen hij in de halve duisternis het bleeke gelaat
ontwaarde van de jonge vrouw, die hij aan den invloed van zijn
doodsvijand wilde onttrekken.
Hijzelf sloot de deur volkomen onhoorbaar en zeide toen zoo zacht, dat
het nauwelijks te verstaan was:
„Breng me nu langs den kortsten weg naar buiten. Ik kende dezen weg in
het geheel niet en wij moeten ons haasten.”
Zonder iets te antwoorden vatte Eleonora Raffles bij de rechterhand en
voerde hem zachtjes met zich mede.
De beide vluchtenden volgden een aantal gangen, soms heel smal en
bochtig, dan weder breed en kaarsrecht en geen oogenblik aarzelde de
vrouw.
Eindelijk stond zij stil voor een groote, zware geweldige deur.
Zij bracht haar lippen bij het oor van Raffles en fluisterde:
„Dit is de deur, die het nieuwere gedeelte van het huis in verbinding
stelt met den ouden vleugel, dat de vreeselijke geheimen bevat, welke
gij nu kent. Zij is steeds gesloten. Ziet gij geen kans het slot te
openen?”
Raffles richtte het gedempte licht van zijn zaklantaarn op het slot van
de zware, met ijzer beslagen deur en trok een bedenkelijk gezicht.
Het was een zeer oud en buitengewoon ingewikkeld slot en er zou vrij
wat tijd verloren gaan met pogingen om het te openen.
Hij deelde zijn bevindingen aan de jonge vrouw mede en vervolgde toen:
„Bestaat er dan geen directe uitgang naar de straat in dezen ouden
vleugel?”
„Er is een deur geweest, maar Stanley heeft haar laten dicht metselen.”
„Gij waart dus inderdaad zijn gevangene?”
„Niets anders.”
„Dan valt er niets aan te doen, mevrouw. Dan moet ik mijn krachten wel
op dit slot beproeven. Wees zoo goed, mijn lantaarn vast te houden,
zoodat ik mijn beide handen vrij heb.”
Eleonora nam de zaklantaarn van hem over en nu pas zag Raffles, dat zij
in de rechterhand, waarmede zij ook een kleine reistasch vast hield,
een Browning van klein kaliber geklemd hield.
En aan de vastberaden uitdrukking op haar gelaat zag hij, dat zij tot
het uiterste bereid was, ingeval Stanley haar mocht willen dwingen, in
dit vervloekte huis te blijven.
Raffles had zijn bos loopers te voorschijn gehaald en begon nu met
groote vaardigheid het slot te onderzoeken.
Het duurde bijna twintig minuten voor hij er eindelijk in geslaagd was,
het ouderwetsche, weerbarstige slot te forceeren.
Voorzichtig trok hij de deur naar zich toe, en liet het licht van zijn
lantaarn in de breede gang vallen, welke de deur afsloot.
Maar voor hij verder ging, wendde Raffles zich tot zijn beschermelinge
met de vraag:
„Zijt gij nooit in het nieuwe gedeelte van het huis geweest?”
„Alleen wanneer hij mij bij de een of andere onderneming noodig had.”
„Gij hebt het huis dus wel eens verlaten?”
„Ja, maar daarvan heb ik nooit gebruik gemaakt, ik vreesde hem te
zeer.”
„Kent gij hier goed den weg?”
„Zeker. Wij hebben niets anders te doen, dan deze gang tot het einde te
volgen. Wij zijn hier gelijkvloers. De gang maakt aan het einde een
bocht en loopt daarna uit op de vestibule, waar zich de voordeur
bevindt.”
„Kom dan spoedig mede. Ik heb Stanley gewond tijdens den strijd, maar
zeker niet ernstig. Anders had hij zich onmogelijk kunnen verwijderen
en wie kan zeggen, welke verrassingen hij ons nog bereidt.”
Raffles duwde de zware deur verder open, die ondanks al zijn voorzorgen
een piepend geluid maakte, toen zij op de hengsels draaide en daarop
werd de tocht voortgezet.
Men hoorde niets anders dan de zachte schreden van de vrouw, want
Raffles liep zoo zacht, dat hij er evengoed niet had kunnen zijn, wat
dat betreft.
Alvorens de hoek van de gang om te slaan, onderzocht Raffles zorgvuldig
de gang, die op de vestibule uitliep en toen pas trok hij de vrouw met
zich mede.
De vestibule bleek flauwtjes verlicht te zijn door een electrische lamp
in den vorm van een Arabische lantaarn met gekleurd glas, die aan een
koperen ketting neer hing.
Raffles trad op de voordeur toe en schoof zachtjes de grendels terug,
waarna hij ook den zwaren koperen ketting losmaakte.
Maar juist toen hij den sleutel in het nachtslot omdraaide, verlichtte
een verblindende straal de ruime vestibule, en bijna op hetzelfde
oogenblik kraakte er een schot.
Raffles wendde zich bliksemsnel om, de oogen knipperend in het schelle
licht en hij zag, hoe Eleonora Manoury onder het slaken van een zachten
kreet die als een snik klonk, vlak naast hem ineen zakte.
En van de gaanderij, die rondom de vestibule liep, klonk een snijdende
stem:
„Dat is je verdiende loon, slet. Zoo vergaat het iedereen, die mij
verraadt en nu is het jouw beurt, John Raffles.”
Raffles had zijn revolver getrokken, maar waarop moest hij nu vuren?
Het licht van de electrische lamp, welke de moordenaar droeg,
verblindde hem en het was hem onmogelijk, een gedaante te bespeuren.
Hij vuurde op goed geluk, maar slechts een duivelsch lachje antwoordde.
„Vaar ter helle, John Raffles,” gilde Stanley, en Raffles, die wel
besefte dat hij een uitstekend doelwit opleverde, liet zijn gewapenden
arm zakken en onderwierp zich aan zijn noodlot.
Maar eensklaps geschiedde er iets onverwachts.
Het schot ging niet af, maar in de plaats daarvan doofde het schelle
licht plotseling uit. Rinkelend geluid van gebroken glas werd hoorbaar
en Stanley slaakte een kreet van pijn en dolle woede.
En tenslotte viel er iets met luid gekraak naar beneden. Het was een
zware stoel, die met dreunend geweld op het marmer van de hal
verbrijzeld werd.
En een oogenblik later klonk Raffles een welbekende stem in de ooren.
De stem van den trouwen Henderson, die riep:
„Hier ben ik, mijnheer Raffles. Op de gaanderij. Ik heb den schurk het
eerste wat onder mijn handen kwam naar het hoofd gegooid en ik geloof,
dat het raak was.”
„Jij bent het dus, James,” riep Raffles verheugd uit. „Nu, men kan
zeggen dat je op tijd bent gekomen. Een paar seconden later en ik was
er geweest.”
Onder het spreken had Raffles zijn zaklantaarn op volle kracht doen
opgloeien en hij richtte haar nu op de gaanderij.
En daar zag hij, geheel rechts, den braven chauffeur tegen de
ballustrade leunend en hem met den blik zoekend.
Maar toen Raffles het licht van zijn lantaarn richtte naar de plek,
waar hij enkele seconden geleden het felle licht had gezien, merkte hij
niets anders op dan een gedeelte van de leuning, dat totaal
versplinterd was, daar waar de zware eikenhouten stoel er met kracht
tegen aan was gevlogen.
Van Stanley echter viel niets meer te bespeuren,—ofschoon het zeker
was, dat de stoel hem geraakt had, al was het ook maar rakelings, zoo
had hij zich toch bijtijds in veiligheid kunnen brengen.
Raffles hoorde heel in de verte snelle schreden, daarop het dichtslaan
van een deur en toen niets meer.
Henderson wilde den schurk achtervolgen, maar Raffles riep hem toe:
„Laat dat, Henderson. Je kent dit afschuwelijke huis niet en je zou
slechts in een hinderlaag kunnen vallen. De kerel is ons voor ditmaal
ontsnapt, dat moeten wij nu eenmaal als zeker aannemen. Bij een
volgende gelegenheid is het geluk misschien aan onzen kant. Allereerst
moeten wij ons met deze ongelukkige vrouw bezig houden.”
Reeds had Raffles zich over Eleonora Manoury heengebogen, die met
lijkbleek gelaat en gesloten oogen op den grooten, dikken vloermat lag
uitgestrekt voor de deur.
Langzaam druppelde het bloed uit haar rechterborst.
Raffles maakte haastig den mantel los, ontknoopte de wollen blouse en
bevond, dat de kogel de ongelukkige vrouw even onder de rechterborst in
het lichaam was gedrongen.
En zeker zou het projectiel haar gedood hebben, wanneer de dikke
bontmantel de kracht van den kogel niet aanzienlijk had gebroken.
Niettemin was de wonde zeer ernstig, en Raffles begreep, dat hij
aanstonds handelend moest optreden, wilde de vrouw niet haar leven
tegelijk met haar bloed zien weg vloeien.
Juist toen hij zich weder oprichtte verscheen boven aan de trap een
bediende met zeer onthutst gelaat, slechts ten halve gekleed en een
blaker in de bevende hand.
Hij staarde een oogenblik onbewegelijk naar het zonderlinge tafereel
onder zich en scheen toen de vlucht te willen nemen, misschien wel om
de politie te telefoneeren.
Waarschijnlijk had het geluid van het schot hem uit zijn slaap gewekt.
Maar de gebiedende stem van Raffles deed hem aanstonds stil staan en op
zijn schreden terug keeren.
„Je hebt niets te vreezen, man, kom dadelijk hier. Hier sterft een
mensch als je ons niet behulpzaam bent.”
Bevend, volstrekt niet begrijpend, wat hier voorviel, met groote
verschrikte oogen, kwam de man de trap af.
Hij kwam schoorvoetend naderbij, en keek ontsteld van Raffles naar
Henderson en dan weder naar de zwaar gewonde vrouw op den vloermat.
„Zijn hier verbandmiddelen in huis,” vroeg Raffles kort af. „De vrouw
moet aanstonds verbonden worden, anders bloedt ze dood.”
„Ik zal dadelijk mijn meester gaan wekken. Ik weet dat hij een kistje
met verbandmiddelen in zijn studeerkamer heeft.”
„Je meester?” riep Raffles met toornigen lach. „Man, juist je meester
is het die deze ongelukkige vrouw heeft neergeschoten.”
„Wat zegt gij daar? Maar dat is onmogelijk. Hoe kon dat plaats vinden?
Wie is die dame dan?” riep de bediende uit.
„Vraag niet zooveel en breng ons dadelijk naar de studeerkamer,” beval
Raffles kortaf.
De bediende ijlde de trap op en Raffles volgde hem op den voet.
De studeerkamer bleek een klein vertrek te zijn met slechts een
venster.
De bediende trad op een fijn bewerkte kast toe, maar riep met een kreet
van teleurstelling:
„De kast is gesloten.”
„Waar zijn de sleutels?”
„Die heeft mijn meester meestal bij zich.”
Zonder verder tijd te verliezen hief Raffles zijn voet op en trapte de
deur eenvoudig in.
Hij rukte het paneel los tot grooten schrik van den bediende, die niet
wist of hij waakte of droomde, greep een blikken verbandtrommel die er
stond en ijlde weder naar de vestibule, terwijl de bediende achteraan
kwam.
In een ommezien had Raffles nu de wonde gezuiverd en met vaardige hand
verbonden, zoodat tenminste het onmiddellijke gevaar was afgewend.
Nu wendde hij zich tot Henderson en zeide op zachten toon:
„Zij moet onmiddellijk vervoerd worden. Je hebt immers de auto bij de
hand.”
„Ja, Mylord,” antwoordde de chauffeur zoo zacht, dat de bediende het
niet kon verstaan.
Maar nu kon de oude man zich niet langer inhouden en riep driftig:
„Wilt ge mij nu eindelijk zeggen, wat dit alles te beteekenen heeft? Ik
hoorde schieten, ik snelde naar beneden en ik tref u hier aan bij deze
doodelijk gewonde vrouw. Wat wilt gij hier in het holst van den nacht.
Wie zijt gij? Hoe komt deze vrouw hier in huis? Ik zou u raden, mij
antwoord te geven, anders zal ik direct de politie telefoneeren en mijn
meester waarschuwen.”
„Houd op met je leuterpraat, man,” riep Raffles toornig uit. „Ga dan
naar de slaapkamer van je meester en overtuig je zelf, dat ze ledig is.
Je meester is de grootste schurk, die ooit op twee beenen heeft rond
geloopen en jij bent een onnoozele hals. Mijnheer Stanley heeft de
vlucht genomen, nadat hij deze vrouw bijna had vermoord met een
revolverschot en als je dit niet wilt gelooven, des te erger voor jou.
Wil je de politie waarschuwen, ga gerust je gang, maar dan zul je
moeten wachten, dat wij ons in veiligheid hebben gebracht en als je
weten wilt, wie ik ben—ik ben John Raffles.”
En met deze woorden bukte Raffles zich, tilde de zwaar gewonde vrouw
behoedzaam van den grond en gaf Henderson een wenk, die snel de deur
opende.
Raffles trad naar buiten en op dat oogenblik sloeg Eleonora Manoury
even de oogen op, keek Raffles aan en sloot ze weder, terwijl een
glimlach snel als het weerlicht over haar bleek gelaat vloog.