In een brief, dd. 11 Nov. 1633, aan prof. Barlaeus, geeft Cats enkele
stukken aan, welke hij van plan is een plaats in zijn Trouringh
in te ruimen. [13] Hij heeft deze "gevallen niet erdicht, ofte in
(syn) eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten veel
plagh te wesen: maer (hy heeft) beter gevonden, de geschiedenissen
van goede schrijvers te ontleenen"; evenwel heeft hij ze "breeder
uyt-gemeten als die by de oude schrijvers gevonden werden ... Sulcx
dient sonderlinge tot beter glimp van de stoffe, ende tot meerder
vermakelickheydt van den leser" ...
Uit zeer uiteenlopende werken van eigen en ouder tijden heeft Cats
nu zijn verhalen in de "Trouringh", gelicht, en minder of meer vrij
bewerkt. Men vindt wat gevonden is, aangewezen en besproken bij
_J. Bolte_, _Tijdschr._ XVI, 241, n.--Dr. _A. S. Kok_, Van Dichters
en Schrijvers I, 81.--Dr. _J. A. Worp_, Noord en Zuid XX, 39 tot 66.
Ook was zijn doel de "Nederlantsche tale te verçieren, de Hollantsche
gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stop-woorden te maken;
ten eynde de selve eenpaerlick en sonder stuyten gelesen mochten
werden". [14]
De verhalen in de Trouringh van Cats worden meestentijds afgewisseld
door samenspraken tusschen Sophroniscus en Philogamus over
"vraegh-stucken (die) uyt ydere geschiedenisse rijsen." De eerste is
"out-man ende weduwenaer", de ander "jonghman ende noch ongehout";
deze overlegt hoe hij "bequamelijck uyt desen eensamen staet tot
een geselligh leven soude mogen komen." Het hapert hem er maar aan
dat hij "te weynigh kennisse van saken hebbe in die gelegentheyt,
en noch de rechte gronden niet en weet van dat groot werck." Waarom
de eerste hem "een nieu Poëtisch werck" in handen geeft, "verscheyde
gedenck-weerdige trou-gevallen .... voor oogen stellende..." Met
aandacht zal hij "letten vvatter voor aenmerckingen uyt sullen
te trecken syn ... ende daar nae willen vvy reden en tegen-reden
onderlinghe seggen en hooren." [15]
Dit is niet door Cats "over-al in volle leden ghedaen konnen
werden, vermits (s)ijn ampt (geduerende den tijt dat (hij) met het
voorsz. Werck besigh was) (hem) veel beswaerlijcker quam te worden als
wel te voren. In vougen dat (hy s)yn begonnen ontworp naer eysch van
saken niet en (heeft) konnen vol-trecken: maer (heeft) de vervullinge
van verscheyde bedenckelicke vraegh-stukken ghelaten aen het oordeel
van den ervaren en geoeffenden leser."
Deze dialogen waren algemeen in de XVIIe en in de XVIe eeuw: 't
hoofddoel was aangename geestverrijking: ze behandelden in elegante
causerie alle vragen van kunst, smaak, wetenschap, zeden. Vooral
in Italië was dit genre inheems.--Lucianus, en Athenaeus waren 't
voorbeeld, zie vertaling en commentaren door Casaubonus.--Vgl. Erasmi
Colloquia; Bargagli's Trattenimenti; Cremaille's Jeux de l'Incognu;
Harsdörffer's Frauenzimmergesprächbücher (dames-encyclopaedie).
Ook in de Middeleeuwen vindt men al deze leerzame dialogen in navolging
van Augustinus. [16]