II. GEROLDSAU.

Drie malen heb ik mij nedergezet onder de koele lommer dier groote

boomen, aan den oever dier heldere, murmelende wateren, bij den

waterval van Geroldsau.

De eerste maal was ik diep ongelukkig: een zware slag had mij getroffen

en mij den lust en het licht mijns levens geroofd.... De eenzaamheid

zoekende, vond ik, in eene kleine vallei, tusschen groene heuvelen,

die beek, die, rustig voortkabbelende, eensklaps in haar loop gestuit,

met groot gerucht in de diepte stort. Ach, was zij geen beeld van

mijn leven, ook zoo plotseling verstoord, verbroken, vernield? Was

dat klagend geluid, die doordringend weemoedige toon der vallende

wateren, niet als een echo mijner eigene ziel? Ik stond stil, en zette

mij neder aan den oever, luisterend naar de stemme, die al dieper

en dieper in mijn gemoed doordrong. En het was of die stem steeds

minder van smart en vertwijfeling, steeds meer van rust en kalmte en

ernstig streven sprak, steeds duidelijker getuigde van het blijvende

te midden van al wat verandert. En ik zag, hoe de beek, op korten

afstand, haar rustigen loop hernam, als hadde niets haar gestoord:

en de hoop herleefde, flauwelijk nog, in mijne geschokte ziel.

Toen ik haar wederzag, de schoone cascade, was ik niet ongelukkig, maar

langdurige, inspannende, vermoeiende arbeid had mijn geest uitgeput:

eene dofheid was over mij gekomen, die mij afleiding in reizen zoeken

deed. Weer voerde mijn weg mij naar den waterval bij Baden. En toen

ik daar nederzat, en naar die muziek der ruischende wateren hoorde,

was het alsof eene stemme mij toeriep; frischheid en leven, ook

voor den geest, ze zijn te vinden in de vrije, heerlijke natuur,

aan de borst van Gods schoone schepping, vanwaar kracht en bezieling

uitgaan. Is het gloeiend hoofd moe gepeinsd, naar buiten dan in het

vrije veld, in de lommer der bosschen, aan den oever der wateren, op

den top der bergen--daar slaat de geest op nieuw de matte wieken uit,

en verheft zich tot hooger sfeer.

En toen ik haar ten derden male weder zag, de cascade van Geroldsau,

toen was ik blijde en gelukkig en vol frisschen levenslust: want een

ster was opgegaan over mijn pad, en lieve handen strooiden bloemen

op mijn weg. En de stem der natuur klonk mij in de ooren als een

jubellied, als een triomfzang van het eeuwig bloeiende leven, vol

frischheid en jeugd.... Is zij iets anders, de natuur, dan de spiegel

onzer eigene indrukken? Of heeft hare stem voor ons zoo wondere kracht,

omdat de geest, die uit haar spreekt, ook fluistert in ons eigen hart?

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 46 / 48 题