HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.

Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning

in Jeruzalem.

Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde

neerdaalde. 't Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had;

men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen

was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men

kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders,

want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren

thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend.

En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren

staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren

hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee

gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand

sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben

hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich

onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras durfde

niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden 't niet

haar geuren uit te ademen.

In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,

blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de

levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben

willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper

zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.

Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het

keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar

het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren

den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel

bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk

zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde,

dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord,

dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun

wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld

door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en

de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de

kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of

soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden.

De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door 't nachtelijk

duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige

altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur--en alles wat

er verder voor het offer noodig was.

Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom

lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den

nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de

ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet,

openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.

Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand

van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst,

dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een

oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de

rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon

zijn dan de oude Sibylle.

Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die

oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet

bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. "Zij

is het," fluisterden ze elkaar toe, "die zooveel jaren telt als er

zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist

vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer

en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der

boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen,

aan wie ze zijn afgezonden?"

Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het

voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging

gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat

aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand

over de oogen, uit in den nacht.

Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel

in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.

Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?

Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis

was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte,

wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden

ze niet hooren. Maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude

zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos.

Christuslegenden(#44506) · 第 4 / 28 题