ELFDE HOOFDSTUK.

Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot

aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent

genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den

nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin

ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in

vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin,

en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich,

om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen,

zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.

»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat

gij in mijne nabijheid zijt," fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij,

als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel

te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort,

en ik u mijn leven lang heb lief gehad."

»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne

geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk

zou zijn zonder u te leven."

»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!"

»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het

wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij

weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden

we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging

het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en

naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne

zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten,

als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust."

»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst,

wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees

voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt;

maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergeten zult. Melitta

heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven;

zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is

aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst

kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook,

styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig

[188]. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen,

want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij

mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult."

»En uw vertrouwen bedriegt u niet!"

»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de

meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en

er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw

blijven, hij zal mij niet vergeten!" Maar als het blaadje zonder eenig

geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.--Doch ik vernam bijna altijd

den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk,

zelden reden om treurig te zijn [189]."

»En zoo zal het blijven!"

»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias,

die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!"

»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken

achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!--Hebt gij het

verstaan?"

»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar

al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!" zoo zou mij

uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij

bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle

tongen der wereld."

»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan

zou ik..."

»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij

alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt

mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn

woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem

niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta."

»Och toe, wilt gij 't mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul,

gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds

in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen,

wat de vogel spreekt?"

»Ik zal 't u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje:

'Ik min u!' en zij antwoordt, luister slechts: 'Itys, Ito, Itys'

[190]."

»En wat beteekent dat: Ito, ito?"

»Ik neem het aan, ik neem het aan!"

»En Itys?"

»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een

kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid,

want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: 'ik neem

het aan,--ik neem het aan voor alle eeuwigheid!'"

»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?"

»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking:

ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!"

»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal

niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen

zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen

zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk

een witte zwaan."

»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft

geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw

zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik

thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem

kunnen spreken."

»Zoo fluister,--of zing!"

»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij

mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje

voorzingen. Alkman, de Lydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen

den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke

slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.--Kus mij

nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan

echter vorder ik zelve een kus tot belooning:

"De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:

Der bergen kruin, de klip in 't grondloos zout,

De stroom en 't meir, 't gebladerte van 't woud,

De worm der aarde--'t rust en sluimert àl.

Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;

Na d'arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;

In d'afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,

Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;

En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,

Het vooglenpaar te midden van zijn kroost."

»En nu mijn beste, een kus?"

»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks

bij het kussen het luisteren vergat."

»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?"

»Schoon, als alles, wat gij zingt."

»En wat de groote Helleensche zangers dichten."

»Ook dit geef ik u toe."

»Hebt gij in Perzië geene dichters?"

»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele

gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?"

»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden."

»Hoe bedoelt gij dat?"

»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen."

»Mijne Sappho...."

»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen

andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met

u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland,

wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw

willen verachten of slechts berispen,--want wie zou het wagen mijn

Bartja te verachten--zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat

mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt

gij mij dat beloven, Bartja?"

»Dat wil ik!"

»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw

land onderwerpen moet,--want uit liefde zult gij geene tweede vrouw

nemen,--zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit

zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den

tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik

u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert,

druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht,

zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal,

dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen,

en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan

verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt

gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstand in

uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u,

en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt,

en dat gij haar nog altijd liefhebt."

»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote

schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal

niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet

anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere

meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder

man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt

niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen,

doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane."

»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?"

»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene

gade van haar echtgenoot."

»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?"

»Zoo spoedig ik maar kan en mag."

»O, ik zal geduldig wachten."

»En zal ik ook tijding van u ontvangen?"

»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden

draag ik mijn groet voor u op...."

»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den

bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte

zal brengen."

»Waar vind ik dien?"

»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult

doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken."

»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel

van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest

bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb."

»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?"

»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!"

»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste

aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden

en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen

genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf,

gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders

verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende

blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het

laatste zal ontrukken."

»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene

groote gunst toe!"

»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb."

»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen

achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo

innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne

dierbaarste wenschen vervuld ziet."

»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!"

»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De

goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij,

haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij

te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de

schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein

licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart

geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag,

terwijl zij blij het tegenwoordige geniet."

»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn

afgelegen vaderland wil volgen."

»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de

eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans

mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of

bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste,

dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten

in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man,

voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal

stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als

zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een

koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw

koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er

uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat

mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de

voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe

gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en

uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw

edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe

dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het

deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig

luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: 'O, hoe lief hebben wij

den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen

jongeling eens zien!'--dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus

hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch

vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en

zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!"

»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat

ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken,

de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs,

dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden

Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid,

van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren,

wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar

dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris [191], en

ik kus mijne zuster als zij roept: 'O, Aphrodite, kon ik u eens zien!'"

»Hoor, wat was dat?--Daar klapt onze trouwe schildwacht in de

handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!"

»Nog eene kus!"

»Vaarwel!"

Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap

gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen

gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen

en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde,

dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje,

dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij,

dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de

gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho

om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de

achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen

met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.

»Nog niet te bed, Sappho?" luidde haar vraag. »Wat beduidt dit,

mijn kind?"

Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp

zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder,

en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.

Rhodopis verbleekte.

»Verlaat ons!" gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste

zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders,

en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder,

even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?"

Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder

op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste haar en zeide:

»Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven

u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te

vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor

u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik [192] tot vrouw

willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft

den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen

hem opgericht. Het warme Aeolische [193] bloed in uwe aderen heeft

liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt

ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar

dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar

kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder

mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten

van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen

knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland

wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te

zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is

bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw

lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker,

dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land

door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft

een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs

late wachten."

»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig

trouw gezworen?"

»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts

een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit

verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig

spreekwoord: 'Zeus hoort de eeden der minnenden niet.' Waarom zou

de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de

mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen

van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt,

vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te

moeten doen van den persoon dien gij bemint."

»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden,

als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de

waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ik met vol vertrouwen

hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der

treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen."

»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in

droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart...."

»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch

niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij

verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de

pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!"

Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo

overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden,

glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat

ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking

aannam.

Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw,

herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot

haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O,

grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië

trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren."

»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen

uitstrekken!" zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij

het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het

goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met

mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht

ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij

eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.--Morgen

zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen,

of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan

wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de

huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust,

mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!"

Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in

slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende,

dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon

en het aanlichten van den dag.

Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje

gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal

van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus:

»Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een

vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig

schijnt, om de vrouw van den eersten aller koningen te zijn. Zij stamt

af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten,

de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus

beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons

echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers

huwen dochters van pharao's, om hunne kinderen het erfrecht op den

troon te verschaffen."

»Ik heb u zwijgend aangehoord," antwoordde Cresus, »en moet u

bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen,

of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben

moet.--Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den

koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De

koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling

verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op

de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want

de groote grondlegger der Perzische heerschappij mocht zich slechts

in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer

kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling

van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle

waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel,

even deugdzaam als beminnelijk.--Wel vergt men van de koningszonen,

dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden

huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat

vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter

en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze

zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de

onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des

konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden

genoeg op, dat zelfs slavinnen koningen ter wereld hebben gebracht

[194]. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als

deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon

wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja

geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende

gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met

een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik,

om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene

Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal,

wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt,

zijne toestemming niet onthouden."

»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd," riep

Rhodopis zeer verheugd.

»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij

groote zorg."

»Meent gij dan, dat Bartja..."

»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang

onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen

heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal."

»Maar..."

»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen

met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de

vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig

nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige

nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene

hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk

te storten."

»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?"

»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar

benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met

smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De

nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust

en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat,

en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige

wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan

liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal,

ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals

halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij

de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren

te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de

in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag

wenschen."

»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij

als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele

zoon van den grooten koning."

Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, het vertrek

binnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer

kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij

zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn

geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde

trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving,

dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn

hart met zoo groote zaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek

bij Rhodopis te ondersteunen.

Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den

jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u

tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur."

»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!"

»Zij doet pijn!"

»Maar die pijn is zoet!"

»Zij verwart den geest!"

»Maar zij versterkt het hart!"

»O, die liefde!" riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield,

niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter

school gegaan?"

»En toch," hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van

alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift,

vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij

is zoet," en tegen beter weten in blijven beminnen!"

In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit

feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf

in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door

een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche

rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster,

het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij

voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe

langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker

uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor

zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven

weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen

kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet,

en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle

Achaemeniden tegen ons samen!"

»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?" vroeg Rhodopis, met

vreugdetranen in de oogen.

Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder,

en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene

profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:

»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u

beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig

en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst

en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de

schimmen uwer gestorven ouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen,

als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt."

Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom

eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis

der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een

laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek,

dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met

innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen

Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden,

toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich

snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot,

waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich

met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig

oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als

altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der

vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden

geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich

menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene

dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier

een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze

uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den

schoonen en beminden koningszoon?

In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en

dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en

dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik,

de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den

koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep

de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond,

tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem

den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak,

knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte

zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen

deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons

zelfs en om Egypte's wil."

»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?"

»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes."

»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename

van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land."

»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang

hebben."

»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte

uitbreiden!"

Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van

hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op

de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht,

en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid

»Ailinos [195]!" Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden

band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden

was [196]. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho

de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk

dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop

beklom zij de triëre, die haar wachtte.

De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma [197]

aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde

de lucht van een duizendvoudig »Ailinos", ten afscheid. Op het dek

van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste

liefdesgroeten toe.--In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia,

de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar

om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl

de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg,

als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd

harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat

de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja,

mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes,

die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart

getroffen."

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 13 / 38 题