DE MAAN KOMT OP.

Op de maan wachtend zit ik voor mijn bamboehuisje. Weer is een heete,

klare dag voorbij.

Het kleine dorpje, geheel in de tuinen liggend, schijnt te slapen. In

den flakkerenden schijn van smeulende vuren drukken de huisjes zich

in den grond. De nacht steunt er zwaar bovenop. Warrige hoopen van

kokos- en betelpalmen staan zwart voor den sterrenhemel.

De palmen over het dorpje zijn het zinnebeeld van al de menschenlevens

daarin, sierlijk gegroeide gelukkige naast kromme. Deze, door

den wind ontredderd, draagt een woest gorgonenhoofd, en gene is,

niettegenstaande de stormen die over hem heen gingen, in de kalme

hoogten van een rustigen ouden dag gegroeid. Een bizonder slanke werd

door het lot vroegtijdig het hoofd afgerukt. Arme schoone!

Ik wacht heel rustig, in den aanblik van den avond

verzonken. Glimwormpjes fonkelen in de warme lucht hier en daar op,

sprongsgewijze, gelijk mooie gedachten in middagdroomen opduiken. Een

vleermuis fladdert hoekig rond. Hoek, hoek roept een dier in de verte

en aarzelend wordt 't lichter.----

Daar ijlt uit het slanke bamboe een donkere gestalte op mij toe,

en in zilveren glans stijgt de maan boven de palmen uit.

"Noe Kiang------------?!"

"--------------------Toean!"

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 55 / 68 题