=Bourgeois en Proletariërs.=
De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis
van klassenstrijden.[3]
[3] Dat wil zeggen, precies gesproken, de _schriftelijk_
overgeleverde geschiedenis. In 1847 was de vóórgeschiedenis der
maatschappij, de maatschappelijke organisatie, die aan alle
opgeschreven geschiedenis voorafging, nog zoo goed als onbekend.
Sinds dien tijd heeft Haxthausen het gemeenschappelijk eigendom
van den grond in Rusland ontdekt. Maurer heeft het aangetoond als
den maatschappelijken grondslag, waarvan alle Duitsche stammen
historisch uitgingen, en langzamerhand vond men, dat dorpsgemeenten
met gemeenschappelijk grondbezit de oervorm der maatschappij waren
van Indië tot Ierland. Eindelijk werd de inwendige organisatie
dezer oorspronkelijke communistische maatschappij in haar typischen
vorm blootgelegd door Morgan’s alles bekronende ontdekking van
den waren aard der gens en van haar plaats in den stam. Met de
vernietiging dezer oorspronkelijke gemeenebesten begint de splitsing
der maatschappij in bijzondere en eindelijk tegenover elkaar staande
klassen.
Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene,
gildemeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in
voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu
eens bedekten dan weer open strijd, een strijd, die ieder keer eindigde
met een revolutionaire vervorming van de geheele maatschappij of met
den gemeenschappelijken ondergang van de strijdende klassen.
In de vroegere tijdperken der geschiedenis vinden wij bijna overal
een volledige verdeeling der maatschappij in verschillende standen,
een veelvoudigen trap van maatschappelijke rangen. In het oude Rome
hebben wij patriciërs, ridders, plebejers, slaven; in de middeleeuwen
leenheeren, vazallen, gildemeesters, gezellen, lijfeigenen en bovendien
in bijna ieder van deze klassen weder bijzondere afdeelingen.
De uit den ondergang van de feodale maatschappij voortgekomen
moderne burgerlijke maatschappij heeft de klassentegenstellingen
niet opgeheven. Zij heeft slechts nieuwe klassen, nieuwe voorwaarden
van onderdrukking, nieuwe vormen van strijd in de plaats van de oude
gesteld.
Ons tijdvak, het tijdvak der bourgeoisie, steekt evenwel hierdoor uit,
dat het de klassentegenstellingen vereenvoudigd heeft. De geheele
maatschappij splitst zich meer en meer in twee groote vijandelijke
kampen, in twee groote lijnrecht tegenover elkaar staande klassen:
bourgeoisie en proletariaat.
Uit de lijfeigenen der middeleeuwen zijn de poorters der eerste steden
voortgekomen; uit deze poorterschap hebben zich de eerste elementen der
bourgeoisie ontwikkeld.
De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de
opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chineesche
markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de
vermeerdering der ruilmiddelen en der goederen in het algemeen gaven
aan den handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende
vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende
feodale maatschappij een snelle ontwikkeling.
Het tot hier toe heerschende feodale of gilde-bedrijf der industrie was
niet toereikend meer voor de met nieuwe markten aangroeiende behoefte.
De manufaktuur trad in zijne plaats. De gildemeesters werden verdrongen
door den industrieelen middenstand; de verdeeling van den arbeid
tusschen de verschillende korporaties verdween voor de verdeeling van
den arbeid in de afzonderlijke werkplaats zelf.
Maar steeds groeien de markten aan, steeds steeg de behoefte. Ook de
manufaktuur was niet meer toereikend.
Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industrieele
productie. In de plaats van de manufaktuur kwam de moderne
groot-industrie, in de plaats van den industrieelen middenstand kwamen
de industrieele millionairs, de chefs van geheele industrieele legers,
de moderne bourgeois.
De groot-industrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking
van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan den handel,
de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke
ontwikkeling gegeven. Deze heeft weder op de uitbreiding van de
industrie teruggewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel,
scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde
zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de
uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op den achtergrond.
Wij zien dus, hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van
een langen ontwikkelingsgang, van een reeks van veranderingen in de
productiewijze en in de wijze van verkeer.
Ieder van deze trappen van ontwikkeling der bourgeoisie werd begeleid
door een daarmee overeenkomenden politieken stap voorwaarts.
Onderdrukte stand onder de heerschappij der feodale heeren, gewapend
en zich zelf besturend verbond in de Commune[4], hier onafhankelijke
republikeinsche stad, daar belastingplichtige derde stand der
monarchie, dan in den tijd der manufactuur tegenwicht tegen den adel
in de constitutioneele of in de absolute monarchie, voornaamste
fundament der monarchieën in het algemeen, bevocht zij voor zich
eindelijk, sinds de vestiging der groot-industrie en der wereldmarkt,
in den modernen staat met volksvertegenwoordiging de politieke
alleenheerschappij. De moderne staatsmacht is slechts een comité, dat
de gemeenschappelijke zaken der geheele burgerklasse beheert.
[4] Zoo noemden de burgers der Italiaansche en Fransche steden hun
gemeenten, nadat zij het eerste zelfbestuur van hun feodale heeren
hadden afgekocht of afgedwongen.
De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol
gespeeld.
De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle
feodale, aartsvaderlijke, idylische verhoudingen vernield. Zij heeft
de bontgeschakeerde feodale banden, die den mensch aan den van nature
boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen
anderen band tusschen mensch en mensch overgelaten, dan het naakte
eigenbelang, dan de gevoellooze „contante betaling”. Zij heeft de
heilige siddering der vroome dweeperij, der ridderlijke geestdrift, van
den klein-burgerlijken weemoed in het ijskoude water van egoïstische
berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in
de ruilwaarde opgelost en in de plaats der tallooze verleende en
verworven vrijheden als eenige vrijheid de gewetenlooze handelsvrijheid
gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats der met godsdienstige
en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke,
schaamtelooze, directe, dorre uitbuiting gesteld.
De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag
beschouwde ambten van hun heiligen schijn ontdaan. Zij heeft den
geneesheer, den jurist, den priester, den dichter, den man der
wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie
heeft der familieverhouding haar roerend-sentimenteelen sluier afgerukt
en haar tot eene zuivere geldverhouding herleid.
De bourgeoisie heeft onthuld, hoe de brutale krachtuiting, die de
reactie zoozeer in de middeneeuwen bewondert, hare passende aanvulling
vond in de traagste dagdieverij. Eerst zij heeft bewezen, wat de
werkkracht der menschen tot stand brengen kan. Zij heeft nog heel
andere wonderwerken voltooid dan Egyptische pyramides, Romeinsche
waterleidingen en Gothische kathedralen, zij heeft nog heel andere
tochten volbracht dan volksverhuizingen en kruistochten.
De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productiemiddelen, dus
de productieverhoudingen, dus de gezamenlijke maatschappelijke
verhoudingen voortdurend te revolutioneeren. Onveranderde
instandhouding der oude productiewijze was daarentegen de eerste
bestaansvoorwaarde aller vroegere industrieele klassen. De
voortdurende omwenteling der productie, de onafgebroken schok aan
alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging
onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste,
ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen
en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen, voordat
zij zich verharden kunnen. Alle stand en al het staande verdampt, al
het heilige wordt ontwijd, en de menschen zijn eindelijk gedwongen, hun
plaats in het leven, hun wederzijdsche betrekkingen met nuchtere oogen
aan te zien.
De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van hare producten jaagt
de bourgeoisie over den bol der aarde. Overal moet zij zich innestelen,
overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknoopen.
De bourgeoisie heeft door hare exploitatie van de wereldmarkt de
productie en consumptie aller landen kosmopolitisch gemaakt. Zij
heeft tot groot verdriet der reactionairen aan de industrie den
nationalen bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale
industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij
worden verdrongen door nieuwe industrieën, waarvan de invoering tot
een levensvraag voor alle beschaafde volkeren wordt, door industrieën,
die niet meer inheemsche grondstoffen, maar grondstoffen uit de verste
streken der aarde verwerken en waarvan de fabrikaten niet alleen in het
land zelf, maar in alle werelddeelen tegelijk worden verbruikt. In de
plaats der oude, door producten van het eigen land bevredigde behoeften
komen nieuwe, die de producten der verste landen tot hunne bevrediging
vorderen. In de plaats der oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid
en afgeslotenheid treedt een veelzijdig verkeer, een veelzijdige
afhankelijkheid der volkeren onderling. De geestelijke voortbrengselen
der afzonderlijke naties worden gemeen goed. De nationale eenzijdigheid
en beperktheid wordt meer en meer onmogelijk, en uit de vele nationale
en lokale litteraturen vormt zich een wereldlitteratuur.
De bourgeoisie rukt door de snelle verbetering aller productiemiddelen,
door het onnoodig gemakkelijker verkeer alle, ook de meest barbaarsche
volken in den kring der beschaving.
De goedkoope prijzen harer waren zijn de zware artillerie, waarmee
zij alle Chineesche muren tegen den grond schiet, met welke zij den
hardnekkigsten vreemdelingenhaat der barbaren tot overgave dwingt.
Zij dwingt alle naties, zich de productiewijze der bourgeoisie eigen
te maken, wanneer zij niet te gronde willen gaan: zij dwingt hen de
zoogenaamde beschaving bij zich in te voeren, d. w. z. bourgeois te
worden. Met één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.
De bourgeoisie heeft het land aan de heerschappij der stad onderworpen.
Zij heeft enorme steden geschapen, zij heeft het aantal der steedsche
tegenover de landelijke bevolking in hoogen graad vermeerderd en
aldus een belangrijk deel der bevolking aan het verstompende van
het landleven ontrukt. Evenals het land van de stad, zoo heeft
zij de barbaarsche en half barbaarsche landen van de beschaafde,
de boerenvolken van de bourgeoisvolken, het Oosten van het Westen
afhankelijk gemaakt.
De bourgeoisie heft meer en meer de versnippering der
productiemiddelen, van het bezit en van de bevolking op. Zij
heeft de bevolking op plaatsen opeengehoopt, de productiemiddelen
gecentraliseerd en het eigendom in weinige handen geconcentreerd.
Het noodzakelijk gevolg hiervan was de staatkundige centralisatie.
Onafhankelijke, bijna alleen verbonden provincies met verschillende
belangen, wetten, regeeringen en tollen werden saamgedrongen in ééne
natie, ééne regeering, één wet, één nationaal klassebelang, één
douanengrens.
De bourgeoisie heeft in hare nauwelijks honderdjarige
klasseheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten
geschapen dan alle verdwenen geslachten te samen. Onderwerping der
natuurkrachten, machinerie, aanwending der scheikunde op nijverheid en
landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, ontginning
van geheele werelddeelen, bevaarbaarmaking der rivieren, geheele uit
den grond gestampte bevolkingen--welke vroegere eeuw vermoedde, dat
zulke productiekrachten in den schoot van den maatschappelijken arbeid
sluimerden?
Wij hebben dus gezien: De productie- en verkeersmiddelen, op welker
grondslag de bourgeoisie zich ontwikkelde, werden in de feodale
maatschappij geschapen. Op een zekeren trap van de ontwikkeling dezer
productie- en verkeersmiddelen stemden de verhoudingen, waarin de
feodale maatschappij produceerde en ruilde, de feodale organisatie van
landbouw en manufactuur, met één woord de feodale eigendomsverhoudingen
niet meer met de reeds ontwikkelde productiekrachten. Zij hielden de
productie tegen, in plaats ze te bevorderen. Zij veranderden in even
zoo vele boeien. Zij moesten verscheurd worden, zij werden verscheurd.
In hunne plaats trad de vrije concurrentie met de haar passende
maatschappelijke en staatkundige inrichting, met de ekonomische en
politieke heerschappij der burgerlijke klasse.
Onder onze oogen heeft een dergelijke beweging plaats. De
burgerlijke productie- en verkeersverhoudingen, de burgerlijke
eigendomsverhoudingen, de moderne burgerlijke maatschappij, die zulke
geweldige productie- en verkeersmiddelen te voorschijn getooverd
heeft, gelijkt den heksenmeester, die de onderaardsche machten
niet meer beheerschen kan, die hij zelf opriep. Sinds tientallen
jaren is de geschiedenis van nijverheid en handel slechts de
geschiedenis van den opstand der moderne productiekrachten tegen de
moderne productieverhoudingen, tegen de eigendomsverhoudingen, die
de levensvoorwaarden zijn der bourgeoisie en harer heerschappij.
Het is voldoende de handelscrisissen te noemen, die met hunnen
periodieken terugkeer telkens dreigender het bestaan der geheele
burgerlijke maatschappij in gevaar brengen. In de handelscrisissen
wordt een groot gedeelte niet alleen der voortgebrachte producten,
maar der reeds geschapen productiekrachten geregeld vernietigd. In
de crisissen breekt een maatschappelijke epidemie uit, die aan alle
vroegere periodes iets onzinnigs zou hebben geleken--de epidemie der
overproductie. De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in
een toestand van oogenblikkelijke barbaarschheid; een hongersnood,
een algemeene verdelgingsoorlog schijnen haar alle levensmiddelen te
hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en
waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel levensmiddelen, te veel
industrie, te veel handel bezit. De productiekrachten, die haar ter
beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering der burgerlijke
eigendomsverhoudingen; integendeel, zij zijn te geweldig geworden voor
deze verhoudingen, zij worden belemmerd en zoodra zij deze belemmering
overwinnen, brengen zij de geheele burgerlijke maatschappij in
wanorde, brengen zij het bestaan van het burgerlijk eigendom in gevaar.
De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden, om den door hen
voortgebrachten rijkdom te omvatten.--Waardoor overwint de bourgeoisie
de crisissen? Aan den eenen kant door de gedwongen vernietiging eener
massa productiekrachten; aan den anderen kant door de verovering van
nieuwe markten, en de nog grondiger exploitatie van oude markten.
Waardoor dus? Daardoor, dat zij alzijdiger en geweldiger crisissen
voorbereidt en de middelen, om de crisissen te voorkomen, vermindert.
De wapens, met welke de bourgeoisie de feodaliteit neer heeft geslagen,
keeren zich nu tegen de bourgeoisie zelf.
Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed, die haar den
dood brengen: zij heeft ook de mannen geteeld, die deze wapens zullen
voeren--de moderne arbeiders, ~de proletariërs~.
In dezelfde mate, waarin de bourgeoisie, d. i. het kapitaal, zich
ontwikkelt, in dezelfde mate ontwikkelt zich het proletariaat, de
klasse der moderne arbeiders, die slechts zoo lang leven, als zij werk
vinden, en die slechts zoo lang werk vinden, als hun werk het kapitaal
vermeerdert. Deze arbeiders, die zich stuksgewijs moeten verkoopen,
zijn een waar, als ieder handelsartikel, en daardoor in dezelfde mate
aan alle wisselvalligheden der concurrentie, aan alle schommelingen der
markt blootgesteld.
De arbeid der proletariërs heeft door de uitbreiding der machinerie
en de arbeidsverdeeling elk zelfstandig karakter, en daarmede alle
aantrekkelijkheid voor de arbeiders verloren. Hij wordt niets
dan een toevoegsel der machine, van wien alleen de eenvoudigste,
eentonigste, gemakkelijkst te leeren handgrepen verlangd worden. De
kosten, die de arbeider veroorzaakt, beperken zich dus bijna tot de
levensmiddelen, die hij tot zijn onderhoud en tot voortplanting van
zijn ras noodig heeft. De prijs eener waar, dus ook van den arbeid, is
evenwel gelijk aan haar productiekosten. In dezelfde mate, in welke
het weerzinwekkende van den arbeid toeneemt, neemt dus het loon af.
Meer nog, in dezelfde mate, waarin machinerie en arbeidsverdeeling
toenemen, in dezelfde mate neemt ook de massa arbeid toe, hetzij door
vermeerdering van den in een gegeven tijd voortgebrachten arbeid,
verhaasten loop der machine, enz.
De moderne industrie heeft de kleine werkplaats van den patriarchalen
meester veranderd in de groote fabriek van den industrieelen
kapitalist. Massa’s arbeiders, in de fabriek samengepakt, worden als
soldaten georganiseerd. Zij worden als gemeensoldaten der industrie
onder het opzicht van een volledige hierarchie van onderofficieren en
officieren gesteld. Zij zijn niet slechts knechten der bourgeoisklasse,
van den bourgeoisstaat, zij worden iederen dag en ieder uur geknecht
door de machine, door den opzichter, en vóór alles door den enkelen
afzonderlijken fabriceerenden bourgeois zelf. Deze dwingelandij is
des te kleingeestiger, hatelijker, verbitterender, hoe openlijker zij
het winst maken als haar doel proclameert. Hoe minder vaardigheid en
kracht de handenarbeid vordert, dat wil zeggen hoe meer de moderne
industrie zich ontwikkelt, des te meer wordt de arbeid van mannen door
dien van vrouwen verdrongen. Onderscheid van geslacht en leeftijd
geldt maatschappelijk niet meer voor de arbeidersklasse. Er bestaan
nog slechts arbeidsinstrumenten, die al naar ouderdom en geslacht
verschillende kosten veroorzaken.
Is de uitbuiting van den arbeider door den fabrikant zoo ver
afgeloopen, dat hij zijn arbeidsloon in klinkende munt uitbetaald
ontvangt, dan vallen de andere leden der bourgeoisie op hem aan, de
huiseigenaar, de winkelier, de pandjeshuisman, enz.
De tot nu toe bestaande kleine middenstand, de kleine industrieelen,
kooplieden en renteniers, de handwerkslieden en boeren, al deze klassen
dalen af in het proletariaat, gedeeltelijk doordat hun klein kapitaal
niet voldoende is voor het drijven van groot-industrie en ondergaat in
de concurrentie met de grootere kapitalisten, gedeeltelijk doordat hun
vaardigheid door nieuwe productiewijzen waardeloos wordt. Zoo wordt het
proletariaat uit alle klassen der bevolking gerecruteerd.
Het proletariaat maakt verschillende tijdperken van ontwikkeling door.
Zijn strijd tegen de bourgeoisie begint met zijn bestaan.
Aanvankelijk strijden de afzonderlijke arbeiders, daarna de arbeiders
eener fabriek, dan de arbeiders van een tak van bedrijf op ééne plaats
tegen den enkelen bourgeois, die hen onmiddellijk uitbuit. Zij richten
hunne aanvallen niet alleen tegen de burgerlijke productieverhoudingen,
zij richten ze tegen de voortbrengingswerktuigen zelve; zij vernielen
de vreemde concurreerende waren, zij slaan de machines stuk, zij
steken de fabrieken in brand, zij zoeken de verdwenen plaats van den
middeleeuwschen arbeider weer voor zich te veroveren.
Op dezen trap van ontwikkeling vormen de arbeiders eene over het
geheele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa.
Een in massa aan elkaar vasthouden der arbeiders is nog niet het gevolg
van hun eigen vereeniging, maar het gevolg van de vereeniging der
bourgeoisie, die, om haar eigen politieke doeleinden te bereiken, het
geheele proletariaat in beweging moet brengen en het voorloopig ook nog
kan. Op dezen ontwikkelingstrap bestrijden de proletariërs dus niet
hunne vijanden, maar de vijanden hunner vijanden, de overblijfsels der
absolute monarchie, de grondeigenaars, de niet-industrieele bourgeois,
de kleine burgers. De geheele historische beweging is aldus in de
handen der bourgeoisie geconcentreerd; iedere overwinning, die zoo
bevochten wordt, is eene overwinning der bourgeoisie. Maar met de
ontwikkeling der industrie vermeerdert niet alleen het proletariaat;
het wordt in grootere massa’s samengedrongen, zijn kracht groeit aan
en het voelt ze meer. De belangen, de levenstoestanden binnen het
proletariaat verevenen zich steeds meer, daar de machine meer en meer
het onderscheid van den arbeid uitwischt en het loon bijna overal
tot een even laag niveau neerdrukt. De toenemende concurrentie der
bourgeois onder elkaar en de daaruit voortkomende handelscrisissen
maken het loon der arbeiders steeds meer schommelend; de steeds sneller
zich ontwikkelende, onophoudelijke verbetering der machinerie maakt
hun geheelen levenstoestand steeds onzekerder; steeds meer nemen de
botsingen tusschen den afzonderlijken arbeider en den afzonderlijken
bourgeois het karakter van botsingen van twee klassen aan. De arbeiders
beginnen coalities tegen de bourgeois te vormen; zij komen bijeen
tot verdediging van hun arbeidsloon. Zij stichten zelve duurzame
associaties, om zich voor de telkens voorkomende opstanden van proviand
te voorzien. Hier en daar breekt de strijd in oproer los.
Van tijd tot tijd zegevieren de arbeiders, maar slechts voorbijgaand.
Het eigenlijk resultaat van hunne gevechten is niet het onmiddellijk
resultaat, maar de altijd verder om zich grijpende vereeniging der
arbeiders. Zij wordt bevorderd door de toenemende verkeersmiddelen,
die door de groot-industrie worden voortgebracht en die de arbeiders
der verschillende streken met elkaar in verbinding brengt. Maar
verbinding is ook alleen noodig, om de vele lokale worstelingen, van
overal gelijk karakter, tot een nationalen, tot een klassenstrijd te
centraliseeren. Iedere klassenstrijd is echter een politieke strijd.
En de vereeniging, voor welke de burgers der middeneeuwen met hunne
buurtwegen eeuwen noodig hadden, brengen de moderne proletariërs met de
spoorwegen in weinige jaren tot stand.
Deze organisatie der proletariërs tot klasse, en daardoor tot
politieke partij, wordt ieder oogenblik weder verbroken door de
concurrentie onder de arbeiders zelve. Maar zij herleeft telkens
weer, sterker, vaster, machtiger. Zij verovert zich de erkenning van
enkele arbeidersbelangen bij de wet, doordien zij van de scheuring der
bourgeois onder elkander gebruik maakt. Zoo de 10-urenwet in Engeland.
In het algemeen bevorderen de botsingen in de oude maatschappij toch
op velerlei wijzen den ontwikkelingsgang van het proletariaat. De
bourgeoisie bevindt zich in voortdurenden strijd: in het begin tegen
de aristocratie; later tegen die deelen der bourgeoisie zelve, wier
belangen in tegenspraak komen met den vooruitgang der industrie; steeds
tegen de bourgeoisie aller vreemde landen. In al deze gevechten ziet
zij zich genoodzaakt, een beroep te doen op het proletariaat, zijn
hulp te vragen en het aldus in de politieke beweging te trekken. Zij
zelve voert dus het proletariaat haar eigen vormingselementen, d. w. z.
wapens tegen haar zelve, toe.
Verder worden, zooals wij gezien hebben, door den vooruitgang der
industrie geheele bestanddeelen der heerschende klasse in het
proletariaat geworpen of ten minste in hun levensvoorwaarden bedreigd.
Ook zij brengen het proletariaat een massa vormingselementen aan.
In tijden eindelijk, waarin de klassenstrijd zijn beslissing nadert,
neemt het ontbindingsproces binnen de heerschende klasse, binnen de
geheele oude maatschappij, een zoo heftig, zoo schril karakter aan,
dat een klein deel der heerschende klasse zich van haar losmaakt en
zich bij de revolutionaire klasse aansluit, de klasse, die de toekomst
in hare handen draagt. Evenals dus vroeger een deel van den adel tot
de bourgeoisie overging, zoo gaat nu een deel der bourgeoisie tot het
proletariaat over, en voornamelijk een deel der bourgeois-ideologen,
die zich tot het theoretische begrip der geheele historische beweging
hebben opgewerkt.
Van alle klassen die heden ten dage tegenover de bourgeoisie staan,
is alleen het proletariaat eene werkelijk revolutionaire klasse. De
overige klassen verkommeren en gaan onder met de groot-industrie, het
proletariaat is haar eigen product.
De middenstanden, de kleine industrie, de kleine koopman, de
handwerksman, de boer, zij allen bestrijden de bourgeoisie, om
hun bestaan als middenstand voor den ondergang te bewaren. Zij
zijn dus niet revolutionair, maar conservatief. Meer nog, zij zijn
reactionair, zij zoeken het rad der geschiedenis terug te draaien.
Zijn zij revolutionair, dan zijn zij het met het oog op den ondergang
in het proletariaat, die hen wacht, dan verdedigen zij niet hunne
tegenwoordige, maar hun toekomstige belangen, dan verlaten zij hun
eigen standpunt, om zich te stellen op dat van het proletariaat.
Het lompenproletariaat, deze lijdelijke verrotting van de onderste
lagen der oude maatschappij, wordt door eene proletarische revolutie
hier en daar in de beweging geslingerd; maar het zal volgens zijn
geheele levenswijze eerder bereid zijn, zich tot reactionaire
bewegingen te laten koopen.
De levensvoorwaarden der oude maatschappij zijn reeds vernietigd in
de levensvoorwaarden van het proletariaat. De proletariër is zonder
eigendom; zijn verhouding tot vrouw en kinderen heeft niets meer gemeen
met de burgerlijke familieverhouding; de moderne industrieele arbeid,
de moderne dienstbaarheid onder het kapitaal, dezelfde in Engeland
als in Frankrijk, in Amerika als in Duitschland, heeft hem van alle
nationaal karakter ontdaan. De wetten, de moraal, de godsdienst, zijn
voor hem even zoo vele burgerlijke vooroordeelen, achter welke zich
even zoo vele burgerlijke belangen verschuilen.
Alle vroegere klassen, die zich de heerschappij veroverden, zochten
hunne reeds verworven plaats te verzekeren, door de geheele
maatschappij aan de bestaansvoorwaarden van hun bedrijf te onderwerpen.
De proletariërs kunnen de maatschappelijke productiekrachten slechts
veroveren, door hun eigen tot nu toe bestaande wijze van toeëigening,
en daarmee de geheele tot nu toe bestaande wijze van toeëigening
af te schaffen. De proletariërs hebben niets van het hunne te
verzekeren, zij hebben alle tot nu toe bestaande privaat-zekerheden en
privaat-verzekeringen te vernietingen.
Alle bewegingen tot nu toe waren bewegingen van minderheden of in het
belang van minderheden. De proletarische beweging is de zelfstandige
beweging der ontzaggelijke meerderheid in het belang der ontzaggelijke
meerderheid. Het proletariaat, de onderste laag der tegenwoordige
maatschappij, kan zich niet oprichten, niet verheffen, zonder dat de
geheele bovenbouw der lagen, die de officieele maatschappij vormen, in
de lucht springt.
Ofschoon niet naar inhoud, is de strijd van het proletariaat tegen
de bourgeoisie naar den vorm voorloopig een nationale strijd. Het
proletariaat van elk land moet het natuurlijk eerst met zijn eigen
bourgeoisie klaar spelen.
Terwijl wij de algemeenste ontwikkelingsphasen van het proletariaat
schetsen, vervolgden wij den meer of minder verborgen burgeroorlog
binnen de bestaande maatschappij tot op dat punt, waarop hij in een
open revolutie uitbreekt, en, door de gewelddadige omverwerping der
bourgeoisie, het proletariaat zijn eigen heerschappij grondvest.
Elke maatschappij tot nu toe berustte, zooals wij gezien hebben, op de
tegenstelling van onderdrukkende en onderdrukte klassen. Om evenwel
een klasse te kunnen onderdrukken, moeten haar levensvoorwaarden
verzekerd zijn, binnen welke zij ten minste haar slaafsch bestaan kan
rekken. De lijfeigene heeft zich tot lid der commune opgewerkt in de
lijfeigenschap, evenals de kleine burger tot bourgeois onder het juk
van het feodale absolutisme. De moderne arbeider daarentegen, inplaats
van zich met den vooruitgang der industrie te verheffen, zinkt steeds
dieper onder de levensvoorwaarden zijner eigen klasse. De arbeider
wordt tot pauper en het pauperisme ontwikkelt zich nog sneller dan
bevolking en rijkdom. Hiermede komt het openlijk aan den dag, dat de
bourgeoisie niet in staat is, nog langer de heerschende klasse der
maatschappij te blijven en de levensvoorwaarden harer klasse aan de
maatschappij als regel en wet op te dringen. Zij is niet in staat te
heerschen, omdat zij niet in staat is, haren slaaf het bestaan zelf
binnen zijne slavernij te verzekeren, omdat zij gedwongen is, hem in
een toestand te laten verzinken, waarin zij hem voeden moet, inplaats
van door hem gevoed te worden. De maatschappij kan niet meer onder haar
leven, d. w. z. haar leven kan niet meer samengaan met de maatschappij.
De wezenlijke voorwaarde voor het bestaan en voor de heerschappij
der bourgeoisklasse is de opeenhooping van rijkdom in de handen van
privaatpersonen, de vorming en vermeerdering van het kapitaal; de
voorwaarde van het kapitaal is de loonarbeid. De loonarbeid berust
uitsluitend op de concurrentie der arbeiders onder elkaar. De
vooruitgang der industrie, wier willooze en verzetlooze drager der
bourgeoisie is, stelt in de plaats der isoleering der arbeiders door
de concurrentie hunne revolutionaire vereenigingen door de associatie.
Met de ontwikkeling der groot-industrie wordt dus onder de voeten
der bourgeoisie de bodem zelf weggetrokken, waarop zij produceert en
zich de producten toeëigent. Zij produceert vóór alles haar eigen
doodgraver. Haar ondergang en de zege van het proletariaat zijn even
onvermijdelijk.