Heel, heel in het begin van mijn Oostersche levensperiode, toen ik
voor den eersten keer zoo bediend en verzorgd en verwend werd, na het
eten alleen maar even om mijn tabakspijp hoefde te roepen, 's ochtends
vroeg bij het wakker worden de koffie als vanzelf bij mij aan mijn bed
kwam, en bijna elk oogenblik een dier zwijgende bedienden wachtend op
een wenk van mij tegen den muur stond------destijds dacht ik kort en
bondig: "Deze kokkies en boys zijn buitengewoon!" De vriendelijkheid,
waarmee ze hun meesters bedienden, de blijheid--heel hun doen en het
toch volkomen ontbreken van elke slaafschheid of kruiperigheid deed
mij goed.
Zonder dat ik ooit te voren in mijn leven gelegenheid had gehad
ook maar de kleinste rol als meester en meerdere in te studeeren,
noch ooit den geringsten aanleg tot heerschen in mij had bespeurd,
werd ik plotseling op de handen gedragen als was ik een koning. Het
is maar één keer gebeurd dat een van deze in het wit gekleede, stille
bedienden-scharen achter mijn rug een half-onderdrukt jongensachtig
lachje wegslikte. Het was in een der eerste hotels van het heele
Oosten. Maar ik kon het me best verklaren------daar hoorde ik niet
thuis!
Nooit anders is buiten mijn wil mijn waardigheid als toean,
welke te bewaren mij in het algemeen moeilijker valt dan duizenden
anderen heeren om haar ook maar voor één oogenblikje te vergeten,
verongelukt. De bescheiden Chineesche logica, volgens welke een toean
eenvoudig een toean is en daarmee basta!--kwam mij altijd van pas. Ik
geloof, dat Chineesche boys vaak zoo goed voor hun meesters zorgen,
omdat elk van hen graag den keurigsten en den mooisten toean wil
hebben, om zich in zijn afglans te koesteren.
In die tijden van het allereerste begin was Holloeki nog niet bij mij,
maar een andere Chinees had de eer mij te voederen en te verzorgen.
"Ah Tsjan, Hongkong- en Kantonman"----aldus staat zijn naam onder de
kiek, die ik als herinnering aan hem nog steeds bewaar.
Als ik tevreden over hem was, noemde ik hem Ah Tsjannetje, maar
meestal minder vriendelijk en bijna ruw Ah Tsjan(ae). Dit "ae" had
zijn eigen beteekenis.
Ah Tsjan was een zeer bereisd jongmensch, geheel en al in den zin der
opgaande zon van zijn land, en kon niet alleen beter koken dan ik,
maar zoowat alles. Eens had het leven hem als scheepsjongen heel in
Hamburg doen belanden; hij had ook in Bangkok bij Duitschers gediend
en daardoor sprak hij een komiek, allerdwaast Engelsch, dat niet is
weer te geven. Bovendien probeerde hij met een vreemdsoortig accent
aan elk woordje dat er maar even voor in aanmerking kwam een "ae"
te hangen. Inplaats "I like" zei hij "I like(ae)" en zoo voort. En
zooals de meeste Chineesche tongen struikelde ook de zijne over de
moeilijke Westersche "r".
Bovendien was Ah Tsjan(ae) een echte grillig-hartstochtelijke Chinees
en paste daarom goed bij mij. Zijn opgewekte geestige beweeglijkheid
stelde mij schadeloos voor de betrouwbaarheid en orde en al die
andere goede eigenschappen, die een boy moet bezitten------ik haat
knechtenzielen.
Af en toe, meestal geheel onverwacht, stroomde hij over van
vertrouwelijkheid, hurkte naast mij neer en begon familieverhalen
en dingen uit zijn leven te vertellen. Hij, de jonge, onooglijke
Chinees had al meer achter den rug, dan menige groote, trotsche,
prachtige Europeaan.
Op een keer ruimde hij in mijn bijzijn zijn Japansche reismand op. Wat
daar toen niet te voorschijn kwam! (Naast een paar potloodstompjes en
andere kleinigheden van mij, die hij in de haast vergeten had.) Een
heele Chineesche reisrommeltentoonstelling!
"All this I like(ae) ve(l)y much three hundred dollar!" verklaarde
hij. "I have(ae) got(ae) mamma in Bangkok. She plenty rich. My father
San Francisco, my blappa [5] carpenter!--And this here belongs my wife,
she Kanton, same country I; she no good." En hij pakte een portret
uit! "Met groet en kus, je Julius"--ansichtkaart in het Chineesch. Een
pikzwarte opgedirkte, wit-gepoederde dame met lak-roode lippen. Ik kon
nog net even gauw zeggen: "I congratulate you!" en verdwijnen----------
Het volgende is een knipsel uit een briefje, dat Ah Tsjan aan zijn
"Mamma" schreef. Hieruit valt de verklaring niet moeilijk af te
leiden, waarom Ah Tsjan altijd een gezicht vertoonde dat straalde
van tevredenheid.
"------Master plenty good. I make(ae) plenty money, and eat(ae) his
rice all the same. He never make(ae) I write(ae) how much, when go
market. Master only give(ae) money, I buy.
He eat(ae) plenty eggs, ten pieci one day, and like(ae) ve(l)y much
carony. [6]
Master funny man. Sometime(ae) night he speak(ae): Ah Tsjan(ae),
make(ae) light!----and he take(ae) paper and write(ae) plenty and
then start(ae) laugh(ae).
He never bad with me, but when sun hot and sick little he no more
speak(ae).
He belongs Swiss.
He no drink(ae).
He go plenty jungle. He speak(ae), like(ae). Sometime(ae) he ask(ae)
me: Ah Tsjan(ae) do you like(ae) jungle?----Then I speak(ae): No,
no! I like(ae) much more better nice house, I like(ae) Bangkok. Bangkok
ve(l)y, ve(l)y ve(l)y nice! But master only laugh(ae): Ah Tsjan(ae),
Bangkok no good, all big town no good, plenty bad people! Master
like(ae) "orang-oetan"-people in jungle ve(l)y much. Sometime(ae) he
go dirty siamese hut and speak(ae) black men. But he never take(ae)
woman. But he like siamese girl, yes, I know, I------have(ae) seen. Why
he not take(ae) sleep nice girl? I think(ae), he mad a little--
Eens sloot Ah Tsjan vriendschap in een Chineesch dorpshotel, waar wij
den nacht doorbrachten. In de kamer naast de onze sliep een Chineesch
gezelschap van een man of zeven, acht, bestaande uit een dikke oude
moeder, waarschijnlijk den erbij behoorenden vader, twee, drie jonge
mannen en een paar bekoorlijke dochters (met geoliede kapsels),
die Ah Tsjan in de oogen staken.
Den volgenden ochtend, toen ik op het station van R. op den trein
wachtte, kwam Ah Tsjan plotseling met een doodernstig gezicht op mij
toe en zei klaaglijk-bedelend tegen mij: "Master, this woman"--hij
bedoelde die oude Chineesche moeder met haar grijze haren en haar
rijstbuik--"beg(ae), you give(ae) her little money. She not can
take(ae) one ticket. She speake(ae)," ging hij voort, "will give(ae)
you something" en de oude vrouw, die intusschen op haar halve voeten
was komen aantrippelen, begon inderdaad al aan een van haar prachtige
ringen te draaien.
Maar daar ik destijds nog nieuw was in dit vreemde land en mijn chef
vlak naast mij stond, meende ik deze heele geschiedenis met een streng
gezicht te moeten negeeren.
Eens philosofeerde ik met Ah Tsjan over zielsverhuizing.
Het was toen de griep in Siam heerschte (de Chineezen stierven als
vliegen in den laten herfst). Toen vroeg ik:
"Ah Tsjan, do you like(ae) die?"
Waarop hij ontsteld antwoordde:
"Master, how can! Anybody man no like(ae) die!"
"Die, no matter," ging ik voort, "lateron dead man return dog,
buffalo, cattle."
Ah Tsjan (glimlachend): "Yes sometime(ae) dead man come(ae) back
beast."
Pauze.
Ah Tsjan, in Bangkok zijn tweeduizend menschen aan de griep
gestorven. Nu zullen daaruit tweeduizend honden ontstaan of buffels,
niet waar?
No, no Master!
Jawel, zeker!
No master, look see, Europe now big fighting. Sometime(ae) die 50.000
pieci men. But not come(ae) back 50.000 cattle--Europe plenty hungry!
Een Chineesche boy kan oneindig vriendelijk worden en voorkomend,
wanneer hij door een brandend verlangen wordt gekweld, 's meesters
toestemming noodig heeft om zijn verlangen te stillen.
Zonder zijn bedoeling ook maar eenigszins onder stoelen of banken
te steken, kwam Ah Tsjan soms op het gekste tijdstip en gekleed om
door een ringetje te halen bij mij praten, mij wat vertellen, iets
interessants, dat zijn meester aan het lachen moest maken of op een
andere manier aangenaam zou aandoen, en zoodra hij de uitwerking zijner
woorden van mijn gezicht kon aflezen, knoopte hij er zijn verzoek aan
vast (dat meestal op permissie om uit te mogen gaan uitdraaide), net
zooals wij als jongens aan een goed rapport een wensch vastknoopten.
"Have(ae) got(ae) friend, knife not can go inside----" "ik heb een
onverwondbare vriend," wilde hij daarmee zeggen.
"Zou je hem vanavond willen opzoeken?" vroeg ik hem spottend terug.
Een leuke vriendelijkheid (en aardige toespeling op mijn magerheid)
was: "Master, you and I all the same--not have(ae) got(ae) much
beef------!"
Of plotseling en schijnbaar zonder eenigen grond trad hij op mij toe
en sprak: "Bangkok-women belong cut(ae) hair, all dress like men, can
only know here a little (op zijn jongensborst wijzend) boy or girl."
Ik kwam al heel gauw tot de ontdekking, dat hij 's nachts vaak uit
was. 's Avonds, zoo na het "afdrogen", verdween hij gewoonlijk, en ik
geloof, dat als ik niet zoo'n vasten slaap gehad had, ik hem pas zoowat
tegen het aanbreken van den dag had kunnen hooren binnensluipen. Maar,
om alle verstandige menschen de handen van ontzetting ineen te doen
slaan--ik moet bekennen, dat ik soms mijn menschen liever liet begaan,
dan voor paedagoog te spelen. Hoe vaak was ik zelf niet liever ergens
anders gaan slapen,--voor mijn part op de maan,--dan op zoo'n eenzame
bamboeschraag in een gebrekkige kongsi te kruipen.
Er ging een gerucht rond, dat Ah Tsjan plenty opium rookte. Hij,
zoo goed als elke andere Chinees, was daartoe ook wel in staat. Maar
of Ah Tsjan waarlijk zoo dom was, vroeg ik mij af en hier in Siam een
opiumroes noodig had. Hij, met de zilverblanke tinnen knoopen aan zijn
buis en de khaki-kniebroek; Ah Tsjan, die altijd zoo keurig was; Ah
Tsjan, met zijn zoo voornaam klinkende en bijna toovermacht bezittende
wijze van spreken in echt grootsteedsch, Bangkoksch dialect------.
Hoewel, toen ik hem er eens mee plaagde, verklaarde hij mij
plechtig: "No, I no like(ae) woman" en toen ik het eerst niet goed
wilde gelooven, ging hij voort: "Yes master, I no more like(ae)
woman--have(ae) had before plenty fifty pieci!"--
En een anderen keer, toen ik mij vroolijk maakte over zijn
deugdzaamheid en hem vroeg: "Ah Tsjan(ae), no like(ae) gamblac,
[7] no like(ae) woman, no like(ae) opium--Ah Tsjan(ae), what do you
like(ae)?"----toen antwoordde hij trouwhartig en zoo vrijuit, dat
ik het bijna moest gelooven: "Like(ae) house, where people plenty
tell story----!"
Zooals in alle mooie, buiten de wet vallende menschelijke
levensverhoudingen----en zoo was immers de verhouding tusschen mij
en mijn boy--vielen er om een haverklap conflicten met Ah Tsjan
voor. Zijn invallen gingen tot in het ongelooflijke over, zijn eens
zoo grappige gezegden werden mij onverdraaglijk, en opeens moest Ah
Tsjan plaats maken voor Holloeki.
Holloeki heeft minder scherts verstaan en was in buitengewone
omstandigheden minder slagvaardig, maar hij heeft mij trouwer en
langer gediend dan Ah Tsjan. Hij was zoo precies en nauwkeurig als
een jaar-in, jaar-uit de uren afbellende schoolklok, en ik moest
hem menigmaal bewonderen, wanneer hij zelfs onder de lastigste
omstandigheden op reis nooit hulpeloos tegenover een mijner wenschen
stond en nooit wanhoopte onder het moeizaamst gezwoeg in het oerwoud.
Maar als ik nu zoo in de stilte over deze tijden zit te peinzen, dan
lijkt het me toch bijna, alsof Ah Tsjannetje in zijn drie maanden
meer voor mij heeft beteekend dan Holloeki, de modeljongen, in al
zijn zeventien.