En alle jongens riepen schreiende van vreugde: "Nicolaas! Nicolaas!"

Wie beschrijft hunne vreugde, toen zij zagen, dat Nicolaas inderdaad

de oogen opende. Flauw, en zonder bewustzijn keek hij hen aan. Toen

sloten zijne oogen zich weer.

"Beweeg hem de armen en beenen, jongens," zei Jan. "Hij komt meer en

meer bij, en er bestaat nog hoop. Toe maar!"

De jongens volgden dien raad, met het gevolg, dat de ademhaling

langzaam hersteld werd.

Eene groote menigte menschen naderde, en hoopte zich aan den oever

op. Het nieuws had zich reeds met ongelooflijke snelheid door het

dorp verbreid.

"Is hij gered?" werd er van den wal geroepen.

"Leeft hij nog?" vroegen anderen.

"Hij is gered, en leeft! Jan Willemsz heeft hem gered!" antwoordde

Ary Kist.

Zoodra de boot aan den wal lag, drongen enkele mannen naar voren.

"Jongens, ga jelui zoo spoedig mogelijk naar huis, om droge kleeren

aan te trekken. Je zult anders ongetwijfeld ziek worden. Wij zullen

Nicolaas Calff intusschen naar zijne woning roeien, en ook de booten

thuisbrengen. Toe, spoedig, je loopt al veel te lang in die natte

plunje."

Die raad was goud waard, en de jongens spoedden zich naar huis. Telkens

kwamen zij menschen tegen, die hun vroegen, of Nicolaas verdronken

was. En jubelend van opgewondenheid en vreugde klonk dan hun antwoord:

"Hij leeft nog. Jan Willemsz heeft hem gered!... Hij leeft!"

Weldra hadden de knapen hunne respectievelijke woningen bereikt,

en toen men ook daar vernam, wat er gebeurd was, voor zoover men

het nog niet wist, heerschte er groote vreugde, dat alles zoo

goed afgeloopen was. Als althans Nicolaas Calff herstellen mocht,

wat iedereen wenschte, want de familie Calff was in hoog aanzien,

en van Nicolaas hield iedereen.

In diens woning heerschte echter groote droefheid, want de tijding

dat Nicolaas verdronken was, was daar aangekomen en had het gezin in

diepen rouw gedompeld. Juffrouw Calff lag half bewusteloos op een

ruststoel, terwijl haar echtgenoot en de ijlings ontboden meester

Pomp, de chirurgijn, al het mogelijk deden, om haar weer bij kennis te

maken. Haar hoofd en hare polsen werden met azijn en water gewasschen,

en men sprak haar woorden van troost en berusting toe.

Sinjeur Calff was pas thuisgekomen, om zijne vrouw te zien en toe

te spreken. Hij was verderop in de Westzijde geweest, en daar had de

vreeselijke tijding hem bereikt. Dadelijk had hij zich op weg begeven,

om eerst naar zijn huis te snellen, en dan naar de plaats des onheils.

"'t Is Gods wil geweest, lieve vrouw," sprak Sinjeur Calff, terwijl

hij haar teeder kuste, "wij mogen niet murmureeren, en opstaan tegen

Zijn wil."

Hij sprak deze woorden kalm en bedaard uit, maar de bleekheid van

zijn gelaat bewees, dat hij zelf diep geschokt was. Telkens staarde

hij gejaagd naar buiten. Hij had in huis rust noch duur.

"Ik ga ons kind halen, lieve vrouw," sprak hij zacht. "Spoedig ben

ik weer hier. Tracht je te beheerschen..."

Maar de moeder wrong radeloos de handen en jammerde om haar kind,--en

ook de overige huisgenooten schreiden heete tranen.

Sinjeur Calff stond op, om naar buiten te gaan, en zijn kind tegemoet

te snellen.

Opeens werd de kamerdeur driftig geopend en Sinjeur Noomen, de vader

van Cornelis, trad binnen.

"Goede tijding, vrienden, goede tijding!" riep hij hun vroolijk

toe. "Droogt uwe tranen, en dankt God, want--Nicolaas leeft; hij leeft,

zeg ik, al is hij den dood nabij geweest."

De ouders staarden hun vriend Noomen ongeloovig aan. Zij durfden deze

gelukstijding bijna niet gelooven.

"Leeft hij, Noomen?" vroeg Sinjeur Calff, terwijl hij zijn vriend

angstig aanstaarde en hem bij den arm greep.

"O, bedrieg mij niet, en geef mij geen ijdele hoop!" stamelde

juffrouw Calff.

"Gods wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk, goede menschen,"

sprak Noomen ernstig. "Uw kind is onder de omgeslagen boot boven

water gekomen, en moet daar eene voldoende hoeveelheid lucht gevonden

hebben, om niet dadelijk te sterven. Toch was hij reeds totaal zonder

bewustzijn, toen Jan Willemsz hem vond."

"Jan Willemsz?" vroeg Sinjeur Calff. "Van de weduwe Willemsz op den

Lagen Horn?"

"Juist, dezelfde. Een kranige jongen, hoor. Hij kwam toevallig op

de plaats des onheils, en zag uw hond, Castor, luid jankend op de

omgeslagen boot zitten. Dat bracht hem op de gedachte, dat Nicolaas

daar onder kon liggen. En met gevaar voor zijn eigen leven heeft

hij zich onder de boot laten zakken, en mocht het hem met Gods hulp

gelukken hem te redden."

Juffrouw Calff, die door deze heerlijke tijding weer geheel tot

zichzelf gekomen was, stond van haar stoel op. Zij hief hare gevouwen

handen ten hemel, en dankte den Hemelvader voor deze groote blijdschap

en wonderbare redding. En daarna riep zij uit:

"Sinjeur Noomen, waar is mijn kind?--Waar is hij?"

"Houd u rustig en bedaard, juffrouw Calff. Men voert hem in de boot van

Meindert Bloem herwaarts. Ik weet, dat hij leeft, ik weet het zeker,

want ik heb hem zelf gezien, toen de boot door de sluis schutte. Elk

oogenblik kunnen zij aankomen..."

Sinjeur Calff kon thans zijn ongeduld niet langer bedwingen. Met

haastige schreden verliet hij de kamer, om zijn kind tegemoet te gaan.

Werkelijk duurde het maar kort, toen een luid geblaf de komst van

Castor aankondigde. Op het volgende oogenblik sprong hij de kamer in,

doornat, maar kwispelend met den staart, en blijkbaar in de grootste

vreugde.

Wat werd het trouwe dier met blijdschap ontvangen. Juffrouw Calff

sloeg hem de armen om den nek, en kuste hem op den kop. Toen spoedde

zij zich naar de deur...

Daar naderden eenige mannen, met den verheugden vader aan het hoofd,

die Nicolaas voorzichtig naar binnen droegen.

"O God,--hij is toch dood!" stamelde juffrouw Calff verschrikt.

"Neen,--neen,--hij leeft!" was het antwoord. "Waar wenscht u, dat we

hem neerleggen?"

"Hier,--hier!" zei juffrouw Calff, op den ruststoel wijzende. "Hij

moet toch eerst droge kleeren aan hebben, vóor wij hem op het bed

kunnen leggen."

Zoodra Nicolaas op den stoel was geplaatst, knielde zijne moeder bij

hem neer en kuste hem, terwijl vreugdetranen haar langs de wangen

vloeiden, op het voorhoofd. Het doodsbleeke gelaat van haar kind

verontrustte haar. Ook Sinjeur Calff drukte hem een kus op het gelaat,

maar toen schoof hij zacht zijne vrouw terzijde, opdat meester Pomp

gelegenheid zou hebben, zich met den knaap te bemoeien.

Deze borstelde hem de voetzolen en bewoog de armen van den patiënt

op en neer. Daarop haalde hij een vlijmscherp mesje te voorschijn en

gaf hem een snede in den arm, zoodat het bloed met een breeden stroom

daaruit te voorschijn kwam. Thans kreeg de moeder het druk, want met

de zindelijkheid aan de Saardamsche vrouwen eigen, duldde zij niet,

dat een enkele druppel de matten op den vloer of het kussen van den

stoel verontreinigde.

Het duurde maar kort, of Nicolaas opende de oogen en glimlachte zijn

ouders, die hem in de grootste spanning aanstaarden, dankbaar en

gelukkig toe.

"Breng thans droge kleeren, juffrouw Calff," sprak meester Pomp. "Ik

geloof te mogen voorspellen, dat hier alles spoedig ten beste gekeerd

zal zijn, en dat er voorloopig geen gevaar is."

Deze woorden gaven aan de ontstelde gemoederen de noodige kalmte

weder. Nicolaas werd verschoond en voorzichtig te bed gelegd, waar

hij spoedig in slaap viel. Een paar uren later, toen het al schemerig

begon te worden, ontwaakte hij, en vertelde uitvoerig aan zijne ouders,

wat er gebeurd was.

Wie hem gered had, en hoe dat in zijn werk was gegaan, kon hij

echter niet zeggen, want daarvan wist hij niets. Groot was dus zijne

verbazing, toen zijn vader hem zeide, dat hij onder de omgeslagen boot

terecht gekomen was, en door de daaronder opgesloten lucht eenigen

tijd voor verstikking was bewaard gebleven, en hoe hij eindelijk

was gered door Jan Willemsz, die daarvoor zijn eigen leven gewaagd

had. Dat ook Castor zich zoo flink gehouden had, werd in kleuren en

geuren verteld. Eindelijk zeide Sinjeur Calff, terwijl hij opstond:

"En nu ga ik naar den Lagen Horn, naar Jan Willemsz, om hem dank

te zeggen voor hetgeen hij heeft gedaan. Dat is niet meer dan

mijn schuldige plicht, en de brave jongen heeft aanspraak op onze

levenslange dankbaarheid."

"Dat is goed, lieve man, en zeg aan de weduwe Willemsz, dat ook ik

haar spoedig bezoeken zal. Ik beschuldig mij toch reeds sedert eenigen

tijd, dat ik de arme ziel te veel aan haar lot heb overgelaten. Maar

voortaan zal zij daarover niet meer te klagen hebben."

De vader nam hoed en stok, en kwam naar het bed van Nicolaas, om hem

nog eenmaal over de wang te strijken.

"Tot straks, mijn jongen," zei hij teeder.

"Dag Vader.--Maar wacht u nog even. Ik herinner mij, dat Jan Willemsz

dezen middag naar het Bonte Calff zou gaan, om te trachten als

kajuitswachter aangemonsterd te worden. Zijn broer Jacob vertelde mij,

dat zij het erg arm hebben, Vader,... en..."

"Nu,.... en...?" vroeg Sinjeur Calff glimlachend.

"Och Vader, als u iets voor hem doen kon.... Ik zou hem zoo graag

onze groote dankbaarheid ook willen toonen door onze daden, Vader."

"Ik zal er onderweg over nadenken, mijn kind. Tot straks."

De vader verliet de kamer en begaf zich naar de armoedige woning der

weduwe. De afstand was niet groot; hij had haar dus spoedig bereikt.

Jongens van Oudt-Holland · 第 11 / 30 题