Proletariërs en Communisten.
In welke verhouding staan de communisten tot de proletariërs in het
algemeen?
De communisten zijn geen bijzondere partij tegenover de andere
arbeiderspartijen.
Zij hebben geene, van de belangen van het geheele proletariaat
gescheiden belangen.
Zij stellen geen bijzondere beginselen op, waarnaar zij de
proletarische beweging willen modelleeren.
De communisten onderscheiden zich van de overige proletarische partijen
alleen daardoor, dat zij aan den eenen kant in den nationalen strijd
der proletariërs in de verschillende landen de gemeenschappelijke,
van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het proletariaat
hoog houden en doen gelden, aan den anderen kant daardoor, dat zij
op de verschillende trappen van ontwikkeling, die de strijd tusschen
proletariaat en bourgeoisie doorloopt, steeds in het belang der geheele
beweging vertegenwoordigen.
De communisten zijn dus praktisch het meest besliste, altijd voorwaarts
drijvende gedeelte der arbeiderspartijen aller landen; zij hebben
theoretisch op de overige massa van het proletariaat het inzicht in
de voorwaarden, den gang en de algemeene resultaten der proletarische
beweging vóór.
Het naaste doel der communisten is hetzelfde als dat van alle overige
proletarische partijen: de vorming van het proletariaat tot klasse,
de omverwerping der heerschappij der bourgeoisie, de verovering der
politieke macht door het proletariaat.
De theoretische stellingen der communisten berusten volstrekt niet op
ideeën, op de principes, die door den een of anderen wereldhervormer
uitgevonden of ontdekt zijn.
Zij zijn slechts de algemeene uitdrukking van feitelijke verhoudingen
van een bestaanden klassenstrijd, van een onder onze oogen gebeurende
historische beweging. De afschaffing van tot nu toe bestaande
eigendomsverhoudingen is niet iets wat het communisme afzonderlijk
kenmerkt.
Alle eigendomsverhoudingen waren aan een voortdurende historische
wisseling, een voortdurende historische verandering onderworpen.
De Fransche revolutie bijvoorbeeld schafte het feodale eigendom ten
gunste van het burgerlijke af.
Wat het communisme kenmerkt, is niet de afschaffing van het eigendom in
het algemeen, maar de afschaffing van het burgerlijke eigendom.
Maar het moderne burgerlijke privaat-eigendom is de laatste en
volmaaktste uitdrukking van dat maken en dat zich toeëigenen van
producten, dat op klassetegenstellingen, op de uitbuiting van den een
door den ander berust.
In dien zin kunnen de communisten hun theorie samenvatten in de ééne
formule: opheffing van het privaat-eigendom.
Men heeft ons communisten verweten, dat wij het persoonlijk verworven,
zelf door eigen arbeid verdiende eigendom wilden afschaffen; het
eigendom, dat den grondslag vormt van alle persoonlijke vrijheid,
arbeidzaamheid en zelfstandigheid.
Door eigen arbeid verworven en verdiend eigendom! Spreekt gij van
het eigendom van den kleinen burger, den kleinen boer, dat aan het
burgerlijk eigendom voorafging? Wij hebben het niet af te schaffen, de
ontwikkeling der industrie heeft het afgeschaft en schaft het iederen
dag af.
Of spreekt gij van het moderne burgerlijke privaat-eigendom?
Schept echter de loonarbeid, de arbeid van den proletariër hem
eigendom? Volstrekt niet. Hij schept het kapitaal, dat wil zeggen
dat eigendom, dat den loonarbeid uitbuit, dat zich alleen onder de
voorwaarde vermeerderen kan, dat het nieuwen loonarbeid teelt, om hem
opnieuw uit te buiten. Het eigendom in zijn tegenwoordige gedaante
beweegt zich in de tegenstelling van kapitaal en loonarbeid. Laten wij
de beide kanten dezer tegenstelling eens bezien.
Kapitalist-zijn beteekent niet alleen een zuiver persoonlijke, maar een
maatschappelijke plaats innemen in de productie. Het kapitaal is een
gemeenschappelijk product en kan alleen door een gemeenschappelijke
werkzaamheid van vele leden, ja in laatsten aanleg alleen door de
gemeenschappelijke werkzaamheid van alle leden der maatschappij in
beweging gezet worden.
Het kapitaal is dus geen persoonlijke, het is een maatschappelijke
macht.
Wanneer dus het kapitaal in gemeenschappelijk, aan alle leden der
maatschappij toebehoorend eigendom veranderd wordt, dan wordt niet
persoonlijk eigendom in maatschappelijk veranderd. Alleen het
maatschappelijk karakter van het eigendom wordt veranderd. Het verliest
zijn klasse-karakter.
Nu de loonarbeid.
De doorsneeprijs van den loonarbeid is het minimum van het arbeidsloon,
dat wil zeggen de som der levensmiddelen, die noodig zijn, om den
arbeider als arbeider in het leven te houden. Wat dus de loonarbeider
door zijn werkzaamheid zich toeëigent, is alleen voldoende, om hem zijn
naakte leven weer te geven. Wij willen deze persoonlijke toeëigening
der arbeidsproducten, die tot de herschepping van het onmiddellijke
leven dient, volstrekt niet afschaffen, een toeëigening, die geen
overschot overlaat, dat macht over arbeid van anderen zou kunnen geven.
Wij willen alleen het ellendige karakter dezer toeëigening opheffen,
waarin de arbeider slechts leeft, om het kapitaal te vermeerderen,
slechts in zoover leeft als het belang der heerschende klasse dit
vordert.
In de burgerlijke maatschappij is de levende arbeid slechts een middel
om den opgestapelden arbeid te vermeerderen. In de communistische
maatschappij is de opgestapelde arbeid slechts een middel, om het
levensproces der arbeiders ruimer, rijker, sterker te maken.
In de burgerlijke maatschappij heerscht dus het verleden over het
tegenwoordige, in de communistische het tegenwoordige over het
verleden. In de burgerlijke maatschappij is het kapitaal zelfstandig
en persoonlijk, terwijl het werkende individu onzelfstandig en
onpersoonlijk is.
En de opheffing van deze verhouding noemt de bourgeoisie opheffing van
persoonlijkheid en vrijheid? En terecht. Want het gaat zeer zeker om de
opheffing der bourgeois-persoonlijkheid, -zelfstandigheid en -vrijheid.
Onder vrijheid verstaat men binnen de nu heerschende burgerlijke
productieverhoudingen den vrijen handel, den vrijen koop en verkoop.
Vervalt evenwel de schacher, dan vervalt ook de vrije schacher. De
uitwijdingen over den vrijen schacher hebben, evenals al het gezwets
over vrijheid van onze bourgeoisie, in ’t algemeen alleen beteekenis
tegenover den onvrijen, den gebonden schacher, tegenover den geknechten
burger der middeneeuwen, niet tegenover de communistische opheffing
van allen schacher, der burgerlijke productieverhoudingen en der
bourgeoisie zelve.
Gij ontstelt er over, dat wij het privaat-eigendom willen opheffen.
Maar in uw bestaande maatschappij is het privaat-eigendom voor 9
tienden harer leden opgeheven: het bestaat juist alleen daardoor,
dat het voor 9 tienden niet bestaat. Gij verwijt ons dus, dat wij
een eigendom willen opheffen, dat het niet-hebben-van-eigendom der
overgroote meerderheid der maatschappij als noodzakelijke voorwaarde
vooronderstelt.
Gij verwijt ons met één woord, dat wij uw eigendom willen opheffen.
Zeker, dat willen wij.
Van het oogenblik af aan, dat de arbeid niet meer in kapitaal,
geld, grondrente, kortom in een monopoliseerbare maatschappelijke
macht, veranderd kan worden, d. i. van het oogenblik af aan, dat het
persoonlijke eigendom niet meer in burgerlijk eigendom omslaan kan, van
dat oogenblik af verklaart gij: de persoon is opgeheven.
Gij geeft dus toe, dat gij onder persoon niemand anders verstaat dan
den bourgeois, den burgerlijken eigenaar. En deze persoon moet gewis
worden opgeheven.
Het communisme ontneemt niemand de macht zich maatschappelijke
producten toe te eigenen, het ontneemt slechts de macht door deze
toeëigening arbeid van anderen voor zich zelf als last- en werkdier te
gebruiken.
Men heeft tegen ons aangevoerd, met de opheffing van het
privaat-eigendom zou alle arbeidzaamheid ophouden en een algemeene
luiheid binnendringen.
Als dat waar was moest de burgerlijke maatschappij al lang aan luiheid
te gronde gegaan zijn; want wie in haar werken „verdienen” niet en
wie in haar „verdienen”, werken niet. De heele bedenking komt neer op
de tautologie, dat er geen loonarbeid meer bestaat, zoodra er geen
kapitaal meer bestaat.
Alle tegenwerpingen, die tegen de communistische wijze van toeëigenen
en produceeren der stoffelijke producten gericht worden, zijn ook
uitgestrekt tot de toeëigening en voortbrenging der geestelijke
producten. Evenals voor den bourgeois het ophouden van het
klasse-eigendom het ophouden der productie zelf is, zoo is voor hem
het ophouden der klassebeschaving identiek met het ophouden van alle
beschaving.
De beschaving, de vorming, wier verlies hij betreurt, is voor de enorme
meerderheid de vorming tot machine.
Maar strijdt niet met ons, zoolang gij aan uwe burgerlijke
voorstellingen van vrijheid, beschaving, recht en zoo voorts, de
afschaffing van het burgerlijke eigendom meet. Uwe ideeën zelf zijn
voortbrengselen der burgerlijke productie- en eigendomsverhoudingen,
evenals uw recht slechts de tot wet verheven wil van uw klasse is, een
wil, welks inhoud gegeven is in de stoffelijke levensvoorwaarden uwer
klasse.
De baatzuchtige voorstelling, waarmee gij uwe productie- en
eigendomsverhoudingen uit historische, in den loop der productie
voorbijgaande verhoudingen in eeuwige natuur- en redewetten verandert,
deze voorstelling deelt gij met alle ondergegane heerschende klassen.
Wat gij voor het antieke eigendom begrijpt, wat gij voor het feodale
eigendom begrijpt, moogt gij niet meer begrijpen voor het burgerlijke
eigendom.
Opheffing van het huisgezin! Zelfs de radicaalsten ijveren tegen dit
schandelijke doel der communisten.
Waarop berust het tegenwoordige, het burgerlijke huisgezin? Op het
kapitaal, op de verdienste van den bijzonderen persoon. Geheel
ontwikkeld bestaat het slechts voor de bourgeoisie; maar het vindt
zijn aanvulling in de gedwongen familieloosheid der proletariërs en in
de openbare prostitutie.
Het huisgezin der bourgeois valt natuurlijk weg met het wegvallen van
deze hare aanvulling en beide verdwijnen met het verdwijnen van het
kapitaal.
Verwijt gij ons, dat wij de uitbuiting der kinderen door hunne ouders
willen opheffen? Deze misdaad bekennen wij.
Maar, zegt gij, wij heffen de innigste verhoudingen op, wanneer wij in
de plaats der opvoeding thuis de maatschappelijke stellen.
En is ook niet uwe opvoeding door de maatschappij bepaald? Door de
maatschappelijke verhoudingen, binnen welke gij opvoedt, door de
meer directe of indirecte inmenging der maatschappij, door middel
van de school en zoo voorts? De communisten vinden den invloed der
maatschappij op de opvoeding niet uit; zij veranderen slechts haar
karakter, zij ontrukken de opvoeding aan den invloed der heerschende
klasse.
De burgerlijke redeneeringen over huisgezin en opvoeding, over de
innige verhoudingen van ouders en kinderen worden des te misselijker,
hoe meer ten gevolge van de groot-industrie alle familiebanden voor de
proletariërs verscheurd en de kinderen in eenvoudige handelsartikelen
en arbeidsinstrumenten veranderd worden.
Maar gij, communisten, gij wilt de vrouwengemeenschap invoeren,
schreeuwt ons de geheele bourgeoisie in koor tegemoet.
De bourgeois ziet in zijn vrouw alleen een productie-instrument. Hij
hoort, dat de productiewerktuigen gemeenschappelijk zullen worden
gebruikt en kan zich nu natuurlijk niet anders denken, dan dat het lot
van gemeenschappelijkheid ook de vrouw eveneens treffen zal.
Hij vermoedt zelfs niet, dat het juist daarom gaat, de plaats der vrouw
als alleen-productieinstrument op te heffen.
Niets is overigens belachelijker, dan de hoogzedelijke ontzetting
onzer bourgeois over de zoogenaamde officiëele vrouwengemeenschap der
communisten. De communisten behoeven de vrouwengemeenschap niet in te
voeren, zij heeft zoo goed als altijd bestaan.
Onze bourgeois, niet tevreden er mee, dat de vrouwen en dochters hunner
proletariërs hun ter beschikking staan, nog gezwegen van de openlijke
prostitutie, vinden er een genot in, elkanders vrouwen wederkeerig te
verleiden.
Het burgerlijk huwelijk is in waarheid het gemeenschappelijk bezit
der getrouwde vrouwen. Hoogstens zou men den communisten kunnen
verwijten, dat zij in plaats van een huichelachtig verborgen, een
officieele, openhartige vrouwengemeenschap zouden willen invoeren. Het
spreekt overigens van zelf, dat met de opheffing der tegenwoordige
productieverhoudingen ook de uit hen voortkomende vrouwengemeenschap,
d. w. z. de officieele en niet-officieele prostitutie, verdwijnt.
Den communisten wordt verder verweten, dat zij het vaderland, de
nationaliteit, willen afschaffen.
De arbeiders hebben geen vaderland. Men kan hun niet ontnemen, wat zij
niet hebben. Zoolang het proletariaat voorloopig nog zich de politieke
macht veroveren, zich zelf tot nationale klasse verheffen, zich zelf
als natie constituteeren moet, is het zelf nog nationaal, zij het dan
ook volstrekt niet in den zin der bourgeoisie.
De nationale afzondering en onderlinge tegenstelling der volkeren
verdwijnen meer en meer reeds met de ontwikkeling der bourgeoisie,
met de handelsvrijheid, de wereldmarkt, de gelijkvormigheid der
industrieele productie en de met deze overeenkomende levensverhoudingen.
De heerschappij van het proletariaat zal ze nog meer doen verdwijnen.
Gezamenlijke actie, tenminste der beschaafde landen, is een van de
eerste voorwaarden van zijn bevrijding. Naar de mate, waarin de
exploitatie van het eene individu door het andere wordt opgeheven,
naar die mate wordt de exploitatie van de eene natie door de andere
opgeheven.
Met de tegenstelling der klassen in het inwendige der natie valt de
vijandelijke houding der naties onderling.
De aanklachten, die van godsdienstige, wijsgeerige en ideologische
gezichtspunten in het algemeen tegen het communisme worden gericht,
verdienen geen uitvoeriger bespreking.
Is er diep inzicht voor noodig om te begrijpen, dat met de
levensverhoudingen der menschen, met hunne maatschappelijke
betrekkingen tot elkaar, met hun maatschappelijk zijn, ook hunne
voorstellingen, zienswijzen en begrippen, in één woord ook hun
bewustzijn verandert?
Wat bewijst de geschiedenis der ideeën anders, dan dat de geestelijke
productie zich vervormt met de materieele? De heerschende begrippen van
een tijd waren altijd slechts de begrippen der heerschende klasse.
Men spreekt van ideeën, die een geheele maatschappij revolutioneeren;
men spreekt daarmede slechts uit het feit, dat binnen de oude
maatschappij zich de elementen eener nieuwe hebben gevormd, dat met
de vernietiging der oude levensverhoudingen de vernietiging der oude
ideeën gelijken tred houdt.
Toen de oude wereld ten ondergang neigde, werden de oude godsdiensten
door den christelijken godsdienst overwonnen. Toen de christelijke
ideeën in de 18e eeuw ondergingen voor de „verlichtings”ideeën, streed
de feodale maatschappij haren doodstrijd met de toen revolutionaire
bourgeoisie. De ideeën der gewetens- en godsdienstvrijheid spraken
slechts de heerschappij der vrije concurrentie op het gebied van het
weten uit.
„Maar,” zal men zeggen, „godsdienstige, zedelijke, wijsgeerige,
politieke, rechts-ideeën enzoovoorts, vervormden zich zekerlijk in
den loop der historische ontwikkeling. De godsdienst, de moraal, de
wijsbegeerte, de politiek, het recht bleven steeds in deze wisseling
bewaard.
„Er zijn bovendien eeuwige waarheden, zooals vrijheid, gerechtigheid,
enz., die alle maatschappelijke toestanden gemeen hebben. Het
communisme evenwel schaft de eeuwige waarheden af, het schaft den
godsdienst af, de moraal, in plaats van ze nieuw te vormen, het
weerspreekt dus alle historische ontwikkeling tot nu toe.”
Waarop komt deze aanklacht neer? De geschiedenis der geheele
maatschappij tot nu toe bewoog zich in klassetegenstellingen, die in de
verschillende tijdperken verschillend waren.
Welken vorm zij evenwel ook ooit hebben aangenomen, de uitbuiting van
het eene deel der maatschappij door het andere is een feit, dat alle
vroegere eeuwen gemeen hebben. Geen wonder dus, dat het maatschappelijk
bewustzijn aller eeuwen zich, ondanks alle menigvuldigheid en
alle verschil, toch in zekere aan allen gemeene vormen beweegt,
in bewustzijnsvormen, die alleen met het totale verdwijnen der
klassetegenstelling geheel verdwijnen.
De communistische revolutie is het radicaalste breken met de
traditioneele eigendomsverhoudingen; geen wonder, dat in haar
ontwikkelingsgang het radicaalst met de traditioneele ideeën wordt
gebroken.
Doch laten wij de tegenwerpingen der bourgeoisie tegen het communisme
voor wat zij zijn.
Wij zagen boven reeds, dat de eerste schrede der arbeidersrevolutie de
verheffing van het proletariaat tot heerschende klasse, de verovering
der democratie is.
Het proletariaat zal zijn politieke heerschappij daartoe gebruiken,
om aan de bourgeoisie stuk voor stuk alle kapitaal te ontrukken, alle
productiemiddelen in de handen van den staat, d. w. z. van het als
heerschende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseeren en de
massa der productiekrachten zoo snel als mogelijk te vermeerderen.
Dit kan natuurlijk in den aanvang alleen geschieden door middel van
despotische inbreuken op het eigendomsrecht en op de burgerlijke
productieverhoudingen, door maatregelen dus, die economisch onvoldoende
en onhoudbaar schijnen, die evenwel in den loop der ontwikkeling boven
zich zelve uit drijven en als middelen tot omwenteling der geheele
productiewijs onvermijdelijk zijn. Deze maatregelen zullen natuurlijk
al naar de verschillende landen verschillend zijn.
Voor de verst ontwikkelde landen zullen evenwel de volgende tamelijk
algemeen kunnen worden aangewend:
1. Onteigening van het grondeigendom en aanwending der grondrente tot
Staatsuitgaven.