Jan Willemsz was met goeden moed en vol hoop op de toekomst
op weg gegaan, om een bezoek te brengen aan het Bonte Calff en
diens Commandeur, welk schip, evenals zeer vele andere, voor de
Groenlandsche visscherij werd uitgerust. De walvischvaart was in dien
tijd tot grooten bloei gekomen, wat kan blijken uit het feit, dat in
dat jaar (1697) niet minder dan honderd en elf schepen ter uitvaart
gereed lagen. En een zeer groot deel daarvan hoorde in Saardam thuis
en werd door Saardammers bemand. Het is te begrijpen, dat hierdoor
groote welvaart in die plaats ontstond. Talrijke scheepstimmerwerven
trof men er aan,--want de Saardammers waren om hun voortreffelijken
scheepsbouw niet ten onrechte vermaard,--zeilmakerijen, touwslagerijen,
kompaswinkels, kortom, van alles wat op de scheepvaart betrekking had,
kon men in de Zaansche dorpen vinden. Er heerschte daar in die dagen
eene zoo groote bedrijvigheid, dat de bestuurders der gemeente het
noodig geoordeeld hadden, de kinderen te verbieden om twaalf uur
op straat te loopen, omdat zij anders in gevaar verkeerden onder
den voet te raken door het vele volk, dat dan van de verschillende
werkplaatsen huiswaarts keerde. Wanneer wij hier nog bijvoegen, dat
in datzelfde jaar door de Hollandsche visscherij niet minder dan 1274
walvisschen gedood werden, dan kan men zich eenigszins een denkbeeld
vormen van de groote vlucht, die deze visscherij toen genomen had.
Jan Willemsz had het schip spoedig bereikt. 't Was een zeer mooi
vaartuig, dat nog niet lang in de vaart was. De masten verhieven zich
fier in de lucht, en de Hollandsche vlag wapperde vroolijk van den top.
Jan wist, dat de Commandeur zich elken dag aan boord bevond, om
voor de goede uitrusting te zorgen. En dat vereischte veel nadenken
en groote nauwkeurigheid. Het Bonte Calff was een van de grootste
walvischvaarders, want hij had 6 sloepen aan boord en zou met 42 koppen
worden bemand. 't Is dus te begrijpen, dat er heel wat voor noodig
was. Er lag dan ook een zwerm van booten rondom, die allerlei waren
voor de groote reis aanbrachten. Er waren booten met vaten, waarin het
spek van den walvisch moest worden bewaard, booten met levensmiddelen,
met ankers, harpoenen, touwen, zeilen, enz. enz. De Commandeur liep
op het dek rond met een groot papier in de hand, waarop hij telkens
aanteekeningen maakte. Een viertal matrozen was druk in de weer,
om alles in het ruim te bergen en daar een goede plaats te geven.
Het schip lag een weinig van den wal voor anker, daar het vlak aan den
kant op die plaats te ondiep was. Jan moest dus een goede gelegenheid
afwachten, om aan boord te komen.
Maar spoedig was die gevonden. Een bootje met ijzerwerk, geroeid
door Gerrit Kist, den vader van Ary, kwam aangevaren, en Jan besloot
dadelijk hem te vragen, of hij meê mocht aan boord. Kist was een
buurman van hem. Hij woonde wel niet vlak naast hem, want Jan's huis
lag aan den Lagen Horn en Kist bewoonde een huis op het Krimp, maar
de afstand was toch niet groot, en zij zagen elkander dagelijks. Ook
kwam Kist wel bij zijne moeder aan huis, om een buurpraatje te maken.
"Heidaar, Gerrit-buur, mag ik meêvaren?"
"Zoo Jantje, ben jij daar? Met alle plezier, hoor. Ik zal je afhalen."
Met een paar forsche slagen was Kist naar den wal geroeid, en Jan
stapte in de boot.
"Wat moet jij aan boord van dien walvischvaarder doen, Jan?" vroeg
Kist nieuwsgierig, want hij zag wel aan het ernstige gelaat van den
jongen, dat deze daar niet alleen voor de grap was.
"'k Wil probeeren, of ik kajuitswachter kan worden, buurman," was
het antwoord. "Zou dat gelukken, dunkt u?"
Kist trok een bedenkelijk gezicht en haalde de schouders op. "Je
kon wel licht genoeg van postuur zijn, jongen," zei hij. "Alevel,
't is te probeeren! Vindt je moeder goed, dat je gaat varen? 't Is
altoos een gevaarlijk werkje. Je weet toch wel, dat er verleden jaar
zes schepen van de Hollandsche visscherij verongelukt zijn?"
"Ja, dat weet ik wel, maar moeder vindt het gelukkig goed, buurman. En
u moet niet vergeten, dat er heel wat schepen naar het Noorden gaan,
dus dat het geen wonder is, als er eens een paar niet terugkeeren."
"O, ik weet het getal precies. Verleden jaar zijn er honderd uitgevaren
en vierennegentig teruggekeerd. Enfin, 't is eene goede broodwinning,
beter dan die van smidsknecht. Ik had ook vrij wat beter gedaan,
als ik ambachtsman in Rusland gebleven was, bij den Czaar. Toen
verdiende ik goed geld, en tegenwoordig is het maar schraaltjes.--Ohoi,
Commandeur! hier is het bestelde ijzerwerk."
De boot was het schip genaderd, en de Commandeur keek over de
verschansing.
"Zoo Gerrit Kist,--ben je daar? Je komt goed op tijd en bent een man
van de klok. Wij zullen een ketting over boord gooien, waaraan een
haak bevestigd is. Als jij daar de dingen aan hangt, zullen we ze
aan boord hijschen."
"Wel goed, Commandeur, maar hijsch dan eerst dezen jongen aan
boord. Hij heeft wat met u te bespreken."
De Commandeur keek den jongen scherp aan, om te zien, of hij hem kende.
"Wou jij me spreken, ventje?" vroeg hij.
"Graag, Commandeur!" was het antwoord van Jan, die eene kleur kreeg,
toen hij den Commandeur ventje tegen hem hoorde zeggen. "Ophijschen
is echter niet noodig, Commandeur. Gooi maar een touwtje overboord,
dan zal ik me wel redden."
De Commandeur deed het, en Jan klauterde vlug als eene kat omhoog. Hij
wilde toonen, dat hij in elk geval behendig en vlug was, al behoorde
hij niet tot de grooten.
"Dat heb je er kranig afgebracht, jongen," zei de Commandeur. "En
wat heb je me nu te zeggen?"
Jan sloeg zijne hand aan de muts, en vroeg flink en op den man af:
"Commandeur, ik kom u vragen, of u mij zou willen aanmonsteren als
kajuitswachter. Ik ben wel niet groot, maar gezond en sterk..."
"Geen sprake van, knaap," was het antwoord van den Commandeur. "Je
bent vlug genoeg, dat heb ik gezien, maar ik vind je veel te klein van
stuk. Kom over een paar jaartjes nog maar eens terug en groei in dien
tijd zoo hard, als je kunt. Je moet eerst een hoofd grooter worden."
Jan hield verdrietig de oogen op het dek gericht, en zijne groote
teleurstelling stond hem op het gelaat te lezen. Dat bleef voor den
Commandeur, die een goedhartig zeeman was, dan ook niet verborgen,
en deze vroeg hem:
"Spijt je dat zoo, mijn jongen? Had-je zoo graag ter walvischvaart
willen gaan?"
"Ja, Commandeur," zei Jan zacht, "en ik had gehoopt, dat u mijn
geringe grootte over het hoofd had willen zien, ter wille van mijn
armen vader..."
Jan's gemoed schoot vol, en tranen vulden zijne oogen. "Wij hebben
het zoo noodig, Commandeur," zei hij nog.
"Je vader?--Ken ik dien dan?"
"U heeft hem gekend, Commandeur. Hij heeft onder u zijne laatste
reis gemaakt, en is niet weer thuisgekomen. Mijn vader heette Willem
Jansz..."
"Willem Jansz? Die arme kerel!" riep de Commandeur uit. "Zeker, zeker,
heb ik hem gekend. En ben jij zijn oudste zoon?"
"Ja, Commandeur."
"Je vader was een beste kerel, hoor, een zeeman op en top. En om
zijnentwil zou ik je graag nemen, als ik kon. Maar je bent werkelijk
te klein, te licht. De reeders zouden het niet goedkeuren, dat ik je
aanmonsterde. En hebben jullie het arm, zeg je?"
"Ja Commandeur, erg arm. We hebben niets meer in huis, en 't is noodig,
dat er verandering kome. Toe Commandeur, heb medelijden en probeer
het eene reis met me. Ik zal zóó mijn best doen, dat u geen betere
kajuitswachter kunt verlangen."
"Hoor eens, dat gaat niet,--kort en goed, het gaat niet. Zeg dat
maar aan je moeder. Met den besten wil van de wereld kan ik het niet
doen. Maar vanavond hoop ik je moeder nog te bezoeken, want als de
nood zoo hoog is, moet er geholpen worden..."
"Och, Commandeur, de beste hulp zou wezen, dat u mij aanmonsterde. Wat
helpt het al, of wij weer voor een paar dagen uit den nood geholpen
worden? En méér zou u toch niet kunnen doen."
"Neen jongen, meer niet, dat is waar. Maar misschien kan ik je hier
of daar aan een stiekje helpen. Ik heb vele kennissen, onder allerlei
ambachten. Wat zou je het liefst worden, jongen?"
"Walvischvaarder," zei Jan.
De Commandeur glimlachte.
"Je hebt een goed tongetje, dat moet ik zeggen. Maar dàt moet je je
uit het hoofd zetten, want er kan niets van komen. Hoe heet je?"
"Jan Willemsz, Commandeur."
"Er zijn, meen ik, nog twee kinderen bij jelui, niet waar?"
"Ja,--een broer en een zusje."
"Welnu, Jan, het spijt me wel, dat ik je niet helpen kan, maar van
avond kom ik bij je moeder. Zeg haar dat. We zullen dan eens zien,
wat we doen kunnen.--En nu moet ik je verlaten, want ik heb geen tijd
om langer met je te praten. Dag Jan!"
"Dag Commandeur!"
Jan liet zich langs het touw weer in de boot afglijden, en Kist
zag dadelijk aan zijn bedroefd uiterlijk, dat Jan onverrichterzake
terugkeerde.
"Is 't mis, Jan?" vroeg hij.
"Ja,--mis. Er is geen sprake van zelfs," antwoordde Jan.
"Zoo, dat is wel jammer,--ik moet nog verder op; ga-je meê, of wil
ik je aan land zetten? Ik moet nog naar de Witte IJsvogel, om een en
ander af te laden."
"Neen, dank u, buurman. Zet me maar aan land, want ik wil liever
naar huis terug. U begrijpt, dat Moeder erg nieuwsgierig is naar
den uitslag."
"Ja,--dat begrijp ik zeer goed."
Kist roeide naar wal, en Jan nam afscheid van hem. Langzaam keerde
hij naar huis terug; 't was of hij lood in zijne schoenen had. Wat
was dit eene groote teleurstelling voor hem. Hij had zoo gehoopt,
zijn lieve moeder voor goed uit de zorgen te helpen, en nu lag dat
heerlijke plan totaal in duigen. Wat moest hij nu beginnen? Een vak
leeren?--Maar dan verdiende hij weinig of niets, en moest zelfs al
dankbaar wezen, als hij als leerling gratis werd aangenomen. Neen,
hoe hij er ook over nadacht,--hij zag de toekomst donker in.
Op dit oogenblik trof een luid gejoel zijn oor, en opziende ontdekte
hij in de verte, midden op de Voorzaan, het elftal jongens, dat daar
zeeroovertje speelde.
"Daar zal Jacob ook wel bij wezen," mompelde hij zacht. "Wat zouden
zij toch uitvoeren?"
En al spoedig bleek het hem, dat de jongens bezig waren, zich op hoogst
gevaarlijke wijze te vermaken. Hij maakte zich ongerust over hen. Een
ongeluk was spoedig gebeurd. En nog geen twee minuten later zag hij,
dat een van de booten omsloeg. Hij hoorde hier en daar roepende stemmen
van schippers en zeelieden,--en hij zag, hoe men in verschillende
booten zich naar de plaats des onheils spoedde....
Ten hoogste ontsteld begaf ook hij zich zoo snel mogelijk derwaarts,
maar hij kwam te laat.
Hij vond de jongens schreiende aan den oever, bleek van schrik en
bevende van ontroering. Hij hoorde het droevig gejank van den hond,
die op de omgekeerde boot langzaam afdreef....
Met een enkelen oogopslag bemerkte hij, dat zijn broer Jacob zich
onder de geredden bevond.
"Goddank," mompelde hij. "Hij is althans gered. Zegt toch, jongens,
wat is er gebeurd? Wat is er?"
"O, o,--o Jan,--wat vreeselijk...."
"Maar wat dan toch....?"
"O,--Nicolaas Calff is verdronken... Hij is niet weer bovengekomen...."
Op het hooren van deze vreeselijke tijding maakte zich ook van Jan
eene groote ontroering meester, en hij stamelde met hokkende stem:
"Nicolaas Calff verdronken?... Maar hoe..."
"Hij was op de boot, die daar drijft," zei Ary Kist. "Maar de boot
is omgeslagen, en wij hebben hem niet meer gezien.... O, Jan!..."
De verslagen jongens wrongen radeloos de handen.
"Maar die hond daar?" vroeg Jan. "Waarom komt hij niet aan den wal?"
"Het trouwe beest zoekt zijn meester overal," zei Jacob met tranen
in de oogen. "O God,--Jan,--wat is het vreeselijk. Wat moeten wij
toch beginnen...."
Opeens riep Jan uit:
"Hoort eens, jongens, die hond zit daar niet voor niemendal en het zou
me niets verwonderen, als Nicolaas onder die boot lag. Ik ga kijken."
Jan stapte in de boot van Ary Kist, greep de riemen en stak van
wal. Weldra had hij de verongelukte boot bereikt. Castor wachtte zijn
komst kwispelstaartend af, telkens zijne aangrijpende jammertonen
herhalende.
"Stil maar, Castor. Wij zullen hem wel zoeken, hoor. Stil maar,
hondje," zei Jan, die zich aan de kiel vastgreep en zijn arm zoover
mogelijk onder de omgeslagen boot stak.
Maar hij voelde niets,--niets dan water.
"Mijn arm is te kort," mompelde hij. "Toch ben ik heilig overtuigd,
dat hij hier onder moet liggen. Een drenkeling komt immers altijd
een of twee malen boven, voordat hij voor goed wegblijft.--Weet je
wat,--ik waag er een nat pak aan.--Ik moet zekerheid hebben..."
Onverschrokken liet de dappere jongen zich over boord glijden. Hij
hield zich aan den rand van zijne boot vast. Tot aan den hals toe
lag hij in het water...
Nu stak hij den anderen arm nogmaals onder de boot, en zijn hart begon
hem onstuimig in den boezem te kloppen, toen hij inderdaad bemerkte,
dat hij zich in zijne veronderstelling niet bedrogen had. Hij voelde
een been...
Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij kon het lichaam van
Nicolaas niet onder de boot wegtrekken, zonder zijn eigen boot los
te laten,--en wat kon er dan al niet gebeuren? Hij wist, dat hij zijn
leven waagde. Toch deed hij het.
Hij greep den rand van de omgeslagen boot, liet zijn eigen vaartuig
los, dat langzaam wegdreef, en dook onder water, bijna geheel onder
de boot. Toen trok hij het doode lichaam naar zich toe, en hield het
met het hoofd boven water.
"Je kunt niet weten..." mompelde hij zacht. "Misschien is er nog
leven..."
Met inspanning van al zijne krachten wist hij den drenkeling op de
omgeslagen boot te krijgen. Hij hield zichzelf aan de kiel vast,
en riep luide om hulp.
De andere jongens hadden zijn daden onder eene ademlooze stilte
aangezien, en eene groote vreugde maakte zich van hen meester, toen
zij bemerkten, dat Nicolaas gevonden was. Hoewel zij druipnat waren,
had niemand van hen den moed gehad, naar huis te gaan. Trouwens,
daar zou de tijding van het vreeselijke ongeluk wel al aangekomen
zijn. In de verte naderden groote drommen menschen.
Arent Bloem, Ary Kist en Jacob Willemsz sprongen in de boot van Arent,
en roeiden Jan met forsche slagen te hulp. Spoedig hadden zij hem
bereikt, maar opnieuw maakte eene groote verslagenheid zich van hen
meester, toen zij het lichaam van Nicolaas doodsbleek op de boot
zagen liggen.
"Dood, Jan?" vroeg Arent zacht.
"Ik vrees het--help mij--til eerst Nicolaas in de boot... Goed zoo,
nu mij!"
Jan zat in de boot op het achterbankje. Nicolaas rustte met zijn hoofd
op Jan's knie, en deze hield teeder zijne hand op diens voorhoofd.
Sprakeloos roeiden de jongens naar den wal terug.
Ook de hond was in de boot gesprongen, en likte zijn jongen meester
op handen en aangezicht.
"Stil, Castor,--stil, goed beest!" zei Jan. Maar opeens gaf Jan een
wilden kreet.
"Hij leeft,--jongens, hij leeft!" gilde hij meer, dan hij riep.
De riemen bleven in rust, en de jongens keken met gerekte halzen naar
hun doodgewaanden makker.
"Dan moet hij bewusteloos geweest zijn door gebrek aan lucht onder
de boot!" zei Arent Bloem. "Bij het omslaan zal daar lucht onder
gebleven zijn, en Nicolaas moet juist onder de boot boven water
gekomen wezen.--Nicolaas! Nicolaas!"