Deze "Zwolsche Herdruk" (Nº. I) werd in 1890 voor 't eerst
uitgegeven. De Inleiding werd in hoofdzaak in 1887 opgesteld; evenwel
niet bij de eerste druk gepubliceerd; wel werd een klein gedeeltetje in
die eerste druk in de Aantekeningen verwerkt. Bij de tweede (1903),
als in de derde, (1913), en in deze vierde druk is die Inleiding
verder alleen bijgewerkt.
In deze herziene herdruk zijn de Aantekeningen vermeerderd; de
woordelijst vergroot en aangevuld. (De aanhalingen zonder meer zijn
alle uit de Trouringh zelf.)
De tekst zelf is afgedrukt naar de eerste uitgave van Cats zijn
Trouringh, Quarto, 1637 (Mus. Catsian. nº. 171). [22] Deze druk is
zo goed als zonder drukfouten.
In de noten is een enkele maal aangehaald de Octavo uitgave,
de tweede druk van den Trouringh, van 1638. In deze ontbreken de
proza-aenmerckingen.
De belangrijkste varianten uit de folio-drukken van "Alle de
wercken", voor zover zij tijdens Cats-zijn leven nog verschenen,
zijn aangetekend.
De eerste van deze, een folio van 1655 (F1), heeft vrij veel
drukfouten; overigens stemt de tekst met de eerste druk van 1637,
op enkele uitzonderingen na, overeen.
Meer veranderingen in de spelling, maar minder drukfouten, treft men
aan in de tweede folio-druk van 1658 (F2).
Niet genoteerd zijn de variante lezingen uit latere drukken. In
de tekst van de bekende editie van 1700, die bezorgd en gedrukt
werd door Dan. van Dalen, Franç. Halma, de wed. van A. van Someren,
te Amsterdam, J. en Wilh. van de Water te Utrecht, is hier en daar
gewijzigd; zo heeft deze, om een voorbeeld te noemen: _verre_ voor
_verde_ (vs. 596); _let my doch_, voor _hangt my uyt_ (vs. 939);
_boot_ voor _biet_ (vs. 734), _troep_ voor _roep_ (vs. 1032), enz.
De taal der XVIIe eeuw verschilt van de onze voornamelik in de vele
woorden, die nu een van de toenmalige, dikwels weinig, afwijkende
betekenis hebben. Bij de samenstelling van het Glossarium is
voornamelik op deze synoniemen gelet: niet enkel zijn die woorden
opgenomen, welke geheel van betekenis zijn veranderd, of sedert uit
de taal zijn verdwenen.
De asterisken in de tekst staan in 't algemeen waar de zin of het
woord kon worden misverstaan. Zij verwijzen naar het Glossarium,
en in een aantal gevallen naar de Aantekeningen. In beide is evenwel
meer opgenomen, dan het aantal asterisken aangeeft.
Ten slotte een woord van dank aan die op enigerlei wijze door hun
hulp deze uitgave hebben bevorderd.
_Zwolle_, Herfst 1921. B. H.
Mr. N. Beets, Oud-Onder-Direkteur van 's Rijks Prenten Kabinet in
Amsterdam had de welwillendheid de volgende mededelingen ons te
zenden over de bijgevoegde autotypieen, waarvoor wij hem onze beste
dank zeggen.
De drie tusschen den text geplaatste reproducties zijn genomen naar
de oorspronkelijke illustraties van het Spaens Heydinnetie in Cats'
Trou-Ringh (ed. 1637).
Twee ervan (pag. 7 en 15) zijn gegraveerd naar teekeningen van
den bekenden Haagschen schilder en dichter Adriaen Pietersz van de
Venne (1589-1662), die voor nog tal van andere illustraties van den
Trou-Ringh--ook voor de groote titelprent van 1636--de ontwerpen
gaf; de een door Crispijn van Queborn (1604-1653 ?); de ander door
A. Mattham (1606-1660). De derde (pag. 30) is door denzelfden Adriaen
Mattham gegraveerd naar een teekening van den Dordtschen schilder
Jan Olis, (± 1610-± 1655) die eveneens eenige teekeningen voor den
Trou-Ringh leverde.
Als titel wordt hier gereproduceerd een ets die Majombe met, op den
arm, de kleine Constance "behangen met juweelen" te zien geeft. De
ets is van Pieter Nolpe (1613-1652) naar Simon de Vlieger (1601-1653),
welke laatste ook aan de Trou-Ringh van 1637 medewerkte. Het prentje
is er een uit een reeks van zes, alle door Nolpe geëtst. Het zijn
illustraties voor
het leven van konstance. Waer af volgt het tooneelspel De spaensche
heidin: Door M. G. T. t'Aemsterdam, gedrukt bij Nicolaes van Ravesteyn,
voor Johannes Jacott, Boekverkoper by de Beurs, op 't Rockin, inde
vergulde Cronyck, 1643. [23]
1921. 1913.) N. Beets.
SELSAEM TROU-GEVAL
TVSSCHEN EEN
SPAENS EDELMAN, ENDE EEN HEYDINNE;
Soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde.
Daer is een selsaem* volck genegen om te dwalen, [24]
Gedurigh om-gevoert in alle vreemde palen*,
Dat (soo het schijnen magh) als in het wilde leeft,
Maer des al niet-te-min syn vaste wetten heeft.
Het laet sigh over-al den naem van heydens geven, 5
En leyt, al waer het koomt, een wonder selsaem leven;
Het roemt sigh dattet [25] weet uyt yders hant te sien,
Wat yemant voor geluck of onheyl sal geschien.
Maiombe was het hooft van dese rouwe gasten,
Die staegh op haer bevel en op haer diensten pasten*, 10
Sy was loos, vals, doortrapt, en slim in haer bejagh*,
Soo veel als eenigh wijf op aerden wesen magh*;
Sy quam veel tot Madril [26] of in de naeste steden,
Want mitse* kluchtigh* was, soo wertse daer geleden*.
Sy had in haer gevolgh al menigh gau verstant, 15
Soo datse gunst en hulp by al de jonckheyt vant.
Sy stal eens seker kint te midden opter straten,
Dat uyt een edel huys daer eensaem was gelaten,
Het was een aerdigh dier*, maer jongh en wonder teer,
En 't is maer twee jaer out, of slechts een weynigh meer. 20
De meyt, wiens ampt het was hier op den dienst te passen,
Die gaf de buert een praet, en liet het wicht verrassen:
Maiombe was verblijt, niet om het geestigh* kint,
Maer datse rijck gewaet ontrent* syn leden vint.
Sy geeft haer metten buyt in onbekende vlecken*, 25
En waer het onguer* heir genegen is te trecken.
Doch wat de moeder socht, en waer de vader schreef,
Men hoort niet hoe 't haer gingh, of waer het meysje bleef.
Hoe nau daer wort gevraeght, hoe nau daer wort vernomen,
Men weet niet wat geval het kint is over-komen: 30
Waer dat men immer* sont, of waer men vragen kan,
'T is al om niet gepooght, geen mensch en weter van.
Maiombe liet het kint verscheyde dingen leeren,
Waer mede dat het mocht syn teere jeught vereeren*,
Eerst singen na de kunst, oock springen op de maet, 35
En wat na 's lants gebruyck een vrijster* geestigh staet.
Het kint wast onderwijl, en leerde vreemde saken,
En grepen na de kunst, en veelderhande spraken,
En selsaem hant-gespel,* en ick en weet niet wat,
Waer van schier niet een mensch de rechte gronden vat. 40
Het was van schoone verw, en vrolick in het wesen*,
Daer is een diep vernuf in syn gelaet te lesen:
Het had een wacker oogh, en swart gelijck een git*,
Syn aensicht even-wel is uyter-maten wit.
Het kon syn frissche jeught, syn wel-gemaeckte leden 45
Tot alderley gedans* en alle spel besteden*;
In vougen [27] dat het volck, en wie het maer en sagh,
Sigh van het aerdigh dier als niet versaden magh.
Noch* kan de jonge maeght geen kleyne lust verwecken,
Als sy met haer gesangh de sinnen weet te trecken: 50
Men vint dat hare stem een yders herte steelt,
Wanneerse maer een reys een aerdigh deuntjen queelt.
Maer des al niet-te-min sy wil geen vuyle dingen,
Sy wil geen dertel jock, geen slimme* rancken* singen;
Haer mont is wonder heus, haer oir en sinnen teer,* 55
Al wat oneerlick* luyt en singhtse nimmermeer.
Des heeftse by haer volck soo veel ontsagh gekregen,
Dat sy het menighmael geleyt in beter wegen:
En schoon dat hun de mont tot vuylheyt is gewent,
Men hoort geen dertel woort als syder is ontrent. 60
En of oock al het rot* tot stelen is genegen,
Sy straft het vuyl* bejagh en isser heftigh tegen:
En mits* sy wonder veel met sangh en spelen wint,
Soo is Maiombe zelfs tot stelen [28] niet gesint.
Doch sooder eenigh dingh bywijlen is genomen, 65
Sy doetet aen den dagh en voor de lieden komen;
Maer al door sneegh* beleyt en met een loosen vont,
Soo datter niet een mensch en weet den rechten gront.
Sy riep een van den hoop, en liet hem veerdigh [29] draven,
En liet, wat yemant stal, in eenigh velt begraven, 70
En dat of by een boom, een hooght of kromme bocht,
Ten eynde men het pant by teyckens vinden mocht.
En wertse dan gevraeght op 't gunter is gestolen,*
En wie het heeft ontvremt, en waer het is verholen,
Soo maecktse voor het volck een wonder vreemt verhael, 75
In woorden sonder slot in onbekende tael.
Maer seyt dan op het lest, dat onder gene linden*,
Of aen den naesten bergh het goet is uyt te vinden:
En als men dan het kraem* daer uyter aerden track,
Soo wast dat al het lant van hare wonders sprack. 80
Doch sy wist boven al haer saken aen te leggen,
Om aen de losse* jeught geluck te konnen seggen;
Het schijnt dat sy den gront van alle zielen kent,
En schier wat yder mensch in syn gedachten prent
Sy wist al watter loopt* op in de hant te kijcken, 85
En hoe dat yemants aert kan uyt het wesen blijcken,
En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt,
En wat men uyt een oogh of ander lidt besluyt.
Oock uyt den neus alleen soo kanse gronden* trecken,
Waer heen dat yemants lust of gulle* sinnen strecken; 90
Want isse plomp, of scherp, of hoogh, of bijster plat,
Sy heeft van stonden aen syn aert daer uyt gevat.
Sy wist als op een draet, nae mate van de jaren,
Wat yder over-koomt en plagh te wedervaren,*
En wat een teere maeght in haer gewrichte voelt, 95
En wat een jonge wulp* ontrent den boesem woelt.
Sy weet (gelijck het schijnt) de gangen van de sterren,
Waer in het klouckste breyn by wijlen kan verwerren:
Sy weet en wat de son en wat de mane dreyght*,
En waer toe sigh het jaer en al den hemel neyght. 100
Een wie haer openbaert wanneer hy is geboren,
Dien weetse by gevolgh* syn leven na te sporen:
Nu spreecktse wonder breet van druck en ongeval,
En offer yemant arm of machtigh* werden sal.
Sy weet den leven-streep in yders hant te wijsen,* 105
Daer uyt een vremt gevolgh en groote dingen rijsen;
Want is de linij recht en sonder krommen tack,
Soo roemtse stage vreught en nimmer ongemack.
Maer valtse dickmael scheef en in verscheyde bochten,
Soo wort hy dien het raeckt met droufheyt aengevochten*. 110
Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt,
Soo dienter voor gewis een swaren val geschroomt.
Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen,
Sy kan oock rijcken* selfs uyt hant of vingers lesen:
En somtijts groot verlies, en somtijts grooten schat, 115
En somtijts wel een galgh, of oock een schendigh* rat.
Sy wijst een vrijer aen, wanneer hem staet te paren,
Een vrijster ofse veel of luttel heeft te baren,
En ofse by den man sal wesen liefgetal*,
Dan of hy buyten haer syn lust gebruycken* sal. 120
Dit meynt schier al het volck alsoo te moeten wesen;*
Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen,
En al vermits sy breet in desen handel* weyt*,
En van het naer* geheym soo klare reden seyt.
Genaeckt men eenigh dorp daer weetse flucx te vragen. 125
Hoe sigh in haer bedrijf* de meeste lieden dragen,
En wie sigh daer ontgaet* in lust of dertel bloet,
Doch meest wat over-al de losse jonckheyt doet.
En als sy gasten vint daer yet op valt te seggen,
Soo weetse na de kunst haer saken aen te leggen; 130
Sy maeckt aen yder mensch syn feylen openbaer,
Als of uyt syn gesicht het quaet te vinden waer.
Wat sy van yemant weet dat veynst sy als te lesen
Of uyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen*:
En dit noch altemael met soo een gauwen streeck, 135
Dat oock de sneeghste* man verwondert stont en keeck.
Als haer een juffer vraeght, wat man haer staet te trouwen,
Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen;
Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mont,*
En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen* gront. 140
Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen*,
Sy kan de gauste selfs met schijn van reden payen;
En alsse dan een reys de rechte gronden treft,
Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft.
Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde, 145
Die haer als in het oir verholen dingen seyde:
En mits* dit al geschiet door soo een jonge maeght,
Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght.
'T geviel om desen tijt dat in dien eygen lande
Een jongh een aerdigh dier door jeught en liefde brande, 150
En hy die haer het breyn en oock den geest besat,*
Was even als de maeght met hare min gevat.
Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren,
Vermits sy niet gelijck in goet of staet* en waren;
De juffer is te* rijck, als maer een eenigh kint, 155
Soo dat haer drouve vrient voor hem geen troost en vint.
Giralde lijckewel* die bleef tot hem genegen,
En is om synent wil als sieck te bed gelegen;
Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort,
Soo datse menighmael veel drouve tranen stort. 160
Of schoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen*,
Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen,
Sy klaeght, en (soo het schijnt) sy voelt gestage pijn,
En desen onverlet* sy wil geen medeçijn*.
Haer vader niet-te-min die liet een doctor halen, 165
Maer die gingh even-staegh* als in het wilde dwalen,
Hy weet niet watter schort, hy weet niet wat te doen,
Hy weet voor hare quael geen sap of heylsaem groen*.
Hy staet als buyten spoor, en is geheel verlegen,
En al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen:* 170
Dies seyt hy, dat het quaet een langer tijt behouft,
En, siet, hier is het huys* ten hooghsten in bedrouft.
Iuyst op dien eygen tijt soo quammer Preçiose,
Op datse daer ontrent een goede plaets verkose
Voor haer [30], voor haer gevolgh, en voor het gansche rot; 175
Dies wortse veel gesien ontrent het naeste slot.
De vrouwe van het huys, bewust* van hare saken,
Wou door het aerdigh dier haer dochter wat vermaken;
En daerom sentser om, en leytse voor het bedt,
En seyde: Niemant weet wat dese vrijster let. 180
Ghy siet* eens wat haer schort, en soo ghy weet te seggen
Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen,
Mijn gunste, soete* maeght, die sal u zijn getoont,
En ghy van mijner hant ten hooghsten zijn geloont.
Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken* 185
Met wonder soet* beleyt en ongewoone streken,
Het queelt een geestigh dicht, het speelt een aerdigh liet;
Maer wat het immer* doet ten* baet de siecke niet.
Als dit Constançe merckt sy gaet sigh naerder setten*,
Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten, 190
Sy bid dat al het volck wil* uyt de kamer gaen,
En sprack de siecke maeght in dese woorden aen:
Ey lieve segh een reys (ick dien het toch te weten)
Hebt ghy ontijdigh* freuyt of harden kost gegeten,
Of is u swacke maegh met suycker overlast,* 195
Of hebje by geval te langen tijt gevast?
Of is u 't lijf verdraeyt van op de jacht te rijden,
Of door een harden val gebracht in bitter lijden?
Of is u bloet verhit door al te langen dans,
Of hebje laet gewaeckt ontrent de maeghde-krans? 200
Of isser yet verstopt in uwe teere leden,
Daer van ghy die het lijt alleen verstaet de reden?
Of isser yet verstelt* in uwen teeren schoot?
Een maeght magh aen een maeght wel seggen haren noot.
Spreeckt ront gelijck het dient van u verholen wesen, 205
Ghy sult door mijn behulp in korten zijn genesen;
Ick weet wat aen de jeught by wijlen kan geschien,
En schoon al ben ick jongh ick hebbe veel gesien.
Giralde seyde neen op al haer snege vragen,
Dies gaet Constançe voort en opent nieuwe lagen*; 210
Hoort (seytse) kenje niet een hups en aerdigh quant*,
De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant.
Hebt ghy hem menighmael niet geestigh hooren praten,
Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten?*
Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt 215
Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt?
Ey lieve, zoo je meent den vrijer oyt te trouwen,
En wilt hem niet te langh in angst en twijffel houwen.
Een die syn tanden breeckt als hy een note kraeckt,
Diens vreught is niet te groot schoon hy de keeren* smaeckt. 220
Giralde kreegh een blos, en wert geheel ontsteken*,
Als sy dit geestigh dier van vrijen hoorde spreken;
En schoon sy veynsen wou, haer bloet is boven haer,*
Dat maeckt haer innigh* hert ten vollen openbaer.
Haer geest is op den loop, haer pols begon te jagen, 225
En al met vreemt gewoel van ongelijcke slagen.
Constançe wederom: Nu sie ick watter schort;
Ghy (wat ick bidden magh) en doet u niet te kort.
Spreeckt soo de reden eyscht, en laet u moeder weten,
Wat voor een edel geest u sinnen heeft beseten*. 230
Want hoe ghy langer swijght, en meer u sieckte deckt,
Hoe dattet uwe jeught tot grooter hinder streckt.
De siecke vrijster sucht, en al haer leden beven,
Haer sinnen even-selfs* die worden om-gedreven,
Nu sie ik (sprack de maeght) wat kunst en wijsheyt doet; 235
Ghy weet, gelijck het blijckt, den gront van mijn gemoet,
Des wil ick nu voortaen in geenen deel verswijgen,
Waer na te deser uyr mijn jonge sinnen hijgen.
Wat dienter meer geveynst? ick ben van liefde kranck,
En dat heeft nu geduert wel seven maenden lanck. 240
Wilt dit nu met beleyt mijn ouders openbaren,
En raet hun acht te slaen op mijn bedroufde jaren.*
Want soo ick dien ick min niet haest genieten* magh,
Soo is de gront geleyt van mijnen lesten dagh.
My sal geen spruyt, of kruyt, geen sap, of pap genesen; 245
Ick sal begraven zijn, ick wil begraven wesen,
Indien ick niet en krijgh hem die mijn hert bemint,
En sonder wien mijn ziel geen rust op aerden vint.
Terstont na dit gespreek soo stortse duysent tranen,
Die met een stage veur* haer teere wangen banen*. 250
Constançe troost de maeght, en geeft haer goede moet,
En stremt, door soet gespreck, haer gullen* tranenvloet.
Hier op is, des versocht, de moeder in-gekomen,
Die had tot haer behulp een doctor met genomen;
Constançe gaeter by, maer trat bezijden af,* 255
Daer sy haer* met bescheyt* het stuck te kennen gaf.
Het speet* de medeçijn, dat sy de rechte gronden
Van dese maeghde-quael had kunstigh ondervonden*;
Te meer, vermits hy weet dat oock de klouckste* man
Dit uyt geen herte-slagh of ader voelen kan. 260
Maer als hy in gespreck met haer began te treden,
Doen gingh Constançe ront*, en gaf hem dese reden:
Een maeght van achtien jaer, af-keerigh van genucht*,
Die veeltijts sonder slaep geheele nachten sucht,
Die, als men slechts begint van vrijers yet te spreken, 265
Verandert in gebaer*, en laet haer woorden steken,
Die staegh wil eensaem zijn, en nimmer uyt en gaet,
En, schoon al isse jongh, het soet geselschap haet,
Die geel en deerlick* siet, en leeft als sonder eten,
Wat soo een vrijster schort dat heb ick wel te weten; 270
Ick segge, dat geen salf haer oyt genesen kan,
Maer dat haer stil* gebreck vereyst een rustigh* man.
Hier by koomt dat ick sie haer oogen in-gesoncken,
Maer vierigh even-wel, gelijck als helle voncken,
Haer pols geweldigh ras, haer water bijster root. 275
Hoe? kan dit anders zijn als enckel minne-noot?
Voor my ick stel het vast. ghy mooght het overleggen,
V dochter even-selfs sal u de waerheyt seggen,
Soo ghy haer recht bevraeght; want, na haer saken staen,
De noot die roept om hulp, daer is geen veynsen aen. 280
De doctor laet de spijt, na deze woorden, varen,
En prijst het rijp verstant in soo onrijpe jaren;
Soo dat hij naderhant* haer niet als eer bewees,
En met een vollen mont* haer snege vonden prees.
Of nu het listigh* dier yet van den handel* wiste. 285
Dan of het na de kunst en schijn van reden* giste,
En stel ick niet te vast; doch hoe het immer was,
De vrijster kreegh een man, en hare koorts genas.
Soo haest de jonge maeght haer vont te zijn genesen,
Soo wou sy metter daet beleeft* en danckbaer wesen, 290
Sy let* hoe 't heydens* volck gansch sober is gekleet,
En 't is haer teere jeught een innigh herten-leet.
Sy sprack haer moeder aen: Van yemant gunst ontfangen
Doet stracx een billick* hert met alle vlijt verlangen
Om weder-gunst te doen. Vrou moeder, 't is bekent 295
In wat een drouven stant mijn ziele was belent*;
Nu ben ick (Gode lof) gesont in al de leden,
Ghy toont* een danckbaer hert, dat leert de wijse reden;
Dit heir is wonder naeckt, ghy kleet het schamel rot,
Dat sal haer dienstigh zijn, en lief aen onsen God. 300
Voor al en dient by ons de vrijster niet vergeten
Die u van mijn verdriet de gronden leerde weten.
Indien ick yet vermagh, soo weest toch hier beleeft*;
Al wie den naeckten kleet ontfanght meer als hy geeft.
De moeder wederom: Dit zijn gansch rouwe menschen, 305
Die om geen prachtigh kleet, en min om rijckdom wenschen;
Sy dwalen evenstaegh*, dat is haer oude wet*,
Het gelt dient haer tot last, een kleet maer tot belet*.
Dus schoon ick haer een kleet wou om de leden hangen,
Ick houdet voor gewis men soudet niet ontfangen. 310
Ké* moeder, seyt de maeght, ghy zijt my wat te taey*,
Ey lieve, schenckse wat al waret enckel baey*.
Laet haer doch uwe gunst om mijnen t'wil [31] verwerven,
En laet my des te min wanneer ghy koomt te sterven;
De moeder lougher om, en prees de goede ziel, 315
Maer soo dat van de gift of niet of weynigh viel.*
Als yemant naer een quael bekoomt syn vorigh wesen,
En dat een jonge wulp van krevel* is genesen,
En dat een schippers gast sigh op het drooge siet,
Dan smelt een danckbaer hert wel* licht tot enckel niet*. 320
Giralde lijckewel*, nu onder echte wetten,*
Beschonck het geestigh dier met hondert pistoletten,
Een bruyt-stuck* voor den dienst. Daer lough het gierigh* wijf,
En vont in dit verhael een aerdigh tijt-verdrijf.*
Dit maeckt de jonge maeght vermaert in alle steden, 325
Mits* sy de vrijsters kent tot in haer diepste leden,
En 't bracht aen 't gansche rot geen kleyne baten in;
Want daer Constançe quam daer wasset al gewin.
Maiombe die sigh liet haer beste-moeder* noemen,
En laet geen vreemde mans ontrent haer nichte* komen, 330
Sy neemt haer evenstaegh met al de sinnen waer,
En waer de bende reyst, sy slaept benevens haer.
Daer was ontrent Madril een buyten-hof te vinden,
Bevrijt met boom-gewas van alle sture* winden,
Hier viel om desen tijt een openbare* feest, 335
En daer bewees de maeght haer uytgelesen geest.
Daer is een prijs geset voor die met aerdigh* singen,
Daer is een prijs geset voor die met luchtigh springen
Sou sweven boven al; en 't is de snege* maeght
Die aen het nieusgier volck in beyde meest behaeght. 340
De knopjens* van yvoir die aen haer vingers waren; [32]
Gaen boven alle spel en boven alle snaren;
Want alss' haer soete stem en rasse vingers roert,
Soo wort al wie het hoort door lusten om-gevoert*.
'T en is door geen gespreck* de menschen uyt te leggen, 345
'T en is (na mijn begrijp) met woorden niet te seggen,
Wat schoonheyt al vermagh. De kunst is liefgetal*,
Maer koomter schoonheyt by soo gaetse boven al.
Daer was om desen tijt een ridder in den velde,
Die meest* het kleyne wilt met snege bracken quelde*: 350
En t'wijl hy in de jacht sigh al te besigh hout,
Soo raeckt hy buyten spoor te dolen in het wout.
Hy weet geen jagers meer, hy weet geen snelle winden*,
Hy weet in al* het bosch syn pagjen* [33] niet te vinden:
Maer t'wijl hy eensaem dwaelt, verneemt hy nevens hem 355
Een wonder soeten galm, een onbekende stem.
Hy staet een weynigh stil tot by* hem is vernomen
Van waer het soet geluyt tot hem was af te komen [34],
En daer op trat hy voort, en met een stillen gangh
Soo quam hy in het dal van waer men hoort den sangh. 360
En mits* hy tot de plaets nu dichte quam genaken,
Soo gaet hy door het loof een open ruymte maken,
Ten eynd' hy mochte sien wie in het naeste gras*
Soo wonder aengenaem van sangh en stemme was.
Twee vrijsters aen den bergh die pluckten versche rosen, 365
Die sy tot haer vermaeck uyt al de velden kosen,
En wat ter zijden af, ontrent een groenen bocht*,
Daer sat een jonger maeght die rose-kransen vlocht.
Een wijf van vreemt gelaet*, geseten aender heyden*,
Dat quam* (gelijck het scheen) het jonge rot geleyden; 370
En schoon sy mede pluckt, of rosen over-draeght,
Soo heeftse staegh het oogh ontrent de jonge maeght.
En t'wijl men besigh is ontrent de versche bloemen,
Vernam* Don Ian het volck dat wy heydinnen noemen,
En siet de jonge spruyt die in het groene sat 375
Heeft op den staenden voet hem door het oir gevat*,
Hem door het oogh verruckt. hy siet haer geestigh* wesen,
En hoort haer soete stem, en heeftet bey gepresen.
En t'wijl hy staet en dut* en op de vrijster siet,
Soo hief sy weder aen, en songh een ander liet. 380
Schoon bloem-gewas, en edel kruyt 381
Van 's hemels dau gevoet,
En al wat uyter aerden spruyt,
Ghy wort van my gegroet.
Ick koom hier aen der heyden gaen,
Daer souck ick mijn vermaeck,
Ick gae op u mijn oogen slaen,
En 't schijnt dat ick ontwaeck*.
Ick sie mijn beelt in uwe jeught, 389
Dat my eerst heden blijckt.
Ick schep mijn lust uyt uwe vreught,
Vermits ghy my gelijckt.
V schoone verw en frissche glans
Verçiert het gansche velt.
En, naar het seggen van de mans,
Ben ick oock soo gestelt.
Maer daer is noch een ander stuck, 397
Dat med' ons beyde raeckt;
Dat is dat ramp en ongeluck
Gansch licht tot ons genaeckt.
Besiet hoe ras een bloemtje sterft,
En plat ter aerden sijght:
Besiet hoe licht syn glans verderft,
En dorre plecken krijght.
Besiet hoe dat een frissche roos, 405
(Ick meyn een jonge maeght)
Een die men onder duysent koos,
En al de jeught behaeght,
Besiet hoe licht een schoone blom
Verliest haer eersten glans;
Schoon sy was lief en wellekom
By alle jonge mans.
Wel roosjens, çiersels van het velt, 413
Kan dit alsoo geschien?
En ist met u alsoo gestelt,
Soo dienter in versien.
Maer segh wat kan u beter zijn,
Als datje wort gepluckt?
Niet door een bock of gortigh* swijn,
Om soo te zijn verdruckt.*
Maer om te zijn een hupsche* kroon, 421
Ter eeren van de jeught.
Vw plucker tot een soete loon,
En tot een stage vreught.
En of u tijt is wonder kort,
Maeckt daerom geen getreur;
Want schoon een frissche roos verdort,
Sy hout een soeten geur.
Wel nu wy staen in eenen graet*, 429
O çiersel van het wout,
Koom geef my doch van uwen raet
Die ghy voor sekerst' hout.
Moet oock mijn bloemtje t'syner tijt
Van yemant zijn gepluckt ?
PAN. Iae, vryster, soojet weerdigh zijt,
En soo het u geluckt.*
Daer zijnder niet dan al te veel 437
Die staegh ten toone staen,
Sy bieden ons een groene steel,
Maer niemant wilder aen.
Daer sweeft haer blat dan met den wint,
Als stof gemeenlick doet.*
Ach 't bloemtje dat geen plucker vint,
Dat treet men met den voet.
PRETOISE. Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt 445
Geresen uit het wout?
My dunckt hier sit een slimme* guyt
Gedoken in het hout.
Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,*
Die woont hier in het groen.
Dat is van outs de rechte man
Om vrijsters leet te doen.
Wel lincker* wie ghy wesen meught, 453
Ick bid u weest gerust.
Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught
Is niet voor uwen lust.
Ick wachte voor mijn beste pant,
Tot troost van mijn verdriet,
Ick wachte vry een weerder hant;
Maer u en wacht ick niet.
Terwijl hem* dit gebeurt met wonder groot vernougen, 461
Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen,
En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal,
Dat haer* vermenghde stem verheught het gansche dal.
De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren, 465
Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*.
Wel of dit heydens* kint (seyt hy met vollen mont)
Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,
Waer* sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen*
En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen. 470
Hier op soo treet hy toe, en geeft* hem by de maeght,
Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght.
Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te weten
Waer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten
Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht, 475
Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht.
Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,
Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen,
En maeckt* haer daer ontrent, op datse mocht verstaen
Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen. 480
Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesen
Dat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen,
Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh,
Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh.
Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*, 485
Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;*
In 't korte, watse doet en watse neemt ter hant,
Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant.
De ridder onderdies ontstelt* door heete voncken,
Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken; 490
En daerom als hy wist wie dat Maiombe was,
Soo is hy nevens haer gesegen* in het gras:
Soo is hy met het wijf in veelderhande reden,
En met Constançe selfs in langh gespreck getreden;
Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier, 495
Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier.
Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen,
En soo u dat beviel, soo waer ick haest* genesen,
Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch,
En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch. 500
Het woort is nau geseyt, de soete Pretiose
Die kreegh hier op een blos gelijck een versche rose,
Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght,
Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght:
Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche* treken, 505
En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*;
Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt)
Ick wetet, lieve vrient, al wattet is [35] geseyt.
Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten* raven,
Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*; 510
De raef had lecker aes en drough het in den beck,
Dit sagh de loose vos, en speeld' hem desen treck:
Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen,
En zijt van outs geleert* in alle soete dingen,
Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst, 515
Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst.
De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*,
Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden;
En mits* dat hy den beek tot singen open stelt,
Soo viel het lecker aes te midden op het velt. 520
Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beyden
Begaf hy metten roof sigh midden opder heyden,
Daer at en lough het dier, en al met vollen mont,
Terwijl de malle* raef bedrouft en eensaem* stont.
Ick ken (al ben ick jongh) den aert van 't listigh prijsen, 525
En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,
Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet;
Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.
Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen,
Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen, 530
Als slechts op desen gront, ten eynd' u geyle lust
Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?
Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen,
Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.
Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh, 535
Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.*
Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen,
Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;
Weet datter onder 't volck dat ghy voor heydens groet*
Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet. 540
Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*,
Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*,
Soeckt daer bequame* stof voor u ongure* vreught,
En laet my 't edel pant van mijne reyne jeught.*
Als 't wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken, 545
Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,
Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient,
Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers* dient.
De joncker als verbaest* van soo gestrenge woorden,
Die hem als door het oir tot in het herte boorden, 550
Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,
En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.
En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,
Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,
En dat op desen voet; hy treckt van syner hant 555
Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.
En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,
En by het ridderschap my van den prins gegeven,
Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,
Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet. 560
'K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen,
Ick wil u na den aert* van onse wetten trouwen,
En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant,
Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant.
Te midden in het woort soo biet hy Pretiose 565
Een schoonen diamant. Sy, na een lange pose
Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht,
Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht:
Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,
Maer ghy sult uwen staet* in my te seer verkleenen; 570
Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,
Hier dient niet in* gegaen als met besetten* raet.
Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten
Dat u in dit geval is dienstigh om te weten,
En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen, 575
Eer dat wy tot besluyt in desen handel* gaen*.
Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,
En u aen onse wet ten vollen over-geven:
Ghy moest benevens* ons gaen dolen achter* lant,
By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*: 580
Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten,
Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten,
Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,
Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;
En dit al, goede vrient, om wel te mogen* letten, 585
Of nut en dienstigh is u sin op my te setten,
En med' aen d'ander zy, of my oock dienen sou
Met u dit vry gemoet* te binden aen de trou.
Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*,
Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen; 590
Dit moet de preuve* [36] zijn van uwe liefde, vrient,
Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*.
Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden,
Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.
Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht, 595
Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht.
Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,
En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,
En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,
Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal. 600
Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,
Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;
Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rot
Met hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot.
Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechten 605
Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,
Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,
Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.
Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,
Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse* reden, 610
En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,
En berst noch op het lest in dese woorden uyt:
Eylaes! wat gaet my aen* aldus te liggen mallen*,
En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,
Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust, 615
Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?
Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,
En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*,
Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant,
Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant? 620
Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven,
En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?
Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,
Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?
Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen* haet verwecken, 625
En door het gansche rijck mijn voorstel* doen begecken?
Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,
Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap* nam?
Dat ick, als tot een spijt* van alle Christen-vrouwen,
Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen? 630
Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer,
Let op uws vaders huys en op u eygen eer.
Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,
En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken.
Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof, 635
Daer is tot u gerief al vry bequamer stof.
Indien ghy zijt gepast* met wel-gemaeckte leden,
Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden,
Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,
Daer u naeu-keurigh* hert vernougen vinden sal. 640
Indien ghy zijt vermaeckt* met wel en net te spreken,
En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.
Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,
Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet;
Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen, 645
Treckt maer u grilligh* oogh van dees ongure menschen,
Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck;
Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck.
Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,
En mijn ellendigh hert in dese prangen* stellen? 650
Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen,
Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?
Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,
Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:
Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil, 655
Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.*
Ick word', eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren,
Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.
Het vleesch is wonder sterck, en 't is een deftigh* man,
Die hier het velt behout en meester blijven kan. 660
Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose,
Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;
Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,
Ick hael het weder in* al wat ick heb geseyt.
Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesen 665
Koomt als een helle son in mijnen geest geresen,
En dat ick sie den glans van u beleeft* gelaet,
Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet.
Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,
Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen, 670
En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,
Vermits mijn rouwe* jeught hier in te lage valt.*
Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d'oude jaren,*
Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren;
Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht, 675
Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?
Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,
Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,
En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,
Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier. 680
Heeft niet Alcmenaes soon,* die monsters had verwonnen,
Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen,
En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,
Bezijden dit geval, ter eeren duyden* kan?
Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen, 685
Is inder haest verruckt* door heete minne-vlagen,
Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin,
Maer, ick en weet niet hoe, een sloir* een harderin?
Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,
En doet al menighmael de wijste lieden dolen, 690
Het brenght hen in den geest een aengename pijn,
En seyt: Dat Gode vought* wien kan het schande zijn?
Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,
Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven,
Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt 695
Ter plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.
Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten,
Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,
Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,
Syn vremde dweepery en noyt bekende* min. 700
Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,
Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;
En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,
En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.
Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose, 705
En* scheen in haer gelaet gelijck de versche rose,
Oock* schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam,
Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.*
Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken,
Waer van dien eygen stont het leven is geweken, 710
Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant,
Is op den staenden voet in haren eersten stant:
Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden,
Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden,
Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult, 715
En watter komen magh te dragen met gedult.
Ick ben van nu bereyt u wijsen* aen te vangen,
Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*;
Ick sal om uwen t'wil [37] met blijdschap onderstaen
Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen. 720
Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te trecken
Al wat syn edel lijf voor desen plagh te decken;
Soo dat hy eer* een uyr daer op den velde state
In als* soo toe-gerust gelijck een heyden gaet.
Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen, 725
En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;
Daer wort syn hooft gewiet* te midden in de schaer,
Maer al met naer* geheym en wonder vremt gebaer.
De naem die hem wel eer was in den doop gegeven,
Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven, 730
Wort by* hem voor het volck ten vollen af-geleyt,
Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.*
Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden,
En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:
Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet, 735
'T is nut dat ghy den gront* van onse rechten weet.
Ick dan, een opper-hooft van onse med'gesellen,
Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen.
Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen,
Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen. 740
De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wetten
Haer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten.
Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet,
Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet,
En die laet overluyt terstont het vonnis lesen, 745
Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen.
Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop,
De jonghste van den hoop die breeckt* haer flucx den kop.
Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme* streken,
Maer 't is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken; 750
Wy stellen overal gemeenschap in het goet,
En nemen ons behouf van rijcken overvloet.*
Wy zijn gelijck een spoor* van haveloose* menschen,
En krijgen even soo* al wat wy konnen wenschen.
Want die op syn bedrijf* niet vlijtigh toe en siet, 755
Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet.
Ons tuygh wort noyt gerooft. 't is qualick yet te stelen,
Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen;
Al knaeght de grage* slangh al vry een lange wijl
Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl. 760
Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,
En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,*
Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,*
Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft.
Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen, 765
Niet* in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen:
Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft,
Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft.
Dies zijn wy niet besorght* om goet by een te rapen,
Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen. 770
Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough,
En des al niet-te-min wy vinden broots genough.
Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde,
Wy leven van den dau, als bloemen op den velde.
Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet, 775
Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet.
Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen,
Wy trecken sonder kost* de vissen uyt de stroomen,
Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout,
De keyen geven vier, en al de bossen hout. 780
Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen.
Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*;
En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust,
Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust.
Wy konnen noorden wint, en alle sure* vlagen, 785
Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen;
Soo dat ons gansche lijf geen koud' of hit en kent.
Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent.
Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh [38] voeren,
'T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren. 790
Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh,
Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.
Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,*
Of dat* wy door de stadt een prins geleyden moeten,
Wy streelen* niet een mensch, oock niet den grootsten vorst, 795
Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.
Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,
Om ons door al het lant een grooten naem te maken,
Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,
Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt. 800
Al is de gansche kust van roovers in-genomen,
Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;
Wy singen menighmael oock in het dichste wout,
Daer sigh een vinnigh* heir van felle moorders hout.
Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen, 805
Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen:
Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.
Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?
Schoon dat het gansche rijck moet tol* of schattingh geven,
Wy lyden even-wel een onbekommert* leven, 810
Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant
En worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.
Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte* lieden,
Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden.
Al waer de gulde son de werelt open* doet 815
Daer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.
Wy leven over-al als prinçen van den lande;
Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.
Wy trecken t' onsen dienst geheel het aertsche dal,
Wy hebben niet een sier, en wy besitten 't al. 820
Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,
Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven,
Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert;
Want siet het staetje vry te blijven dat je waert.
De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen, 825
Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnen
Word' ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*,
Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.
Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,
Soo heb ick desen bucht* in voorraet met-genomen: 830
Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van,
En hout my voor u vrient en voor een rustigh* man.
Een dingh wil ick alleen hier in bedencken* brengen,
En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*;
Ick treed' in dit verbont, alleen om dese maeght, 835
Laet die voor my alleen indien het u behaeght.
Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,
Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken,
Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al,
Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal. 840
Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*,
En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jocken
In eere sonder hoin,* [39] het wert u toe-gestaen;
Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen.
Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden; 845
Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden;
Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,
Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach.
Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*,
Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken; 850
Maer sooje trouwe* meent, en niet als eerbaer zijt,
De maeght sal uwe* zijn, en dat te rechter tijt.
Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,
En heeft op dit bespreek* de vrijster aen-genomen*;
Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*, 855
En wederom geluck, geluck, geluckigh paer.
Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bende
Vertreckt* uyt dat gewest en elders henen wende,
Wt [40] vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent,
Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*. 860
Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen,
En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,
Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet,
Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet.
Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen, 865
Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen,
Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.
Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet!
Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven,
En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven; 870
Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt,
Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.
Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen,
Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen;
Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint, 875
En sigh by al den hoop in grooten aensien vint.
Maer t'wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde,
En sonder vaste plaets in alle landen sweefde,
Een maeght van Murçia die sagh den edelman,
En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan. 880
En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,
Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte leden
Zijn anders in gestel* als oyt een heyden plagh,
Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh.
Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*, 885
De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,
Sy voelt 'k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,
Sy voelt hoe dit gewoel* allencxen grooter wert.
Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken,
Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken; 890
Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont,
Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:
Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,
Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?
Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt, 895
Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.
Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden,
Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,
En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,*
Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt. 900
Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*,
Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,
En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,
En ossen op het velt, en peerden in den stal,
En schapen op het schor*, en geyten aender heyden, 905
En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,
En knechten tot de jacht, en honden in het kot,
En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot.
In 't korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*,
Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten, 910
Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien,
Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.
Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,
Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.
Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht, 915
Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht.
Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche* leden,
Die ick in u vermaeck na desen wil besteden,
Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,
En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn. 920
Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen,
Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.
O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght;
Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.
Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven, 925
Mijn liefd' is eens geset, en daer in wil ick sterven;
Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,
Als met ons eygen volck of een van onsen aert.
V [41] gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen,
Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen; 930
Doch, wat my raken* magh, set elders uwen sin,
Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in.
Gohanna met den slagh van soo een drouve reden,
Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden,
Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af, 935
Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.*
Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen?
Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen?
Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man
Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan? 940
Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen,
Dat my een slecht* gesel ontseyt een wettigh trouwen?
Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*,
Dat ick verstooten word' en loop een blauwe scheen?
Neen seker; 'k heb terstont* mijn lijf en gansche wesen, 945
Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh* hair gepresen,
Als ick ontrent den noen en midden op den dagh*
Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh.
Voorwaer een eerlick* man die sou hem des vernougen,
Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:* 950
Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou,
Ick waer oock heden selfs versegelt* in de trou.
Daer zijnder vry genough die my des komen vragen,
En die noch boven dat mijn vrienden* wel behagen:
Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer* hier bekent, 955
En heb soo veel versoucx* als yemant hier ontrent.
Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten,
Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten,
En gaet daer 't haer bevalt. De sin die isset al;
En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*. 960
Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkoren
Een die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren.
O! 't is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght,
Haer wil niet hebben magh, schoon sy 't haer minder vraeght.
Ach! dat's een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven! 965
Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven.
Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,
Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.*
Maer waerom dus ontset om niet te willen leven?
En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven? 970
Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh,
Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh.
Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven,
Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven;
Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien, 975
Ick sal hem diamant en peerels laten sien.
Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen,
En met een soet gevley hem streelen aen de wangen,
Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt,
Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*. 980
Syn hert is niet aen haer;* het wert, eylaes! beseten,
Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten.
'T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer;
Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer.
Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken, 985
'K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken;
Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn,
Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn.
Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden,
Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden. 990
Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen,
Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen.
Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken,
Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken
Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt, 995
Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt.
En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen,
Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder* brouwen.
Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet,
Daer is geen nicker* selfs die slimmer gangen weet. 1000
Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven,
Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouven
Die my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list,
En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist.
Dat noyt een spoker* dacht, of boose geesten vonden, 1005
Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden,
Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen,
Daer moet oock* desen dagh wat selsaems omme-gaen.
Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen,
Al sou het gansche rijck van desen handel wagen, 1010
Al soud' ick heden selfs my brengen in den noot;
Stil* leven kan ick niet, ick ware liever doot.
Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten,
Waer dat Don Ian syn mael* gewoon is in te setten,
Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir; 1015
Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir.
Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen,
Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen,
En binden in het kleet van onsen jongelingh,
Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh. 1020
Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden,
Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,*
Gebiet* dat al het volck terstont in rassen spoet,
Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet.
Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen, 1025
Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen;
Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist,
Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist.
Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen,
Die eyschen wederom al watter is genomen: 1030
De rackers* van de schout zijn mede daer ontrent,
Die na den vreemden roep* de strenge rechters sent.
Daer gaet men 't heydens rot ten nausten ondersoecken,
De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken.
Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen, 1035
En seyt het slim bejagh* by hem te zijn begaen.
Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden,
Hy lough de jufler toe, en seyd' haer dese reden:
Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught;
By my is anders niet als trou en ware deught. 1040
Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden,
Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden,
En soo te zijn gestraft gelijck men guyten* doet,
Die soecken haer bejagh op ander luyden goet.
Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen, 1045
Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen:
Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet,
Een peert dat niet en let* en vreest den ros-kam niet.*
Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten *,
De male van den vrient wel happigh* ondertasten*, 1050
En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh,
Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh.
Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen,
Noyt was hy soo verbaest* van al syn leven-dagen;
Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort, 1055
Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort.
Stracx* riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven,
Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven.
Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh* sprack,
Hy is de rechte gront van al het ongemack. 1060
Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden,
Hy noemt het heydens volck een plage van de velden,
Een peste van de stadt, een schroom* van yder huys,
Een schuym van bouve-jacht* en alle vuyl gespuys.
Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen, 1065
Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.*
En even met het woort soo geeft hy hem een slagh,
Soo dapper* als hy kan, soo vinnigh als hy magh.
Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen,
Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen, 1070
Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet,
Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.*
Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen,
Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen,
Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck, 1075
Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck.
Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden,
En al het heydens rot na Murçia gesonden;
Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,
Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant. 1080
Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen,
Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen,
Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet,
Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.
Maer desen onverlet* soo wortse mé genomen, 1085
En is met al het rot tot in de stadt gekomen;
Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam.
Vermits een yder lust in haer gesichte nam.
De fame van de maeght aen alle kant gevlogen,
Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen, 1090
Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man,
Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan;
Al met soo grooten ernst* dat haer wort toe-gelaten,
Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten,
Te brengen op het slot. Maiombe wasser by, 1095
En was om dit geval van ganscher herten bly.
Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken.
Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken [42].
En soo als sy het gist soo wasset dattet viel,
Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel. 1100
Sy blijft gelijck verdwelmt* in hare soete wangen,
Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen,
Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,
Sy valt haer om den hals en kustse menighmael.
Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken, 1105
Maer verre boven al die Pretiose raken,
Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer,
Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer.
Hier op is in de vrou een drouve luym* geresen;
Dus oudt soud' even nu mijn weerde dochter wesen, 1110
Indien de goede God dien uytgelesen schat
(Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.
Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagen
Met listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen.
Constançe waerje zijt, of immer komen meught, 1115
God zy door synen geest ontrent u teere jeught.
De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen,
En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*;
En t'wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh*
Ontsluyt* het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh. 1120
Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagen
In mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,
En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh,
Dien in het naeste dorp de lant-drost* heden vingh,
Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden, 1125
Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden;
Al* is de krijghsman doot het is syn eygen schult,
Hy bracht den vromen* helt tot enckel onverdult* [43].
Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,
Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden. 1130
Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,*
Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.
Hy is een edelman. laet alles overwegen,
En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen,
Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant, 1135
Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.
Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,
Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,
Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,
Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer. 1140
Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden,
Om u verheven stam, om u beleefde zeden,
Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlam
In uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;
Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen, 1145
Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,
Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,
Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal.
Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,
Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken, 1150
Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,
En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.
Sy dan, mits* dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,
Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;
Daer is, 'k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert, 1155
En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.
Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,
Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.
De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael,
Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael. 1160
En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten,
En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten;
Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont,
Dat hem de goede man al med' ontsteken vont.
Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen, 1165
Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen;
Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,
Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.
Maiomb' hout onderdies haer sinnen op-getogen*,
En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.* 1170
Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde* vrou,
My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.
Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken.
Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,
Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal, 1175
Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval.
Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen,
En gingh van stonden aen een aerdigh* doosjen halen;
En alsse weder quam daer Giomara stont,
Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont. 1180
Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven,
En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,
Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf,
Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.
Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken, 1185
Ghy mooght aen desen romp* u leet en droufheyt wreken;
Ick sal tot aller stont verdragen met gedult
Wat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.
Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden,
Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden, 1190
En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,
Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,
Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,
Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,*
De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet, 1195
Met seker kamer-maeght verwerret* in de praet.
Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralen
Soo reysd' ick inder haest in onbekende palen:
En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,
Doen leyd' ick in beraet, wat my te plegen stont. 1200
Ick had eens* vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)
Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen,
Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had,
Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.
Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden, 1205
Doen vond' ick mijn gepeys te strijden met de reden;
En daer op nam ick voor het meysjen op te voen,
Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen.
Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren,
Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*, 1210
Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,
En is (mijns oordeels) weert den besten edelman.
Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagen
Om dit ondeugend'* werck in mijne ziel gedragen*!
Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest! 1215
Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest!
Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,
En drillen* als een riet van harden wint gedreven!
Ick schroomd' (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*,
Of door een snegen schout alree te zijn betrapt. 1220
Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen,
Noyt* in soo bangen praem* mijn ziel te laten komen;
Ick wil aen al ons volck en wie my raken* magh,
Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.
Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme* gangen 1225
Zijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.
Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken,
Vermits ick op den wegh van beter leven ben.
Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten,
Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten: 1230
Of wijst dit niet genough den gront van dit geval,
Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal.
Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven,
Hy siet van stonden aen al datter is geschreven;
Hy lasset overluyt en met een open mont, 1235
En dit was inder daet dat hyder in bevont.
Het jongh dochterken dat by my is en dat ick den
naem van Pretiose gegeven hebbe, hiet eygentlick Constançe
en is een eenigh kint van Don Ferdinando
d'Assevedo Ridder van Calatrava, ende van vrouw Giomara 1240
di Menesez. Ick stal het selve kint in de stadt
van Madril op Hemelvaerts-dagh, ten elf uren, in 't
jaer duysent vijf hondert vijf en tnegentigh. Het kint
hadde doen ter tijt aen dese juweeltjens die in dit
kofferken leggen. Ick hebbe korts daer nae dit alsoo 1245
_vernomen, en goet gevonden, 't selve by memorie_* te
stellen, misschien of het schier* of morgen te passe
mochte komen.
Met dat vrou Giomaer haer man dit hoorde lesen,
Soo is in haer gemoet een nieu gewoel geresen. 1250
Sy kent het klein çieraet, sy kustet menighmael,
En sijght uyt enckel vreught in onmacht op de [44] zael.
De lant-vooght recht haer op, verbaest van dese saken,
En staet een lange wijl, onseker wat te maken.
Me-vrou, nu wat verquickt*, hoewel noch flau genough, 1255
Vraeght stracx*: Waer is het kint dat desen keten drough?
Het wijf seyt: Weerde vrou, die met u heeft gesproken,
Iuyst doen u metter daet syn tranen uyt-gebroken,
Dat is het aerdigh dier in desen brief vermelt,
En dat tot heden toe u drouve sinnen quelt. 1260
Dat is u eygen kint, by my wel eer gestolen,
En door mijn slim beleyt* tot heden toe verholen.
Ick bidde twijffelt niet, maer neemt u dochter aen,
En laet na desen tijt u drouve klachten staen.
Terstont vrou Giomaer, met yver* aen-gesteken, 1265
Is uyt het stil* vertreck in aller ijl geweken,
Sy gaet met grooten ernst* en uytermaten ras,
En geeft haer na de zael daer Pretiose was.
Die sat daer vast omringht met al de kamer-maeghden,
Die met een treurigh hert de jonge maeght beklaeghden, 1270
Soo om het drouf geval, als om haer soeten aert,
En dat haer teere jeught met heydens is gepaert*.
Me-vrou gaet sigh in ernst* na Pretiose strecken*,
Gaet aen de jonge maeght den boesem open trecken,
En siet haer witte-borst. men vont een kleyne vrat, 1275
Die sy ter slincker hant ontrent der tepel had.
En als men haer den voet ter aerden dede setten,
En met een vlijtigh oogh daer op bestont* te letten,
Soo bleeck het metter daet, dat twee van hare teen
Zijn als een swane-poot gewassen tegen een. 1280
Me-vrou is buyten haer. De teyckens hier gevonden,
De vrat op hare borst, haer teenen dus gebonden,
En 't gunt men uyt het schrift met klare woorden las,
Versekert haer genough wie Pretiose was.
Sy grijpt haer in den arm,* sy kustse menigh-werven, 1285
Sy voelt een diepe vreught, en schijnter in te sterven,
Sy gaet tot haren man, die sy van herten mint,
En seyt hem: Weerde vrient, siet hier u eenigh kint;
Hier is u weerde vrucht, die ick u heb gedragen,
Daerom ghy hebt getreurt soo veel bedroufde dagen; 1290
Hier is het eenigh pant van onse soete* jeught,
Ontfanght het nu ter tijt, en dat in rechte vreught.
De teyckens al gelijck*, aen my terstont* gebleken,
En laten mijn gemoet niet meer in twijffel steken.
Sy is het even-selfs die ick u heb gebaert, 1295
Haer lichaem wijstet uyt, en haer geheelen aert.
Voor al soo komt my voor*, hoe dat ick was bewogen,
En ick en weet niet hoe, als buyten my getogen,
Wanneer ick eerst het kint ontrent ons* deure sagh,
En hier noch onbewust* in dese venster lagh. 1300
De man (die even soo een wonder hart bewegen
Had door syn gansche lijf en in de ziel gekregen,
Iuyst doen het aerdigh dier hem eerst voor oogen quam)
Seyt dat hy dese maeght voor syne dochter nam*,
Seyt dat hy aen het wijf haer diefte wil vergeven, 1305
En haer oock bystant doen, om wel te mogen leven,
Mits datse nu voortaen wil stillen haren loop,
En haer geheel ontdoen van desen vreemden hoop.
O Heere, seyt hy voorts, wie kan u wonder wercken,
Wie kan, gelijck het dient, u hooge daden mercken! 1310
Ghy hebt ons langen tijt gespijst met tranen-broot,
Ghy hebt ons af-geleyt* tot aen de bleecke doot.
Ghy hebt ons eenigh kint, nu soo veel drouve jaren
Gedurigh om-gevoert in veelderley gevaren;
Ghy hebtet niet-te-min ghy hebtet noch gespaert, 1315
Ghy hebtet, lieve God, tot onse vreught bewaert.
Het was ons sonden schult, dat wy u felle slagen
Dus hebben uyt-gestaen, en lange moeten dragen.
Wy hadden vry al meer tot onse straf verdient;
Maer ghy zijt onse God, ons heyl, en ware vrient. 1320
'T is uwe gunst alleen, 't is u genadigh wesen,
Dat wy uyt dese doot ten lesten zijn geresen,
Dat ghy tot onsen troost dit wonder laet geschien,
Dat wy ons weerde pant alhier in vreughde sien.
Sy was, eylaes! gegaen, sy was gelijck verloren, 1325
Maer sy is wederom als op een nieu* geboren.
Ghy hebt ons eens gebracht tot aen het duyster graf,
Nu wast ghy wederom ons* drouve tranen af.
Wilt ons van heden aen, wilt ons nu danckbaer maken,
Op dat tot uwen dienst ons herte magh ontwaken, 1330
Op dat wy nu voortaen in daet en in de schijn,*
V dienaers, lieve God, u kinders mogen zijn.
Constançes [45] hert ontloock terwijlen dit gebeurde,
Haer dacht 't en was geen tijt dat sy nu langer treurde;
Haer dacht sy vont behulp dat haren druck genas, 1335
Vermits haer vader selfs* daer eerste lant-vooght was.
Haer dacht in volle daet, het stuck was nu gewonnen,
Vermits haer saken staen soo wel sy immer konnen.
Maer t'wijl sy in den geest hier mede besigh sit,
Soo treet haer vader toe, en seyt haer weder dit: 1340
God heeft ons grooten troost en blijdschap toe-gesonden,
Om dat ghy, weerde kint, ten lesten zijt gevonden,
Om dat ghy noch gesont en in het leven zijt;
Maer daer is echter wat dat my in 't herte snijt.
Ick sie, eylaes! ick sie dat uwe domme* sinnen 1345
Een heyden (wat een schand'!) een rouwen heyden minnen,
Een heyden sonder doop, die niet en heeft geleert,
Hoe dat men God den Soon met reyne sinnen eert.
Met oorlof, seyt de maeght, hoort my een weynigh spreken;
Ick weet van stonden aen u droufheyt af te breken. 1350
De vrient aen my vertrout* en is geen heydens man,
Maer die in volle daet de Christen leere kan.*
Hy is noch boven dat van edel bloet geboren,
En heeft my, soo ick was, uyt enckel min gekoren.
En wat na dit geval noch vorder is geschiet, 1355
En seyd' ick na den eysch den ganschen avont niet.*
Maiombe nam het woort, en gaet de man vertellen,
Hoe dat de jongelingh quam onder haer gesellen,
Hoe dat hy synen staet en vaders huys verliet,
Vermits hem syn gemoet tot Pretiose riet.* 1360
Hoe dat hy nevens haer alreede lange dagen
Had vorst, en heete son, en alle leet gedragen;
En dat dit al gelijck* maer was een kleyn begin,
Een preuf* [46], en ondersoeck van syn getrouwe min;
Dat hy geen dertel spel de vrijster mochte vergen, 1365
Noch met ongure jock haer teere sinnen tergen,
En dat hy door de lust noyt op en was gevat*,
Maer dat hy sigh in als met eer gequeten had.
In 't korte dese vrou verhaelt in lange reden
Al wat de jongh gesel voor desen heeft geleden; 1370
Soo datse voor het lest ten vollen openbaert,
Hoe dat syn ridders kleet bij haer noch is bewaert.
Dit vat de lant-vooght op*, en, sonder langh te dralen
Laet stracx* het rijck gewaet daer in de kamer halen.
Het wijf dat gaeter om soo veerdigh alsse magh. 1375
Siet dus koomt op het lest de waerheyt aen den dagh.
De lant-vooght onderdies gaet Pretiose vragen
Op al den omme-gangh* van hare jonge dagen,
Op al des werelts loop, en hoe haer dit beviel,
En wat sy des gevoelt ontrent haer jonge ziel. 1380
Sy antwoort over-al met soo besette* reden,
Met soo een goet bescheet* en in soo volle leden,*
Dat (soo de jonge maeght syn dochter niet en waer)
Hy streckte voor gewis de sinnen over haer.*
Hy vont sigh in den geest van hare min bevangen, 1385
En bleef aen haer verstant en hare schoonheyt hangen.
Maer nu het geestigh dier als dochter hem bestont,
Soo is hy gansch verheught tot in syns hertsen* gront.
En t'wijl de man aldus in blijdschap is geseten,
Soo koomt het oude wijf en brenght een gouden keten, 1390
En brenght het hant-çieraet, en wat den jongelingh
Te voren om den hals of aen de leden hingh.
Als dit de lant-vooght siet, en hoort den ridder noemen,
En weet van wat geslacht dat hy is afgekomen,
Gevoelt hy ander-mael dat syn beswaerden druck 1395
Is, door des Heeren gunst, verandert in geluck.
Hy danckt God ander-mael met al* de gansche sinnen,
Dat soo een edelman syn dochter gingh beminnen,
En dat syn trouwe gunst* noyt eens in hem verdween,
Schoon dat de jonge maeght een heydens dochter scheen. 1400
Dit heeft terstont de Faem ten luytsten uyt-gekreten,
Sy liet het vreemt geval aen alle menschen weten;
Oock aen de vrijster selfs die aen den jongelingh
Voor desen hare ziel en gansche sinnen hingh.
Die gaet daer aen de wet* ten vollen openbaren, 1405
Dat sy, eylaes! vervoert van hare groene* jaren,
Vermits de jongh gesel haer quale niet genas,
Hem hadde na geseyt dat hy een roover was,
En schoon het selsaem luyt dat by* haer is bedreven,
Het wort haer evenwel in volle daet vergeven; 1410
Andreas spracker voor, de lant-vooght nam het aen,
Dies mochtse sonder straf en vreedsaem henen gaen.
'T was al te blijden dagh, geen mensch en mochte treuren,
Daer magh niet als vermaeck en soete vreught gebeuren.
De man-slagh wert versoent,* de ridder vry gestelt, 1415
En alle die het raeckt ontfangen machtigh gelt.
De banden, die den helt benaeuden aen de leden,
Die worden los gemaeckt of veerdigh af-gesneden;
En voor het duyster hol, dat hem gevangen hout,
Soo komt hy voor den dagh geçiert met enckel gout. 1420
Syn vader wert terstont daer in de stadt beschreven*,
En die heeft metter daet sigh op de reys begeven,
Die koomt in haesten aen, verheught en wel gesint,
Vermits hy synen soon soo wel verselschapt* vint.
Daer is geen edel geest die oyt heeft leeren dichten, [47] 1425
Of hy valt aen het werck met alle syn gewrichten;
Al wat of spits vernuf, of kunste geven magh,
Dat koomt om desen tijt ten vollen aen den dagh.
Men hoort door al de stadt, door alle groene velden,
En door het gansche rijck van desen handel melden, 1430
De snelle weder-klanck die roeptet in het wout,
En al de werelt juyght dat Pretiose trout.