II.

Deze zoo treurige herinnering, ziehier wat ze mij weer in het geheugen

heeft gebracht.

Wij woonden, 's zomers, op een buitentje. Een afgezonderd plekje,

verloren in de velden, in 't midden van de rijke Vlaamsche velden: een

wit juweeltje tusschen 't weelderige groen, dat door de vier opene

vensters van de eenige verdieping, als door bewonderende oogen, naar den

verrukkelijken omtrek scheen te kijken. Het was er groen, groen, men zag

er niets anders dan groen; alleen aan het uiteinde van den boomgaard was

een boerenhuisje: een hoevetje met herberg, dat aan den zoom van den

landweg stond, en welks huurder--half opzichter half tuinman--het

eigendom gedurende onze afwezigheid oppastte.

Hij heette Adams. Het was een man van een vijftigtal jaren, een goedig,

bolrond, blozend aangezicht, altijd tevreden en glimlachend; en zóó

beleefd, zóó dienstwillig, dat wij hem, daarom alleen, reeds genegen

waren. Zijn vrouw, geelbleek van gelaatskleur, met een ronden mond en

groote, zwarte oogen, arbeidde van den morgen tot den avond; de zoon,

een lange, magere, achttienjarige knaap, was steeds zijn vader

behulpzaam; het meisje, thuis overbodig, woonde als dienstmeid in de

stad.

Met hun groote kloekmoedigheid en hun onverpoosd zwoegen hadden zij een

nog al aardig sommetje vergaderd. Wel brachten de herberg en het

hoevetje niet veel op, maar zij bezaten ook een andere en betere

hulpbron. Zij kochten 's zomers allerhande fruit van de boeren in den

omtrek en verzonden dit in groote hoeveelheid naar de Londensche markt.

Dat was het tijdstip van buitengewoon ruwen arbeid. Van vóór twee ure 's

morgens af waren zij op, en, na een kort ontbijt, bestaande uit een kop

zwarte koffie en een roggesmouterham, gingen vader en zoon op weg. Reeds

met den dageraad kwamen zij op een of ander verre hoeve aan, en klommen

er in de boomen, om het fruit te plukken. Den ganschen dag, tot den

invallenden nacht, werkten zij door. De vermoeidheid maakte hun lendenen

stram; zij konden soms, van de hevige pijn in den nek, het hoofd niet

meer bewegen; vaak moesten zij, als in een duizeling, even de oogen

sluiten, en zich krampachtig, met de beide handen, aan de takken

vasthouden, om niet naar beneden te storten. Zij gebruikten hun

maaltijden op de hoeve waar zij het fruit plukten, aan de

gemeenschappelijke tafel van meesters en dienstboden; en 's avonds

bracht de wagen van den boer hun het geplukte ooft naar huis, in groote

teenen korven. Nog andere wagens, karren, kruiwagens en manden kwamen

aan, allen beladen, óverladen met fruit; en het wegen begon. Na het

wegen de sorteering, het pakken in kleinere korfjes en kistjes. Daarna

de verzending met wagens naar 't naburig spoorwegstation. Zelden

gebeurde 't, dat zij vóór elf uur te bed lagen, om den volgenden morgen,

van vóór twee uur, weer op te staan.

En, den ganschen zomer door, behalve korte tusschenpoosjes rust, ging

het zoo voort. Eerst waren het de kersen, dan de vroege peren, daarna de

krieken en de pruimen, eindelijk de groote pluk der late peren en der

appels, die weken duurde. Dan werden zij vaak van oververmoeidheid ziek,

en verloor hun lichaam, na enkele weken, twintig, dertig pond van zijn

gewicht. Maar zij verdienden een weinig geld, enkele honderden franken,

somtijds een duizend, en dat vergoedde alles. Zeker waren er ook wel

jaren, dat zij niets verdienden, dat zij zelfs geld verloren: dat hing

af van de min of meer gelukkige uitkomst der speculatie. Want een weinig

speculeeren moest men toch: de boomgaarden werden doorgaans bij den hoop

verkocht, na den bloei, als de vruchten begonnen te zetten en reeds een

vermoedelijk denkbeeld van de opbrengst konden geven. Zoo niet, dan kwam

er een concurrent, die u het gras voor de voeten wegmaaide.

Wat de verkoop betrof, dat was het onbekende! De vruchten vertrokken

naar den vreemde, naar Engeland, naar die reusachtige markt van Londen,

welke die eenvoudige menschen zich voorstelden als een soort van nooit

verzadigde en almachtige veelvraat, die hen door een gril rijk kon

maken, die hen door een gril kon ruïneeren. Er was daar een agent, een

heer, dien zij nooit gezien hadden, maar die alles aanvaardde wat men

hem stuurde, en die dan een rekening van verkoop en geld afzond: een

rekening die zij blindelings moesten gelooven, een somma die zij zonder

beroep in betaling moesten aannemen. O, veel liever zouden zij op een

andere wijze onderhandeld hebben, veel liever hadden zij ten minste

willen weten aan wien ze verkochten, om zoo niet, als met handen en

voeten gebonden, overgeleverd te zijn aan de willekeur eener

onpersoonlijke almacht, aan de grillen van een onbekenden en almachtigen

veelvraat. Maar 't was onmogelijk: in Vlaanderen bestaan er niet, zooals

in Frankrijk, ciderfabrieken; de overtollige vruchten moeten er wel in

den vreemde verkocht worden. En er is maar een enkel ernstig débouché:

Londen.

Londen--de Veelvraat--dicteert zijn voorwaarden, en het nederig

handelaartje onzer streken aanvaardt ze, gedwee, uit noodzaak

onderworpen.

Welnu, dat jaar was de bloei der fruitboomen, begunstigd door een

heerlijk zacht weer, gansch buitengewoon geslaagd en overvloedig. Adams

en zijn zoon, op weg langs de zonnige velden, zagen ten allen kante de

hoevedaken onder de reusachtige, wit-en-roze bloemtuilen der boomgaarden

verdwijnen; en, bij het gezicht van die overtollige prachtweelde door

een soort schrik bevangen, zeiden zij tot elkaar: "Loaten wij zeer

veurzichtig zijn, loaten wij niets biên dan zeer loage prijzen." En zij

boden buitengewoon lage prijzen, die de boeren van de hand wezen. Doch

deze, van lieverlede ook beangstigd door den ongeloofelijken overvloed,

dien dat jaar scheen te belooven, bedachten zich even, bediscuteerden de

geboden prijzen, poogden een weinig meer te krijgen, eindigden met den

koop toe te slaan. In enkele weken tijds kocht Adams zoo zijn ganschen

voorraad in.

En elken dag, naar huis komend door de betooverende velden, sprak hij

als volgt, met zijn zoon:

- 't Es woar, den bloei es buitengeweun overvloedig en scheune geweest,

en 't fruit hé gespoand[1] onder de beste veurwoarden, moar loat nou 'ne

kier 'n nachtelijke vust[2] komen, of 'ne storm, of 'n hoagelbuie, en ge

zilt de jonge vruchten zien vallen lijk deude vliegen, mee duuzenden en

duuzenden, van iederen beum. As da gebeurt, as 't fruit, in den tijd van

de leveringe, moar zijn geweune prijs goat, es 't 'n fortune veur ons.

Op zijn irgste genomen, al was euk d' opbrengste zeu overvloedig as ze

moar en kan, zal 't toch nog altijd 'n geweun goe joar veur ons blijven,

't en kan nie anders. Noeit en zal de moarkt doalen onder de prijzen

woartoe da w' ons verbonden hên. In elk geval was 't toch de moeite

weird de kanse te woagen. 'T en spijt mij niet da 'k het gedoan hê."

Uit Vlaanderen · 第 38 / 40 题