HOLLOEKI, ARIS EN MIJN FAKKELOPTOCHT

Toen ik, weliswaar ongedeerd aan de wildernis ontkomen, maar zeer

vermoeid en in een niet bepaald liefelijke stemming, weer onder de

deur van een Chineesch huis in een eenigermate menschwaardig dorpje

zat, kon ik langen tijd een gevoel van "verlorenheid en aan groote

en ruwe krachten prijsgegeven zijn" niet van mij afzetten.

Half naakt en barrevoets, zooals een schooljongen op een vrijen

middag het bosch in loopt--dat had ik nu gemerkt--kom je in het Oosten

niet ver.

Wie voor den eersten keer in deze Indische landen reist, voelt

zich met een geweldigen ruk ontworteld, weggerukt uit al het oude;

en zijn vroeger zoo goede en gedegen burgerlijke begrippen van tijd

en afstand, van dag en van nacht verliezen hun beteekenis, worden

't onderst boven gegooid, en van heel uit verre verte kijkt den

verplaatste zijn oude leven na, dat in zijn puike geregeldheid er

eensdeels mooi en begeerenswaardig, maar er anderdeels al bijna een

klein beetje belachelijk en kleinzielig uitziet.

Zoo veelbelovend en verleidelijk op het eerste gezicht de

natuurlijkheid der groote, nieuwe wereld den zoo juist aangekomene

lijkt, zoo teleurgesteld is hij, te moeten ontdekken, dat hij de

geschiktheid om in haar eenvoud te leven, allang bijna totaal heeft

verloren; als hij met minderwaardigheidsgevoelens moet merken, dat zijn

maag de bekwaamheid om kikkers en kippenpootjes te verteren, heeft

ingeboet, ja, dat hij het amper met de op de manier der inboorlingen

toebereide rijst kan eens worden.

Op den naakten vloer te slapen, behaagt zijn beenderen niet, en

iedereen moet daar tot de erkenning komen, dat hij op den duur nooit

de noodige kracht zou bezitten, om behoorlijk en regelmatig zooals

in landen met een koeler klimaat, op zijn uiterlijk te letten.

Midden in het prachtigste Chineezendorp ben ik, blanke, onmogelijk--tot

deze conclusie kwam ik--en moet te gronde gaan en verhongeren (terwijl

natuurmenschen zich in hun levenskracht verheugen), wanneer ik niet,

tenminste rekening houdend met enkele mijner Europeesche gewoonten,

de allernoodigste hulpmiddelen daar vandaan meebreng.

Niet zeer gelukkig hurkte ik, bijna als een bedelaar, onder de deur

van een rijken Chinees, die mij schuin aankeek en zeker merkte,

dat die vreemdeling daar rijkelijk genoeg te denken had. Nieuwe, nog

volkomen onbegrijpelijke beelden omgaven mij; mijn Engelsch sprekende

boy, hoewel een grappig jog, op wien je eigenlijk nooit echt kwaad

kon zijn, was niet geschikt voor dit leven van reizen en trekken,

was nooit bij de hand, altijd in de een of andere opiumspelonk,

zooals ik toen dacht. Ik verstond haast geen woord Siameesch en de

toekomst lag in twijfel voor me, met een gewirwar van boomen, heete

dagen, onverstaanbare klanken en, hoewel onschuldige, bijna lieve,

stellig mooie, maar eenigszins kinderlijke, achterlijke menschen.

Terwijl ik mij zoo in moedeloosheid aan droefgeestige

zelfbespiegelingen overgaf, dook in de dorpsstraat een dier Europeesch

aangedane inboorlingen op, bij wier verschijning mij telkens een

onmiddellijke tegenzin bekroop; en hoe beter ze een der Westersche

talen beheerschten, hoe meer hekel ik dan altijd aan hen had.

Mijn afkeer tegen zulke aandragers van het Europeanenschap is er met

den tijd niet op verminderd; integendeel, want wat zulke bruinen in

den loop van hun omgang met blanken aannemen, is meestal niets dan

het allerslechtste, precies zoo als de kweekelingen van zendelingen,

die geen voordeel vermogen te trekken uit godsdiensten die ze toch

niet begrijpen.

In een verschoten, bruin khaki-pak en witte linnen schoenen trad de

man op mij toe, met dat vriendelijke zelfbewustzijn in zijn gezicht,

dat ongeveer zeggen wil: "Mijn heer en meester is in ieder geval net

zoo goed als jij!", sprak mij in vloeiend Maleisch aan--tenminste

geen Engelsch, dacht ik--en had in twee minuten met een soort

opdringerigheid gevraagd: "Waar kom je vandaan, heer? Wat heb je

daar gedaan? Waar ga je nu naar toe?" en al mijn reisgeheimen uit mij

geplozen, zoodat het mij was alsof hij me spiernaakt had uitgekleed

en ik mij even hulpeloos voelde als een aan de nieuwsgierigheid van

vreemde menschen prijsgegeven kind.

Maar opeens bezon ik me, schold den Maleier tamelijk grof uit, hoewel

niet geheel en al overtuigd dat hij in waarheid zoo slecht was, maar

toch waarschijnlijk wel om de ongelooflijke driestheid waarmee hij

zich aan mij, den heer, dorst op te dringen, en niettegenstaande toen

al het vermoeden in mij begon op te komen, dat deze bruine misschien

eerder uit een soort natuurlijk meevoelen met zijn broedermenschen en

hulpelooze vreemdelingen, dan uit zakelijke nieuwsgierigheid zoo sprak.

Maar zoo goedmoedig waagde ik in dien tijd nog niet van een inlander

te denken; ik zette een gezicht zoo koel en ernstig als 't mij maar

eenigszins mogelijk was. Men is vaak dat, wat men is, opzettelijk

niet, omdat men weet, dat men het is--bijvoorbeeld om maar iets te

noemen: goedmoedig.

Later bleek, dat deze bruine zelf ook voor mijnaangelegenheden op het

pad was; hij wierp heel handig met Chineesche katties (gewichtsmaat)

en met kubieke yards om zich heen en doceerde een onfeilbaar middel,

hoe je de koelies voordeelig op hun loon kon beknibbelen, wat ik

allemaal als wijze geleerdheid, met een zekere bewondering voor den

bezitter van deze geleerdheid, in mij opnam.

Het duurde niet lang of hij bood mij zijn diensten aan. Omdat hij

voor de betrekking welke hij op het oogenblik bekleedde niet genoeg

Chineesch verstond, daarom wilde hij van dienst veranderen, verklaarde

hij me.

"Die heeft in de gaten gekregen, dat 't met mij goed tin zoeken

is!" dacht ik bitter.

Maar na kort over- en weergepraat, en nadat de Maleier intusschen al

om mijn in het dorp rondslenterenden boy gestuurd en een half dozijn

andere maatregelen ten mijnen gunste getroffen had, kreeg ik plots een

wijdschen blik op zijn bekwaamheden; vooral zijn Chineesche katties

en de andere vaktermen van den mijnman maakten grooten indruk op me

en daarom zei ik, om niet heelemaal met hem te breken:

"Ik zou je in elk geval geen satang meer loon geven dan je tot

nu toe gehad hebt!" en ik noemde zoo terloops een tikal per dag,

hoewel, of misschien juist omdat ik wist, dat hij stellig minstens

het dubbele verdiende.

Op deze wijze slaagde ik er dadelijk in, mij in mijn aanzien voor

hem te herstellen; hij scheen nu te begrijpen, dat ik het ernstig

meende; zijn gezicht verloor den trotschen, gelijkhebberigen trek,

en op een wel aldoor nog doceerenden toon, maar toch al heelemaal van

uit de laagte en alsof hij medelijden met mij had om mijn onkunde in

loonvragen, meende hij beklagend: "Heer, je schijnt niet te weten,

dat wij mijnwerkers geen gewone koelies zijn!"

Ik bleef ernstig en antwoordde niets.

Na een paar minuten, waarin wij geen van beiden een woord hadden

gesproken en alleen af en toe elkaar even vlug van terzijde hadden

aangekeken, kwam mijn Engelsch sprekende kok, Ah Tsjan, terug. De

Maleier verslond hem dadelijk met minachtende oogen, met oogen, die

"opium!" zeiden. Ah Tsjan schrompelde onder dit onuitgesproken oordeel

zichtbaar in elkaar. Het was de uitdrukking van een oude vijandschap,

van een kastenhaat, welke nooit zal ophouden te bestaan; heel de

minachting, die een in den jungle levende man voor den stedeling en

weekeling heeft, lag in den blik, dien de Maleier den Chinees toewierp.

"Die twee zullen wel niet voor denzelfden wagen gespannen kunnen

worden!" dacht ik, maar, al zullen er ook de grootste veranderingen

moeten plaats hebben, erger dan ik het tot nu toe heb gehad, zal 't

wel niet worden. En aldoor nog half afwijzend en ongenaakbaar naar

buiten toe, innerlijk echter al vol blijde gevoelens en verwachtingen,

liet ik zoo langs mijn neus weg en omdat de Maleier zijn verlangen

naar mij al sterker verried, de opmerking ontvallen: "Een goeden

man, die flink met mij het oerwoud in zou gaan, en nooit zou rusten;

een die me zou dienen en voor mij zorgen, alsof ik zijn oude vader

was.... zóó iemand zou ik met graagte toestaan van mijn rijst mee te

eten, zoodat hij zijn heele maandloon ongerept kan opsparen!"

Nu beloofde de Maleier mij het tin van de hoogste bergen en dat hij

voor mij zijn beenen wel tot aan zijn buik zou willen afloopen, en

dus--men mag en moet zelfs inlanders vertrouwen schenken en kiemen

van hoop in hun hart leggen, zoo goed als men hen ook op hun maandloon

een voorschot geeft--werd, zonder dat ik eigenlijk bepaald toestemde,

het contract gesloten tusschen Aris en zijn meester, die weliswaar

nog lang geen goede meester was, maar dien Aris langzamerhand met

veel moeite en inspanning als zoodanig opvoedde.

Heel de rijkdom aan zalige blikken in het wezen eener betere wereld van

het Oosten, heel de overvloed aan kleine, karakteristieke en voor de

meeste andere blanken onbereikbare blijde momenten en gebeurtenissen,

die nu mijn herinnering aan Azië zoo waardevol maken, zou mij niet in

die mate ten deel gevallen zijn, wanneer Aris, mijn bruine Maleier,

mij niet zoo trouw gediend had en overal op den voet gevolgd was.

Tsje Aris van Malaka, wien een goede genius de gave had geschonken,

alles te vermoeden en te voorvoelen en mij niet kwalijk te nemen,

dat ik anders scheen te zijn dan de andere meesters, die hij tot

nu toe ontmoet had. Aris, die mij in het Maleisch, die sierlijke,

viool-zoete taal van het Oosten, uit het leven van elk grashalmpje

vertelde en die mij de droomen en wenschen van deze bruine wereld,

hun verlangens in goede en slechte dagen, in vreugde en leed, in

geluk en nood, zoo treffend wist te beschrijven, dat de heetste

marsch in den middag wanneer de zon hoog aan den hemel stond, de

meest moeitevolle boottocht en het langste wachten gedurende de reis

tot een soort genoegen en een vroolijke gebeurtenis werd.

Vanaf den dag dat ik Aris had gevonden verloor de jungle zijn

verschrikking voor mij en moest ook de avontuurlijkste onderneming

slagen. Aris was het, die mij in de nauwste aanraking bracht met al de

diepzinnige eigenaardigheden; hij, de zwerver Aris, die zich in zijn

kracht wist te verheugen en die mijn Zigeunerleven uit overtuiging

met mij deelde, en niet uit dwang.

Telkens weer was hij het, die mij hielp. Als ik twijfelde, was zijn

raad bij de hand, als ik niet begreep, lichtte hij mij in en als ik

hoopte, bracht zijn woord, uit het Siameesch in het Maleisch vertalend,

vervulling.

Aris werd mijn dienaar, mijn tolk, de bemiddelaar in het verkeer met

Chineezen, met adellijke waardigheidsbekleeders, met mijn koelies,

met bootslui en met de mooie Siameesche meisjes.

Bij al die schijnbaar nietige voorvalletjes, bij ontmoetingen op

reis, aan aanlegplaatsen, bij bezoeken in het dorp, in den omgang met

de schuwe, antediluviaansche oerwoudmenschen, waar het Aziatische

leven veelbeteekenend en klaar als nooit en nergens anders aan den

dag treedt en elk woordje, dat uit den mond van den inlander komt,

vreemde wereld is en een eigen klank bezit,--heeft Aris, zonder dit

te vermoeden, mij rijker bedeeld dan ik hem ooit kon teruggeven.

Bijna van den eersten dag af aan heb ik in Siam Maleisch

gesproken. Voor ons Europeanen is de taal van het land, het Siameesch,

dat ons, evenals het Chineesch met zijn hooge en lage klanken en

donkere, rauwe keelgeluiden oneindig veel moeite kost, niet zeer

geschikt om haar snel te leeren; en daarom was het voor mij een

buitengewoon geluk, dat ik mij met Maleisch kon helpen en bovendien

nog iemand gevonden had, die niet alleen zooals een gewone vertaler

automatisch zijn ambt vervulde, maar die ook alle fijnheden uit het

Siameesch in zijn moedertaal wist over te brengen.

Aris was een dichter, die niet alleen van de beteekenis van sierlijk

woordenspel, van mooie gedachten en vroolijke beschrijvingen zelf

wist te genieten, doch die ook de kunst verstond deze in zijn eigen

taal te herhalen.

En niet alleen heeft Aris mij verstand van olifanten en krokodillen en

alle mogelijke andere grove wonderen van Siam doen krijgen, maar hij

heeft mij vooral de menschen leeren kennen; een prachtige, gelukkige

menschheid in een bijna volkomen wereld heeft Aris mij laten zien;

en dit deed mij dubbel goed in een tijd, dat nood en dood aan het

door haat en ellende gespleten Europa vraten.

Ik zou een loflied willen zingen op de Maleische taal, maar ik voel mij

onbeholpen, wanneer ik moet uitdrukken, waaruit mijn diepe voorliefde

voor het Maleisch spruit.

Voor een deel, ja, zal het genoegen dat het je doet een volkomen

vreemde en geheel nieuwe taal binnen den kortst mogelijken tijd zoo

te beheerschen, dat je niet alleen zonder moeite met de ingeborenen

kunt spreken, maar ook de fijnste woordspelingen en (eigen)-aardigheden

dier taal begrijpt en voelt en heel de kinderlijk-naïeve schalkschheid

der beelden, er ook wel het zijne toe bijdragen.

Maar dat is het niet alleen. Maleisch is zoo vol harmonie en muziek

als zelfs Spaansch niet. Sierlijk smelten vriendelijke woorden

uit den mond van beminnelijke menschen. Open, oneindig trouwhartig

komen de klinkers tot je. En de kortheid van uitdrukking, door het

ontbreken van elke gecompliceerde grammatica, eischt overal gevoel,

dat dan ook werkelijk graag en vaak en altijd in de taal gelegd wordt.

Dat ondergaan we, als we voor den eersten keer den boy "Ja!" hooren

zeggen; ons eigen Hollandsche "Ja!", alleen opener en met meer nadruk

uit den mond van een ingeborene vernemen.

En dan vooral de beelden in deze taal!

Den «sneltrein" noemden mijn Maleiers den "trotschen" trein--(te

trotsch om bij kleine stations te stoppen!). Een blanke, die klein van

gestalte was, duidden zij aan als toean-soekoe--(toean = heer: soekoe

= een kwart). De huig is het "kind van de tong!" Een kleine magneet,

die ik bij mijn werk vaak gebruikte, heette: besiberani--(het dappere

ijzer!) en zoo voort.

Mata kaki, oog van den voet, beteekent in het Maleisch niet een

eksteroog, daar weten de Maleiers niets van, maar daar wordt de

enkel mee bedoeld. Een sarong soerat is een envelop, een briefomslag;

een sarong kaki een kous (een beenomslag).

Toen woudmenschen mij eens een prachtigen, pasgevangen goudfazant

brachten, zei ik tegen Aris: "Vlecht van bamboe een sarong--een

kooi--voor hem!" "Licht"- en "donker"-rood noemt de Maleier "jong"

en "oud" rood, "bruin" is voor hem "zoet zwart"! Vertrouwd was ik van

het begin af aan met den orang oetan, den woudmensch; mijn Chineezen

gebruikten deze uitdrukking iederen dag als benaming voor de donkere,

echte, bosch-bewonende Siameezen.

Bij al deze natuurlijke wonderen der Maleische taal stelde mij nu ook

het toeval bovendien nog mijn dienaar ter beschikking, die bij iedere

gelegenheid, wanneer hij ook sprak of vertelde, de oorspronkelijkste,

echtste bloemen van zijn eigen dichterlijke scheppingen schonk.

Als ik op reis in de boot zat te eten en deze helde naar links over,

ging Aris aan den rechterkant staan en zoodra het donker werd, kwam

hij met een harsfakkel bij mij zitten tot ik klaar was met eten.

Telkens wanneer ik mijn waschgerei nam, kwam hij als een schaduw en

ongeroepen, om mij mijn handdoek af te nemen en het water voor mij

uit de diepe bron op te trekken. Eén keer zei hij met een uitnoodigend

gebaar: "Doedoek toean--ga zitten!" en probeerde mij zelfs te wasschen.

Dat was Aris voor mij--mijn slaaf----?

Aris was mijn vriend en nu nog, na jaren van scheiding, denk ik in

mijn slaap vaak aan de dagen terug, die ik in het wonderland Siam

heb doorgebracht en zou ik willen uitroepen: "Ai, ai Aris, soedah

makan? boeli djalan?--Heb je al gegeten? Kunnen we op weg gaan?"

Zijn berustend "Ikoet toean!--Zooals je verlangt, heer!" op al wat

ik zei, werd mij net zoo lief als Holloeki's keukengeroep: "Toean,

makan!--Heer, eten!"----

Op een der eerste avonden van ons samenzijn zag ik Aris met een

peinzend gezicht, de beenen gekruist onder zijn lichaam, zitten

mijmeren. Zijn voorhoofd was vochtig en de een of andere verborgen

ergernis rimpelde zich daarop.

"Aris, waarom ben je niet tevreden?" vroeg ik.

"Hoe kunnen wij dienaren rustig zijn, wanneer het slecht met onzen

heer gaat!?"

"Dank je, maar 't gaat heelemaal niet slecht met mij!" antwoordde ik.

Toen puilden zijn oogen groot uit hun kassen: "Toean, hoe kan 't nou

goed niet je gaan, als je kokkie zoo slecht voor je zorgt....!" en

nadat hij een lange speech voor mij had afgestoken, waarvan de

beteekenis telkens weer hier op neer kwam: "Hoe kan men er in

's hemelsnaam een kok op na houden, die Engelsch spreekt, een

stadsboy....! foei!" verlangde hij van mij dat ik hem toestond een

nieuwen, tegen den jungle geharden kokkie te zoeken.

De zachte, kalme wonderjongen, dien hij mij kort daarop bracht,

heette Holloeki.

Terwijl Aris voor mij sprak en mij van al het moeilijke gedoe met

zakelijke dingen bij den arbeid in het oerwoud, en van de zorgen

om onderdak en middelen van vervoer gedurende de reis ontlastte,

zoodat mij ruimschoots tijd overbleef om te denken, wat allemaal aan

mijn innerlijken mensch ten goede kwam.... even trouwhartig zorgde

Holloeki, mijn kokkie, voor mijn uiterlijk. Hij was het, die 's

avonds mijn Chineesche reismatrasje uitspreidde, de klamboe erboven;

gisteren op een smal bootje, vandaag in een Siameezenhut en morgen

misschien onder het baardige heiligenbeeld van den een of anderen

Konfuciaansch-Chineeschen God. Het kleine, tengergebouwde Chineesje

werd mij langzamerhand met zijn roerende bezorgdheid en met zijn

onbegrensde plichtsgevoel bijna heilig. Ik dacht vaak: zoo vlijtig en

bescheiden als een Chinees moest iedereen zijn. Holloeki's voornaamste

verdienste was, op elk uur van den dag en waar wij ons ook bevonden,

op den aanlegsteiger aan de rivier, in de boot op zee, in de modder

van het oerwoud, in een tempel, het noodige: "makan--eten!" voor mij

klaar te hebben. En ik was vaak meer dan verbaasd, hoe uitstekend

hem dat gelukte, hoe gemakkelijk de kippen onder zijn mes stierven;

en mijn hart juichte vaak dankbaar op, als midden tusschen de herrie

van een stinkend Chineezenwinkeltje Holloeki na veel geharrewar mij

plotseling een zuiver rijstsoepje bracht, dat zoo smakelijk dampte,

dat het uit een betere wereld scheen te komen.

Als iemand vroeger thuis een bescheiden jongeling is geweest, zal

hij zich, plotseling in het Oosten, in de rol van globetrotter en

olifantenkoning, bekleed met de waardigheid van "toean--heer" eerst

ongemakkelijk opgeblazen en gezwollen voelen met al zijn omvangrijke

bagage en het heele gezelschap dat hij zich, zonder dit in den beginne

aangenaam te vinden, moet aanschaffen.

"Toean, je hebt nog koffertjes noodig, kleine, die de koelies makkelijk

kunnen dragen!" zei Aris vandaag.

"Toean, twee pannen zijn niet genoeg!" bedelde Holloeki morgen, en

al heerlijker werd mijn karavaan, hoewel ik het liefst ook in Siam

eenvoudig met niets dan mijn rugzak om het bosch ingetrokken was.

Als ik zoo in den glans van mijn fakkeloptocht plechtig als een radja

aangereden kwam, twee, drie olifanten voorop, met mijn twee bedienden

en een half dozijn koelies, dacht ik vaak: Net een uitstapje van de

heele familie op Zondag, alleen breedsprakiger------!

Hoezeer ik mij ook beperkte, misschien uit een dommen, aangeboren

afkeer van onnoodige luxe--minder dan vier tot vijf koelies speelden

het zelden klaar met mijn boeltje--vier koelies of een olifant,

een kleine boot, of een buffelwagen.

Maar van het grootste gewicht waren daarbij altijd het "gele" en het

"roode" blikken trommeltje, "het peti koening" en het "peti merah",

allebei zoo goed als waterdicht, maar--toch niet heelemaal. In hen

zag ik iets als een symbool, dat ik achter de oerwouden nog heerlijke

menschelijke dingen "Europa, beschaving" met het daaraan verbonden

genot had achtergelaten; en ze bevatten een wel-overdachte keur van

dingen daar vandaan: schrijf-gerei, linnengoed, kaarten, van allerhande

gereedschappen en zoo voort.

Maar ze hadden allebei hun kuren.

Als ik me over het "gele" heenboog om er gauw even een mijn-plan of

zooiets uit te nemen, dan was dat stellig in het "roode." Om dit te

openen moest ik links op het deksel drukken, bij het "gele" moest

ik aan den rechterkant mijn knie tegen den zijwand duwen en bij het

sluiten ging het net andersom.

Vaak was het "gele" mijn eet- en het "roode" mijn schrijftafel. Het

eeuwige open- en dichtmaken dwong me mijn sleutelring aan mijn riem

te dragen, net als een pachter.

En omdat in een der koffertjes, ik mag niet verraden in welk (dat

wist zelfs Aris niet), de Siameesche zilveren tikals bewaard werden,

baarden ze mij des te meer zorg.

Veel onschuldiger, hoewel even belangrijk, leken mij de Chineesche

draagkorven en stroozakken, waarin het keuken- en eetgerei mee

ging. Zij stonden onder Holloeki's hoede.

Het eenige liefelijke, mij altijd sympathieke, doch om zijn omvang

door de koelies gehate stuk bagage, was mijn groene beddezak met

het twee centimeter dikke Chineesche matrasje, dat altijd even hard

bleef, of het op den steenen vloer van een tempel of op de stakerige

bamboeschraag in een koeliehuis werd uitgespreid. In dezen zak ontbrak

nooit een lichte reisdeken en mijn "klamboe."

Spiksplinternieuwe begrippen doen zich aan den jungle-reiziger

voor. Visitekaartjes worden er niet meer afgegeven,

trein-aansluitingen, kapperswinkels, dassen, lakschoenen--dit alles

wordt van nul of geenerlei waarde; van grooter belang wordt: dat de

koelies hun eten hebben, dat de olifanten op tijd reisvaardig zijn,

dat er niet te veel en toch al het noodige, alles wat men in het

oerwoud noodig heeft om te leven, verzorgd is.

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 6 / 68 题