DE NACHT BIJ PRIESTER NIANG

De zon was in stralenden gloed achter de oerwouden verzonken, en de

avond begon de wijde wildernis met zijn blauwe schaduwen te omvangen,

toen wij de woning van een zonderlingen heilige bereikten.

Aris kende Priester Niang nog van vroeger. Het was mij 's ochtends

al opgevallen, dat mijn Maleier giechelend bij een paar Chineezen

naar ons nachtkwartier geïnformeerd had en ik wist, Aris' gezicht

langzamerhand tot in het laatste vouwtje kennend, dat er iets

merkwaardigs ging gebeuren.

Wederom waren we sinds weken onderweg, trokken van het eene dorpje

naar het andere, van de eene Siameesche hut naar de volgende en

zwierven door het land gelijk vagebonden.

Nu was ik blij verrast, een goed getimmerd huis te vinden, dat er

proper uitzag en vriendelijk en gastvrij midden in een vruchtentuin

lag.

Niang, de priester, was een man met een hooge Noord-Indische gestalte,

met een ronden kaal geschoren schedel, waaruit een paar verstandige

oogen keken, die aanhoudend schenen te willen zeggen: Denk er aan,

wij zijn uit een andere wereld!

Onder het huis lag een kwade zwarte hond aan den ketting en twee

vrouwen vlochten daar een mat. De eene, dacht ik, is waarschijnlijk

Niang's zuster, de andere ook een familielid.

"Aris, deze priester heeft het goed, de vrouwen zorgen voor

hem en hij kan zich schitterend aan zijn hoog beroep, het

"niet-anders-doen-dan-denken," wijden."

Doch Aris lachte terug: "Veel erger, dit zijn allebei werkelijk

Niang's vrouwen! 's Ochtends drijft hij de buffels in het veld,

's avonds haalt hij ze terug, anders doet hij niets, en zijn loon

zijn deze twee stille, werkzame vrouwen met heur hertenoogen."

Ik trok mij vroeg in mijn klamboe terug, die Holloeki binnen in

het huis had opgehangen. Ik hield er van, daar 's avonds in te

liggen. Zooals alle sluiers, had ook deze de goede eigenschap, dat

men, zelf bijna ongezien, de dingen er buiten des te rustiger kon

bekijken. En tot zonderlinge beschouwingen noodigde het muskietennet

mij altijd uit, zoolang ik in Siam reisde. Op dien avond hield mij

de priester bezig, die tegen de voorschriften van zijn godsdienst

scheen te leven.

Een onrustige nieuwsgierigheid plaagde mij: Waar zal hij slapen? Zijn

dit werkelijk zijn vrouwen? Waarom hebben de Chineezen vanmorgen

gelachen, toen Aris met hen sprak?

En ik kon het gevoel niet van mij afzetten, dat daar iets zeer

gewichtigs aan het gebeuren was, dat deze magere bruine met zijn valen

schedel en de als naar binnen toe levende oogen een ontwakende god

moest zijn, die, de zede-voorschriften der oude religie wegwerpend,

zijn eigen wijze had gevonden om zalig te worden. En in het

schemerlicht werd de houten hut voor mij tot den, een nieuwen geest

gewijden en van de diepste ontroeringen die het menschdom kent,

doorbeefden tempel.--

Daarna vergat ik weer alles wat mij door den geest gegaan was; in

tijden van zwerftochten worden mijn gedachten ongehoorzaam en dwalend

en hebben moeite om in den eenmaal gevormden kring te blijven.

------later hield mij een eentonig-prevelend gerucht wakker, Niang

bad nu met zijn vrouwen bij den flakkerenden schijn van een gebrekkig

kokosolievlammetje.

Naderhand ging de eene na de andere, schuw en gebukt langs mij heen

sluipend, in de kamer vlak naast mijn bed en na een poosje waarin niets

gebeurde en het mij was alsof de tijd stil stond, blies de priester het

licht uit en trok zich ook in het vertrek----bij de vrouwen terug.----

Weer omgaf mij heel de tooverwereld van een tropischen nacht in een

huis in de wildernis. Klein gedierte liet zijn jachtkreet weerklinken,

het zoemde rondom mij, terwijl ik lang half te waken en half te droomen

lag, vergeefs wachtend op gezonden slaap. Zwaar en dik broeide de

lucht in het kleine vertrek, bijna om ziek te worden. Door het kleine

getraliede venstertje drong een afglans van buiten naar binnen,

waar nu in het volle licht der maan de wereld prachtig lag uitgespreid.

Mij plaagden duizend vlugge gedachten en koortsachtig voelde ik mij

in de hand van het leven; het kookte angstig in mijn bloed: de vraag

naar het doel en de reden van het bestaan, en morgen zou de dag weer

heet zijn, en deze gelukkige bruine daar in de kamer, en------.

"Zeg, Aris!" riep ik opeens naar de veranda, "de goeie God is

onrechtvaardig! Waarvoor is dàt nu weer goed: dien kerel geeft hij

twee vrouwen en hij is nog wel een Boeddhistisch priester en heeft

op geen enkele het recht; en ik, blanke, die toch stellig een veel

beter mensch ben, mag toekijken!"

Aris troostte mij door den wand terug:

"Ja, toean; 't is werkelijk krankzinnig!" en na een poosje ging

hij voort: "Zoo zijn de Siameezen! Er zijn er wel die tien en meer

vrouwen bezitten----!"

Bij deze op minachtenden toon geuite woorden hoorde ik hem nog lang

in de duisternis rondspoken, en het was mij alsof ik nu in het licht

der maan op zijn gezicht de plechtig-godvruchtige overtuiging las,

toen hij voortpredikte:

"Toean, dan zijn wij Maleiers toch betere menschen. Onze Allah,

onze Mohammedaansche godsdienst, de Islam veroorlooft ons niet meer

dan------vier vrouwen te hebben------niet meer dan vier------!"

Na een poosje, waarin ik ernstig over de wijsheid van den godsdienst,

die in mijn vaderland gebruikelijk is, had nagedacht, riep ik Aris

weer toe:

"Onze blanke Allah is toch ook niet kwaad. Hij zegt in de

Heilige Schrift: Zoo iemand twee van iets heeft, twee stuks, twee

exemplaren----dan moet hij daarvan een afstaan aan dengene die niets

heeft----!"

Aris begreep het dadelijk:

"Toean, jullie God is volkomen!"

De nacht lag in het venstertje als een melkvlek, zooals het

lichte oog van een betere toekomst door de zwartheid der ellende

straalt. Rusteloos woelde ik onder mijn net. Dwang hield mij destijds

vast, zware arbeid onder de zon, karig brood.----

Soms liet een der mannen buiten een steunend geluid hooren. Aris

praatte vreemdsoortig in zijn slaap, als uit een vreemde wereld

sprekend, als een dier dat van de maan droomt.

Eindelijk, lang na middernacht, kwam de slaap over mij, weldadig

en verrustigend, en de wederwaardigheden van mijn leven verdwenen,

gleden uit mijn denkvermogen weg, zacht en stil, zonder dat ik wist

waarheen.----

"Vier vrouwen, niet meer dan vier," wervelde het nog door mijn brein,

heel vaag maar, zonder dat ik in staat was iets duidelijks te denken;

ik voelde mij opgeheven, als zwevend, als vliegend in de zon.----

En toen begon zich voor mijn oogen, als uit een nevelmuur zich

losmakend en langzaam en onmerkbaar nader tredend en al duidelijker

gestalte aannemend, een vreemdsoortig beeld te verheffen, en de nevel

nam vorm aan, een dicht heen-en-weer-gegolf van witte wollige veeren

van den heiligen reiger ontstond eruit, en midden uit deze weeke

donzige omlijsting glimlachte mij een gezicht toe: Net een leuke

grootvader. Een gezellige oude heer. Witte rijp van levenservaring

boven zijn voorhoofd, een, die meesmuilend zeggen kan (maar dit nooit

werkelijk doet): ik heb het leven overwonnen, het heeft mij nooit

heelemaal verslagen------de wereld is toch goed!

"God------!?!" voelde ik vaag.

Half ontwakend hoorde ik hoe Aris de maan toeblafte. Een koele

windstoot kwam van het venster. Een of ander klein dier door een

bleek-phosphoresceerende lichtstreep verschrikt, ritselde heen. Toen

draaide een slapende op de veranda zijn vermoeide lichaam zoo zwaar

om, dat het heele huis ervan beefde.

In de kamer van den priester, dacht ik, liggen nu in eenen God vereend,

drie menschenlichamen------misschien houdt de maan de wacht.----

Maar daar stond alweer die oude heer voor mij en zijn gezicht

glimlachte mild, toen hij zei: "Jij hebt vermetel over godsdiensten

gepraat------!

Hierbij waren zijn goedige oogen liefdevol op mij gevestigd en ik

weet niet hoe het kwam, ik voelde, dat het makkelijk was vertrouwen

in dezen grijsaard te hebben. En zonder dat ik bij machte was mijn

gedachten tegen te houden, begon ik te klagen:

"O, waarom zijt ge zoo gierig tegen mij en laat mij heelemaal zonder

vrouwen?"

En het vreemde denkbeeld van het viervoudige wezen der vrouw kwam in

mij op, toen ik hem haastig en een beetje onbedachtzaam smeekte:

"Goede man, ik zou ook vier vrouwen willen hebben------"

"Een eerste, die ik elken dag anders zou kleeden; vandaag in het

rood, morgen in gele en blauwe zijde, maar meestal zou ik haar in

het eenvoudige voorname zwart der Chineesche gewaden kleeden------!"

"Een andere", ging ik voort, "zou ik willen hebben om--uit te

kleeden------!"

Bij dezen onbezonnen geuiten wensch voelde ik iets als berouw en een

onbehaaglijk gevoel voor den ouden heer, die voor mij toch tenslotte

nog nieuw en geheel onbekend was en daarom voegde ik er ter mijner

geruststelling en om hem in te lichten haastig aan toe (weliswaar

half ongelegen en verstoord):

"Ik ben namelijk een bewonderaar van al het schoone. Vrouwen zijn er

vóór alles om zoo mooi mogelijk te zijn. Misschien is dat alles!" En

toen maakte ik het kort:

"Als ge nog een derde voor mij zoudt weten, die voor mij spreekt,

zoodat ik mij ongestoord aan mijn gedachten kan overgeven, en

een vierde, die geduldig en zwijgend naar mij luistert en al mijn

verlangens en klachten in zich opneemt, gelijk de zee het water der

groote rivieren opneemt, dan------zou ik misschien tevreden zijn."

Toen verdween het beeld weer en ik zonk in vergetelheid, in

verlangenloosheid, niets meer voelend,--zooals het in den dood moet

zijn. Ik weet niet hoe lang ik zoo heb gelegen.--

Maar opeens rees weer de nevelmuur voor mij op en beefde en borrelde en

de veeren van den witten reiger teekenden zich helderder en duidelijker

af, en vlugger, dan ik dorst te hopen, stond weer de vriendelijke

oude heer voor mij:

"Hier, wat denk je van deze vrouw------?" en------reeds zat ik

tegenover haar, op rijk geborduurde kleeden, groene kussens in den

rug, terwijl groen licht sterk van alle kanten aanvloeide.--De mooie

vrouw zag mij nieuwsgierig aan, met heldere oogen, die in een ovaal

gezichtje van de gelijkmatigheid van een marmeren beeld zaten. Haar

handen en voeten waren zoo smal en tenger als fijne rotangtwijgjes

en goudig als honing. Ze droeg niets dan een sarong, die met een

Maleischen knoop over haar jonge borsten was dichtgemaakt, ook zij

groen, met vlammende zwarte arabesken beschilderd, en citroengele

bloemen en vogeltjes waren over den doek heengestrooid met heel de

fijnheid der Oostersche kunst.

En nog iets zag ik, iets vreemds: vlak achter haar stond (het is

zoo moeilijk zich geheel van Westersche begrippen los te maken)

een dikbuikige gele reiskoffer, en de witharige heer zei slim,

dat hij daarin maar meteen de meest verschillende kostbare gewaden

voor de schoone vrouw had meegebracht, en dat ik het hem maar niet

kwalijk moest nemen, wanneer de tweede niet kwam,----deze hier was

voor alles geschikt.----

En waarlijk, ik ontdekte nu op een der slippen, waarmee de zijden

sarong over haar borst bevestigd was, in duidelijk leesbare letters:

"Trekken, asjeblieft!"

Dat leek naar Europeesch-Westersche begrippen werkelijk overweldigend.

Ik was al bijna op het punt, den mij vreeselijk lijkenden knoop los

te maken, toen ik mij op het laatste oogenblik bedacht: "Ai, ai,

wat zal daaruit worden----en daarom in alle bescheidenheid, maar toch

met een diepen zucht besloot: "Dat zal ik maar laten!"

Toch bedankte ik den grijsaard vriendelijk voor zijn attentie.

Bij al deze wonderlijke gebeurtenissen (ik was zoo verbaasd, als

nooit te voren in mijn leven) bekroop mij al stelliger het gevoel: Nu

ben je stellig gestorven----! Zoo geheel naar wensch, en volgens het

programma en zonder onaangenaamheden kan het toch stellig alleen maar

in den hemel toegaan. En ik begon, mij snel in mijn nieuwe positie

schikkend, te overleggen:

Daar ik in het paradijs waarschijnlijk voor eenigen tijd zal

moeten verblijven, zou het misschien wel raadzaam zijn, goede

voorzorgsmaatregelen te nemen en daarom vroeg ik haastig aan den

ouden heer:

"Maar zeg, waar is nummer drie nu------ Ik vraag excuus voor deze

uitdrukking----ik bedoel de vrouw, met wie ik een beetje verstandig

kan babbelen..------"

Op deze vraag scheen de lieve heer juist gewacht te hebben, want hij

viel mij in de rede:

"Weet je, voor die daar (en naar de veranda wijzend, waar

Aris en de Siameezen lagen), voor deze kinderlijke menschen is

dat goed genoeg. Vier vrouwen, voor mijn part tien. Zij zijn

nog wankelmoedig-onbestendig, hun grillen en wenschen zijn nog

zonder eenige richting, bijna ongedekt en gelijkend op die der

dieren. Dieren hebben oppervlakkig lief. De liefde pakt en verlaat

hen in een ommezien. Zij kunnen niet aan een enkele vrouw gebonden

zijn en blijven.--

Maar voor jou, als blanke, heb ik iets anders bedacht.

En luister dan: Meer leven heb je achter je in den ketting van je dagen

dan deze bruinen en deze mooie jonge vrouw, die heb ik zorgvuldig en

alleen voor jou door honderdduizenden vroegere levens heengeleid.

Gedurende honderd millioen jaren heb ik de goede zede in haar

gecultiveerd, had zij niets anders te doen dan zich te leeren kleeden,

zoo natuurlijk en mooi als de rozen in den tuin, als de lotosbloemen

in den vijver van het paradijs openbloeien----

Door honderd levens maakte zij zich vertrouwd met de hooge gedachte,

den knoop van haar sarong alleen voor jou los te maken.----

En gedurende de andere millioenen jaren heeft ze zich in het lezen

der zielen geoefend, leerde ze woorden afwegen; en nu is ze heerlijk

volgroeid en volleerd en zal net zoo spreken en zwijgen als jij,

en jullie zult met je tweeën één taal zijn en één gedachte.------"

Bij deze profetische woorden werd het mij stralend en blij te moede

(zoo iets was mij volkomen nieuw) en ik dacht alleen met iets van

een duizel in het hoofd: laat ik toch maar in alle geval opletten!

Toen begon ik te vertellen; haar, die in groen en in geel en in zwart

vlak naast mij zat, haar, de schoone met het zuivergelijnde gezicht

lei ik in afgeronde beelden de beteekenis van het leven uit.

Haar oogen waren die van een kind; heel, heel klaar, gelijk het water

van een bergmeer; en elk woord, dat ze sprak, woelde zich los uit

den grond van haar hart en was blij en omlijnd en vol vorm als edel

kristal. En ze zag mij aan, al mijn gedachten van mijn lippen aflezend

en soms ging zij, een half aangevangen zin van mijn tong overnemend,

voort, en al wat mijn ontroerde ziel probeerde uit te spreken aan

diepe gevoelens, werd in haar mond als door mij gedacht en door haar

veredeld tot gedichten.

Ik zweefde in een zee van licht, zonder herinnering aan tijd en aarde,

en al mijn verlangens waren van mij afgevallen, hadden allen invloed

en alle macht over mij verloren!--

Toen nam de oude heer, die zich gedurende ons gesprek vriendelijk in

zijn donzen wolk teruggetrokken had, weer menschelijke vormen aan,

maar dezen keer was de zachte, vertrouwen inboezemende glimlach uit

zijn gezicht verdwenen:

"Luister!" zei hij ernstig, "deze vrouw, die je bevalt, die je in

geel en groen, in rood en in blauw wenscht te kleeden, deze vrouw,

met wie je verstandig kunt redeneeren, en in wier ziel jouw woorden

tot gedichten worden------verneem------Zij wil je toebehooren en de

jouwe worden. Gedurende de zevenhonderd levens, die zij als heilige

boom in het tempelwoud van Bang Pla doorbracht, als witte duif in

Wat Tsjeng, als reiger aan zee, in het oerwoud, in de bergen en in

de open steppe------gedurende al deze lange tijden heeft zij den

moed en de wijsheid verzameld om je zonder vrees toe te behooren,

en nu is ze bereid, jouw leven in haar leven op te nemen.

Leg het in haar hand! Zij weet, dat het een menschenleven

is. Vertel! Zij zal begrijpen.

Wees moedig! zei de oude man, de witte rijp der levenservaring op

zijn voorhoofd, en met een stralenden blik, waarin de kracht lag,

over millioenen van jaren en levens en lotsbepalingen heen te zien,

alles te verklaren en nooit te verzaken.----

En de donzen veeren van den heiligen reiger groeiden weer voller,

en de schoone vrouw met de glanzende oogen zat weer voor mij, dezen

keer in elegante zwarte nauw-sluitende Chineesche kleeding, en haar

smal gezicht was overwaasd met een teeder rood van brandend verlangen:

"O, vertel me toch," zei ze, "en de toekomst gaat voor je open,

zoo heerlijk, alsof de zon in den ochtend over de onmetelijkheid der

wouden opgaat--."

Maar midden in haar geestvervoering zweeg ze opeens, scheen aan

iets heel vers te denken en vroeg mij plots vol deelname: "Waarom,

arme man, ben je in den hemel pas tot een vrouw gekomen------?!"

Nu voer het opnieuw door mij heen, dat ik nu in het paradijs moest

zijn, en van een duizelingwekkende hoogte zag ik opeens mijzelf,

kruipend, op de oude morsige aarde maar eigenlijk kroop ik niet, en

de modder zag er van hier niet meer als modder uit. De honderdduizend

draden van het al kruisten door elkaar heen; van alle kanten aankomend

liepen ze op mij, menschje van de aarde, toe, onbarmhartig trekkend

en rukkend, zoodat ik onwillekeurig dacht:

"Het is jammer dat het leven----

------dat het leven zoo vreeselijk is!" klonk het voltooiend van

haar lippen.

Toen wist ik eensklaps, dat de mooie vrouw waarlijk mijn hemelsche

vrouw was en haar vraag schoot mij weer te binnen: "Waarom, arme man,

ben je in den hemel pas tot een vrouw gekomen------?"

En vlug een cigaret aanstekend (om het gevoel van onbehaaglijkheid

dat mij bekroop te verbergen) kwam ik eindelijk dapper en luid met

mijn bekentenis voor den dag:

"Omdat op aarde de goede vrouwen te goed en de slechte te slecht voor

mij waren----! Het leven op aarde is een buiteling, een jammerklacht,

een valsch gejubel in het beste geval------!"

Nu zagen haar klare oogen mij lang aan, en vol medelijden, en bijna,

alsof ze bang waren, nog meer van beneden te vernemen; maar ten

langen laatste zei deze heerlijke vrouw toch vol overtuiging:

"Ik vrees niets!" zoodat ik haar bijna geloofde.

Maar er was een gevoel in mij dat sterker was, een wurgend, drukkend

gevoel van angst------"ik------ben------nog------niet------klaar

met spreken------!"

"Daar beneden jong geweest te zijn, wil zeggen, lasten te dragen. Wel

ken ik nu eindelijk de laatste vragen, om met mijn wereldbeschouwing

het ware doel te bereiken en misschien eindelijk zalig naar het

eeuwige vaderland in hemelsche harmonie op te gaan, maar------welke

aan mij verwante, schoone ziel zou niet ------------------------

Neen, neen, juist daarom, omdat jij, heerlijke vrouw,

Door de wereldsche beschikking als gelijkwaardige mij geschonken

werd----

Juist daarom zul je nooit meer voor mij mogen worden,

Juist daarom------ben je ook------te goed------!"

------------------------

De lange wimpers overschaduwden haar glanzende oogen, toen de mooie

vrouw in diepe treurnis en zeer plechtig verklaarde:

"Ik ben niet meer bang voor je. Het leven daar beneden op de aarde

is voor hen, die zelf daar zijn, niet te doorgronden. Niet wat er

aan glans en geluk en zichtbare daden daar gebeurt, wordt hier in

den hemel afgemeten; niet datgene, wat iemand doet en is en schijnt,

helpt zijn ziel in de eeuwigheden----zielen zijn veel hoogere wezens,

zijn------eeuwig onkwetsbaar of nooit geweest----. Laat mij hier in den

hemel je aardsche lasten dragen------jij moet nu zingen------en denk

niet, dat het voor mij te zwaar wordt-------- ------------------------

Bij deze heerlijke woorden ontdekte ik pas voor den eersten keer,

wat voor iets kostelijks de vrouwen zijn. Maar het was een beetje

laat geworden met deze ontdekking, erg laat.

Zonder dat ik bij machte was het te verhinderen, verloor ik de mooie

vrouw in de groene sarong en met het ovale marmeren gezicht uit

het oog.

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 65 / 68 题