Zooals op een doffen dag de uren ongebruikt vergaan, gleed zij heen;
niets dan de veeren van den witten reiger bleven nog een poosje
achter, toen losten ook deze zich op, eerst in nevelen en toen zacht
verfladderend grijs in grijs------en afgemat en bedrukt en hopeloos
stond ik plots voor een nieuwen, nuchteren ochtend op aarde.
Met smeulende onrust in het hart, rende ik voort achter de dragers
aan, door de dorre oerwouden, op ongebaande wegen, over heg en steg;
en de gloeiende zon broeide onbarmhartig over den dag. Alleen Aris
bleef sterk en goed gestemd. Voortdurend gaf hij beschrijvingen ten
beste (voor mijn opvoeding bedoelde hij!) "Beelden uit het leven
van een anderen blanke in het naakte land", bij wien hij vroeger
gediend had. Zijn woorden tooverden een keurigen bungalow voor mijn
verblinde oogen, het huis van den anderen toean, midden in een zwerm
kleine bamboehutten die als kippetjes om een haan heen draaiden. En
tientallen beeldschoone vrouwen van alle rassen drentelden daar
tusschen door------.
Toen viel ik heftig uit: "Zwijg!" wat Aris maar niet kon begrijpen!