BESLUIT.

Sinjeur Calff heeft in alle opzichten woord gehouden. Toen Jan drie en

twintig jaar oud was, betrad hij voor de eerste maal het dek van een

nieuw schip als Commandeur, en hij heeft altoos gelukkig gevaren. Zijne

verdiensten waren toen zoo groot, dat hij zich een flink huis kon

doen bouwen aan de Westzijde, waar hij met zijne moeder en zuster

zijn intrek nam. Toch kon hij van het hem lief geworden huisje op

den Lagen Horn niet geheel afstand doen. Hij kocht het voor eene

kleine som van den eigenaar, en heeft het tot aan zijn dood in eere

gehouden. Voor zijn goede moeder waren de bange dagen voorbij. Jan

heeft haar leven lang voor haar gezorgd, en haar met de bewijzen

zijner teederste liefde omringd.

Daarbij stond zijn broeder Jacob hem naarstig ter zijde. Nadat deze

geruimen tijd op het kantoor van Sinjeur Calff had gewerkt, maakte

hij eenige reizen over de groote zee mede, en werd eindelijk kapitein

op een koopvaarder. Hij dreef handel in alle zeeën, en kwam later nog

dikwijls in Rusland, waar hij de eer had, den Czaar meermalen te zien

en te spreken.

De Czaar bleef den geheelen winter te Amsterdam arbeiden op de

Admiraliteitswerf, waar de toegang voor het publiek verboden was. De

regeering der stad bewees hem veel eer en richtte zelfs groote feesten

aan. Onder anderen werd te zijner eer een groot spiegelgevecht gehouden

op het IJ.

Toen hij vernam, dat de Walvischvaarders uit de Noordelijke IJszee

waren teruggekeerd, spoedde hij zich dadelijk naar Saardam, om de

schepen te gaan bezichtigen. De Commandeurs lieten alles gereed maken,

om den Czaar te laten zien, hoe het bij de Walvischvangst toeging. Op

een gegeven oogenblik hield men zich of er een visch te zien was,

en de Commandeurs bevalen: "Val! Val!"

Op deze woorden sprongen de matrozen in de sloepen, de harpoeniers

plaatsten zich op de plecht met den harpoen in de hand, en met forsche

slagen verwijderde men zich van boord.

Dit alles ging zoo snel en geregeld in zijn werk, en elk man wist

zoo precies de plaats, waar hij wezen moest, dat de Czaar er luide

zijne bewondering over te kennen gaf.

Toen hij vernam, dat het Bonte Calff inderdaad vergaan, maar de

bemanning gered was, begaf hij zich naar Jan Willemsz en drukte hem

de hand.

"Ik jou broer ook wel ken," zei de Czaar lachend. "Jij niet

verdronken!"

"Gelukkig niet, Majesteit," zei Jan flink, terwijl hij den Czaar open

en zonder verlegenheid aankeek.

"Jij een flinke knaap bent," sprak de Czaar. "En ik heet niet

majesteit, maar Pieterbaas."

De Czaar verwijderde zich en keerde weldra met zijn boeier naar

Amsterdam terug. Doch nog heel dikwijls bezocht hij zijne vrienden

te Saardam, bij wie hij zeer gaarne vertoefde. Vooral bij Sinjeur

Calff kwam hij graag.

Toen het galjoot, waaraan de Czaar te Amsterdam arbeidde, klaar was,

werd dit met groote plechtigheid door het Stadsbestuur aan den Czaar

ten geschenke aangeboden, waarmede de Vorst bijzonder vereerd was. Hij

benoemde zijn boeierknecht Musch tot kapitein en liet het naar Rusland

voeren, waar hij het levenslang in groote eere gehouden heeft. Zelfs

nog lang na zijn dood werd het daar bewaard.

Eindelijk verliet de Czaar ons land en begaf zich naar Engeland. Dat

gebeurde op 18 Januari 1698. Maar op den 21en Mei van dat jaar kwam hij

te Saardam terug, thans om afscheid te nemen van zijne vrienden. Hij

bracht den avond feestelijk door ten huize van Sinjeur Calff, en gaf

zijne groote tevredenheid te kennen over alles, wat hij daar gezien

en geleerd had.

Eindelijk keerde hij naar zijn land terug, en hij legde daar den

grondslag voor de latere macht van het groote Russische rijk. Hij

was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht,

waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de beschaving der

andere Europeesche volkeren deelachtig te doen worden. Wel stuitte

hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet,

maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde

hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte eene oorlogsvloot, verbeterde

de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den

adel en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den

bouw van eene nieuwe stad, eene stad, die aan zee gelegen, voorbestemd

was om de hoofdstad van zijn rijk te worden. 't Was Sint-Petersburg.

Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat

deze nieuwe plaats aandeed. Hij voer het schip tegemoet en vroeg,

of er een loods noodig was. Toen hierop toestemmend geantwoord werd,

klom hijzelf aan boord en loodste het schip behouden binnen. Wie

beschrijft de verbazing der mannen, toen zij 's avonds bij den Czaar op

een feest genoodigd, bemerkten dat de loods en de Czaar dezelfde waren.

Hij gaf de bemanning groote geschenken: de kapitein kreeg 500 dukaten,

ieder bootsgezel 300 daalders. Bovendien werd den kapitein nog bij

elk volgend bezoek 100 roebels beloofd. Het schip zelf kreeg den

naam St.-Petersburg, en er werden verschillende voorrechten aan

toegekend. Men heeft er dientengevolge meer dan vijftig jaar mede

gevaren. Nicolaas Calff heeft er verscheidene reizen mede gemaakt,

en werd telkens door den Czaar als een vriend ontvangen. Zelfs Castor

ging soms mede.

Eenige jaren later, op den vijfden Maart 1717, heerschte er wederom

eene groote drukte te Saardam.

Geen wonder waarlijk. De Russische Czaar bezocht toen voor de tweede

maal de hem zoo lief geworden plaats; thans niet meer als de Keizer

van een ruw volk, dat geen plaats verdiende in de rij der Europeesche

staten, maar als de Czaar van een machtig rijk, dat met reuzenschreden

op den weg der beschaving was vooruitgegaan en zich onder de machtigste

rijken van Europa eene plaats veroverd had.

Czaar Peter had zijn verlangen te kennen gegeven, op zijn

koopmans ontvangen te worden. Hij wenschte ook nu geen Majesteit te

heeten. Zijne gemalin vergezelde hem op dezen tocht. Ook zij moest het

land zien, dat hij als de wieg zijner grootheid erkende. Hij begaf

zich dadelijk naar het huis van Sinjeur Calff, waar hij gewoon als

Pieterbaas begroet werd, en hij gaf zijn verlangen te kennen, ook nu

weder verschillende molens en fabrieken te bezichtigen. Dat er zooveel

volks te zamen gestroomd was, om hem te zien, scheen hem dezen keer

in het geheel niet te hinderen. Ja, hij draaide zich zelfs lachend om

en om, ten einde gelegenheid te geven, hem aan alle zijden te bekijken.

Toen zij van hun tocht weer ten huize van de familie Calff waren

teruggekeerd, vroeg hij:

"Hoe gaat het met Gerrit Kist?"

"Heel goed, Pieterbaas," was het antwoord van Sinjeur Calff. "Hij

werkt hier dichtbij in eene smederij."

"Laat hem halen," sprak de Czaar. "Ik wensch hem nog eens te zien."

Er werd dadelijk een bode afgezonden, om Kist het verlangen van den

Czaar te berichten, maar Kist antwoordde, terwijl hij nijdig met zijn

voorhamer op het gloeiende ijzer sloeg:

"Ik geef den brui van den Czaar; hij is mij nog huur schuldig."

De Czaar lachte er smakelijk om, toen hij dit vernam, en vergezeld van

een der Edelen uit zijn gevolg, begaf hij zich naar de smederij. Hij

drukte Kist de hand, en verzocht hem mede te gaan naar het huisje

op het Krimp, dat hij nog gaarne eens wilde zien. Kist deed het,

en de Czaar betrad weldra het eenvoudige gebouwtje, waarin hij als

timmermansknecht had vertoefd. Hij liep het geheele huisje door,

en bezag de oude slaapstede, alsmede het kamertje, waar hij gewoon

was te bidden. Hij nam zelfs een kijkje op den zolder, en vertoefde

in het gebouw wel een half uur lang, tot groote vreugde van Ary,

die zijn werk op de scheepstimmerwerf van Lijnstbaas Rogge in den

steek gelaten had, om den Czaar nog eens te ontmoeten.

Toen de Vorst vertrok, betaalde hij Kist rijkelijk, wat deze van hem

moest hebben, en gaf hem zelfs een zilveren beker ten geschenke als

een gedachtenis aan zijn verblijf.

Hiermede is dit verhaal ten einde.

Dat het huisje van Kist nog te Saardam aanwezig is en jaarlijks door

duizenden vreemdelingen wordt bezocht, is algemeen bekend. 't Is met

zware balken gestut, om het voor instorten te behoeden, en men houdt

het zorgvuldig in denzelfden staat van tweehonderd jaren geleden. Zelfs

de meubels zijn dezelfde gebleven.

Het behoort thans aan den Czaar van Rusland, die het in hooge eere

houdt, ongetwijfeld omdat het een onwedersprekelijk getuigenis aflegt

van de waarheid dezer woorden:

"Niets was den grooten man te klein."

Jongens van Oudt-Holland · 第 25 / 30 题