Deze zoo treurige herinnering, ziehier wat ze mij weer in het geheugen
heeft gebracht.
Wij woonden, 's zomers, op een buitentje. Een afgezonderd plekje,
verloren in de velden, in 't midden van de rijke Vlaamsche velden: een
wit juweeltje tusschen 't weelderige groen, dat door de vier opene
vensters van de eenige verdieping, als door bewonderende oogen, naar den
verrukkelijken omtrek scheen te kijken. Het was er groen, groen, men zag
er niets anders dan groen; alleen aan het uiteinde van den boomgaard was
een boerenhuisje: een hoevetje met herberg, dat aan den zoom van den
landweg stond, en welks huurder--half opzichter half tuinman--het
eigendom gedurende onze afwezigheid oppastte.
Hij heette Adams. Het was een man van een vijftigtal jaren, een goedig,
bolrond, blozend aangezicht, altijd tevreden en glimlachend; en zóó
beleefd, zóó dienstwillig, dat wij hem, daarom alleen, reeds genegen
waren. Zijn vrouw, geelbleek van gelaatskleur, met een ronden mond en
groote, zwarte oogen, arbeidde van den morgen tot den avond; de zoon,
een lange, magere, achttienjarige knaap, was steeds zijn vader
behulpzaam; het meisje, thuis overbodig, woonde als dienstmeid in de
stad.
Met hun groote kloekmoedigheid en hun onverpoosd zwoegen hadden zij een
nog al aardig sommetje vergaderd. Wel brachten de herberg en het
hoevetje niet veel op, maar zij bezaten ook een andere en betere
hulpbron. Zij kochten 's zomers allerhande fruit van de boeren in den
omtrek en verzonden dit in groote hoeveelheid naar de Londensche markt.
Dat was het tijdstip van buitengewoon ruwen arbeid. Van vóór twee ure 's
morgens af waren zij op, en, na een kort ontbijt, bestaande uit een kop
zwarte koffie en een roggesmouterham, gingen vader en zoon op weg. Reeds
met den dageraad kwamen zij op een of ander verre hoeve aan, en klommen
er in de boomen, om het fruit te plukken. Den ganschen dag, tot den
invallenden nacht, werkten zij door. De vermoeidheid maakte hun lendenen
stram; zij konden soms, van de hevige pijn in den nek, het hoofd niet
meer bewegen; vaak moesten zij, als in een duizeling, even de oogen
sluiten, en zich krampachtig, met de beide handen, aan de takken
vasthouden, om niet naar beneden te storten. Zij gebruikten hun
maaltijden op de hoeve waar zij het fruit plukten, aan de
gemeenschappelijke tafel van meesters en dienstboden; en 's avonds
bracht de wagen van den boer hun het geplukte ooft naar huis, in groote
teenen korven. Nog andere wagens, karren, kruiwagens en manden kwamen
aan, allen beladen, óverladen met fruit; en het wegen begon. Na het
wegen de sorteering, het pakken in kleinere korfjes en kistjes. Daarna
de verzending met wagens naar 't naburig spoorwegstation. Zelden
gebeurde 't, dat zij vóór elf uur te bed lagen, om den volgenden morgen,
van vóór twee uur, weer op te staan.
En, den ganschen zomer door, behalve korte tusschenpoosjes rust, ging
het zoo voort. Eerst waren het de kersen, dan de vroege peren, daarna de
krieken en de pruimen, eindelijk de groote pluk der late peren en der
appels, die weken duurde. Dan werden zij vaak van oververmoeidheid ziek,
en verloor hun lichaam, na enkele weken, twintig, dertig pond van zijn
gewicht. Maar zij verdienden een weinig geld, enkele honderden franken,
somtijds een duizend, en dat vergoedde alles. Zeker waren er ook wel
jaren, dat zij niets verdienden, dat zij zelfs geld verloren: dat hing
af van de min of meer gelukkige uitkomst der speculatie. Want een weinig
speculeeren moest men toch: de boomgaarden werden doorgaans bij den hoop
verkocht, na den bloei, als de vruchten begonnen te zetten en reeds een
vermoedelijk denkbeeld van de opbrengst konden geven. Zoo niet, dan kwam
er een concurrent, die u het gras voor de voeten wegmaaide.
Wat de verkoop betrof, dat was het onbekende! De vruchten vertrokken
naar den vreemde, naar Engeland, naar die reusachtige markt van Londen,
welke die eenvoudige menschen zich voorstelden als een soort van nooit
verzadigde en almachtige veelvraat, die hen door een gril rijk kon
maken, die hen door een gril kon ruïneeren. Er was daar een agent, een
heer, dien zij nooit gezien hadden, maar die alles aanvaardde wat men
hem stuurde, en die dan een rekening van verkoop en geld afzond: een
rekening die zij blindelings moesten gelooven, een somma die zij zonder
beroep in betaling moesten aannemen. O, veel liever zouden zij op een
andere wijze onderhandeld hebben, veel liever hadden zij ten minste
willen weten aan wien ze verkochten, om zoo niet, als met handen en
voeten gebonden, overgeleverd te zijn aan de willekeur eener
onpersoonlijke almacht, aan de grillen van een onbekenden en almachtigen
veelvraat. Maar 't was onmogelijk: in Vlaanderen bestaan er niet, zooals
in Frankrijk, ciderfabrieken; de overtollige vruchten moeten er wel in
den vreemde verkocht worden. En er is maar een enkel ernstig débouché:
Londen.
Londen--de Veelvraat--dicteert zijn voorwaarden, en het nederig
handelaartje onzer streken aanvaardt ze, gedwee, uit noodzaak
onderworpen.
Welnu, dat jaar was de bloei der fruitboomen, begunstigd door een
heerlijk zacht weer, gansch buitengewoon geslaagd en overvloedig. Adams
en zijn zoon, op weg langs de zonnige velden, zagen ten allen kante de
hoevedaken onder de reusachtige, wit-en-roze bloemtuilen der boomgaarden
verdwijnen; en, bij het gezicht van die overtollige prachtweelde door
een soort schrik bevangen, zeiden zij tot elkaar: "Loaten wij zeer
veurzichtig zijn, loaten wij niets biên dan zeer loage prijzen." En zij
boden buitengewoon lage prijzen, die de boeren van de hand wezen. Doch
deze, van lieverlede ook beangstigd door den ongeloofelijken overvloed,
dien dat jaar scheen te belooven, bedachten zich even, bediscuteerden de
geboden prijzen, poogden een weinig meer te krijgen, eindigden met den
koop toe te slaan. In enkele weken tijds kocht Adams zoo zijn ganschen
voorraad in.
En elken dag, naar huis komend door de betooverende velden, sprak hij
als volgt, met zijn zoon:
- 't Es woar, den bloei es buitengeweun overvloedig en scheune geweest,
en 't fruit hé gespoand[1] onder de beste veurwoarden, moar loat nou 'ne
kier 'n nachtelijke vust[2] komen, of 'ne storm, of 'n hoagelbuie, en ge
zilt de jonge vruchten zien vallen lijk deude vliegen, mee duuzenden en
duuzenden, van iederen beum. As da gebeurt, as 't fruit, in den tijd van
de leveringe, moar zijn geweune prijs goat, es 't 'n fortune veur ons.
Op zijn irgste genomen, al was euk d' opbrengste zeu overvloedig as ze
moar en kan, zal 't toch nog altijd 'n geweun goe joar veur ons blijven,
't en kan nie anders. Noeit en zal de moarkt doalen onder de prijzen
woartoe da w' ons verbonden hên. In elk geval was 't toch de moeite
weird de kanse te woagen. 'T en spijt mij niet da 'k het gedoan hê."