Wat schilderachtig stadsgezichtje, dat oude Schaffhausen met zijne
zonderlinge huizen, zoo grillig en fantastisch van bouworde; zoo
bont geschakeerd langs de rivier, aan den voet van den heuvel,
waarop het kasteel troont. Onwillekeurig roept dit tafreeltjen u
de middeleeuwen voor den geest: op den berg de adellijke burcht;
daar beneden, de kerk, die haar slanke spits hoog ten hemel heft;
en om die beiden gegroept de huizen der eerzame poorters, door zoo
menigen band aan burcht en kerk verbonden, in hun leven en streven,
hun werken en denken zoo vaak, deels gewillig, deels gedwongen, de
leiding volgende, die van beiden uitgaat. En, mits die leiding goed
zij, wat steekt daar vernederends of onteerends in? Behoeft de schare
geen leidslieden; en is het niet goed dat er zijn, die, door geboorte
en levensbestemming en traditie meer dan anderen tot die taak bekwaam,
zich daar ook geheel aan wijden kunnen? Heeft, zouden wij bijna vragen,
het verbreken van dien natuurlijken, organischen band wel altijd heil
aangebracht? Maar wij mogen ons hier niet in zulke vragen verdiepen,
en willen dat ook niet doen. Genieten wij alleen het schilderachtig
tafreeltjen, zonder al te zeer de bijzonderheden te ontleden, die ons
wellicht menige onttoovering zouden berokkenen. En--wie weet?--wellicht
dat de tijd, waarvan deze muurwerken getuigen, van te nabij gezien,
ook iets zou verliezen van dien onbeschrijfelijk bekoorlijken glans,
die hem nu voor ons, van verre staande, omstraalt!