Op de maan wachtend zit ik voor mijn bamboehuisje. Weer is een heete,
klare dag voorbij.
Het kleine dorpje, geheel in de tuinen liggend, schijnt te slapen. In
den flakkerenden schijn van smeulende vuren drukken de huisjes zich
in den grond. De nacht steunt er zwaar bovenop. Warrige hoopen van
kokos- en betelpalmen staan zwart voor den sterrenhemel.
De palmen over het dorpje zijn het zinnebeeld van al de menschenlevens
daarin, sierlijk gegroeide gelukkige naast kromme. Deze, door
den wind ontredderd, draagt een woest gorgonenhoofd, en gene is,
niettegenstaande de stormen die over hem heen gingen, in de kalme
hoogten van een rustigen ouden dag gegroeid. Een bizonder slanke werd
door het lot vroegtijdig het hoofd afgerukt. Arme schoone!
Ik wacht heel rustig, in den aanblik van den avond
verzonken. Glimwormpjes fonkelen in de warme lucht hier en daar op,
sprongsgewijze, gelijk mooie gedachten in middagdroomen opduiken. Een
vleermuis fladdert hoekig rond. Hoek, hoek roept een dier in de verte
en aarzelend wordt 't lichter.----
Daar ijlt uit het slanke bamboe een donkere gestalte op mij toe,
en in zilveren glans stijgt de maan boven de palmen uit.
"Noe Kiang------------?!"
"--------------------Toean!"