Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem
in om den nieuwen god te begroeten.
Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
zijn beschermgeest te begroeten.
Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een
visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen
was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof
ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met
den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij
boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras,
maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen.
Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij 't vuur te slapen
en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de
kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de
glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven
niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en
de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen.
Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde,
de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit
de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon
den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich
vrij en verdween in 't duister van den nacht.
Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.
Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders
meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door
den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang,
eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel.
Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende
gestalten daarboven in 't donker voortglijden. 't Waren kleine scharen
engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen
over de wijde vlakte.
Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde
het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle
krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de
duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar
duisteren nacht.
De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.
Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk
werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich
overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte
engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange, golvende rijen,
als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen
cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen
en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden,
stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden,
om van het wonder te vertellen.
Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een
groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den
bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.
Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven
een lagen stal bij de stadspoort. 't Was een onooglijk gebouw met een
rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven
en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich
op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het
huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de
lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.
Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad,
ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij 't
Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden
frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke
geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te
bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan
den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.
Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. "Ave, Caesar!" riepen
zij. "Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die
aangebeden moet worden op het Kapitool."
En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar
visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en
ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond
was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in
haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de
gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde
rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.
Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees
zij naar het verre oosten.
"Zie," beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte
opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in
het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen
rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In
den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje,
dat op een stroobos op den grond lag.
En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind.
"Ave, Caesar!" zei ze met een hoonlach. "Dáár is de God, die op den
heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden."
Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
zich had.
Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:
"Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de
wereld vernieuwt.
"Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen."
Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
mannen, liep langzaam den berg af en verdween.
Maar Augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een
tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte
hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat:
"Altaar des Hemels", Ara Coeli.