Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend
gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord
gelaat. »Heb ik het u niet gezegd," zoo begon hij, »dat het voor een
eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen
vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven,
zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel
bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet."
Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem
antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den
hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille
van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër
heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat
raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van
dit Grieksche bedelaarspak!"
»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger
te zijn dan gij."
»Verstandiger?--verstandiger?--Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo
kunstig aangelegd, dat....."
»De fijnste weefsels scheuren het lichtst."
»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in
strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid
tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen."
»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van
een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken
eener persoonlijke wraak."
»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en
daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet,
dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich
ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwer bevelen heeft gemengd. Zulk
een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor
de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes
is ons de bestraffing van Gyges schuldig."
»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen,
dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft
mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te
hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien
uw vader groote verplichting heeft."
»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?"
»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk
dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik
zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak
ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen
Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den
indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van
meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan."
»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening
verschaffen?"
»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb."
»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens
lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne
handen heeft!"
»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder
verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw
vader den koning staat!"
»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt
te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene
hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen
gebruik weten te maken."
»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen."
»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne
vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot
bezitten."
Amasis verbleekte.
»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou
doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand,
die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende,
uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den
eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen,
dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger
Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in
ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigen brief
van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter
zijde stond [182], houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft,
zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit
een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is."
»Wie bezit die papieren?" vroeg Amasis op ijskouden toon.
»De priesters."
»En deze spreken door uw mond?"
»Gelijk gij zegt."
»Herhaal dan, wat gij van mij begeert."
»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht
om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken."
»Is dit alles?"
»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den
Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden
te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel
te Memphis stake!"
»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een
scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner
vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar
ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten
brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van
Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen,
zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra
de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden."
»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als..."
»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes
aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien
niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de
oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om
hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van
eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in
het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en
zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden
kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij
af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot
en gelukkig te maken, was ik tot heden tot ieder persoonlijk offer
bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet
beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen,
teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel
eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden
van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u
in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want
ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar
over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith,
mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer
de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken
wil ten offer brengen. Zwijg--en vertrek!"
Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met
een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf
zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij
gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner
verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen [183]
en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop
spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te
deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.
Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen
der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met
eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.
Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe
rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der
vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der
priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van
zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn
hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in
het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van
dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje,
dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij
zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij
troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende
mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst
omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.
»Waar is mijn zoon?" vroeg hij den eersten den besten hoveling,
die hem tegenkwam.
»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,"
was het antwoord.
De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en
overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus
geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!"
Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat
het naamcijfer des konings droeg [184], en las: Ik heb uw zoon bij
mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der
priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn
vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen,
want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven
door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel;
maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen."
De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende
dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den
koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige
oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers,
honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich
door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om
daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen
vervolgde [185], te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren
zijne verijdelde wraak te verhalen.
Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met
Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid
gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den
zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te
willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag
een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen,
en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel
naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd
van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken
in hiëroglyphenteekens van goud en zilver ingelegd. Amasis maakte
zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de
jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen
gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den
maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar
was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij
zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben,
wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had [186].
Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges,
verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize
naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer
in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten
in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges
koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche
kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening
der sterrenkunde had beziggehouden [187], was op zekeren avond, toen
hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith
aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste
sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering
van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling
had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle
nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.
Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester,
en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er
toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.
»Ik onderwijs hem," antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder
geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons
daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans
overtreft, gelijk de zon de maan.--Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal
een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over
Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te
blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen;
hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten
te overzien. Gaat gij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten,
of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later
uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad
ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond
des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven
in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den
hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot,
die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar
ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij,
die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen,
die tot een grooten boom zal opwassen."
De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan
gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten
't hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis
uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had
gemaakt, hem gewoonlijk vergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho
was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig,
om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En
bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van
hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden
zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht,
geoefend hadden.
Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de
verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de
macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag
waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen
hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens
der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en
hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder
bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle
vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart,
en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts
vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de
koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan
Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met
haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou,
als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander
zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar
de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde
zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar
gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest
de ongelukkige zichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf
in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het
bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen,
welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats
van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige
kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder
rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar,
die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.
Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der
minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho
in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon
zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd,
door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen
betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te
zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van
alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der
minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds
in hare verbeelding haar »zoet dochterken" tot beheerscheresse der
halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was:
»vorstin" en »koningin." In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve
met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster
aan het Perzische hof.