Heden is mij een zoo treurige herinnering in het geheugen weêr
gekomen....
De gebeurtenis, welke er aan verbonden is, dagteekent van vóór enkele
jaren reeds, doch de indruk was toen zóó sterk, dat er nog niets van in
mijn geest is weggebleekt.
't Was op een brandend heete zomerdag, in Castle-Garden.
Castle-Garden...! Dat enkel woord, voor wie de plaats kent, is één
gruwbare epos van menschelijke smart en ellende...!
Het is, aan 't zuidenuiteinde van New York, gansch aan de uiterste punt
van Manhattan-island, een lage hoop vuilroode gebouwen, met, in het
midden, een soort van ronden, breeden, er uit oprijzenden koepel met
zinken dak, gelijk aan de rotonde van een circus.
De golven der baai, onophoudelijk omgeroerd door het rusteloos heen en
weer zwerven der ontelbare stoombooten van alle grootte, klotsen er dag
en nacht tegen de met druipend zeegras bedekte kade en wanden aan. Vóór
den ingang dier gevangenis der Ellende ligt Battery-Park: een ruim rond
grasperk, beplant met enkele boomen en versierd met enkele bloembedden,
en doorkruist in zijn midden door het lang zwart ijzeren staketsel der
luchtspoorbaan, die daar komt eindigen. Hier en daar zijn kronkelwegen
van bleek asphalt, aan den rand van welke, op ongemakkelijke ijzeren
banken, schaarsche bezoekers zitten te mijmeren, te lezen of te
sluimeren, het door de bries verfrischte gezicht naar den oceaan
gekeerd. Castle-Garden, sinds enkele jaren verlaten voor een
menschelijker oord, was toen nog de plaats waar de landverhuizers
ontscheepten.
Ik had een aanbevelingsbrief voor een tolbeambte; die in dienst was bij
't bureel van Landverhuizing, een Zweed, die mijnheer Waldorf heette.
Hij ontving mij op eene zeer vriendelijke wijze en deed zijn best om mij
alles te toonen wat mij kon belang inboezemen. Het was een kort blond
ventje van een dertigtal jaren, met levendige blauwe oogen, buitengewoon
vlug en soepel in zijn bewegingen, hommelend van bedrijvigheid,
tegelijkertijd antwoordend op tien verschillende vragen, snellend in
't midden van een joelend geraas om een bevel te geven, glimlachend weêr
tot mij komend met een woord uitlegging, onophoudelijk gezweept, geschud
door die buitensporige levenstrippeling, door die ongehoorde
amerikaansche "hurry," waarvan geen voorbeeld noch vergelijking, in onze
europeesche toestanden, eene gedachte kan weêrgeven.
- Al right! gij komt juist van pas!" riep hij mij als welkomstgroet toe.
"Gij zult de landverhuizers der Columbia zien ontschepen, er zijn er
over de twaalfhonderd. Intusschen, komaan, gij hebt een kwartier tijds
om te zien en te bestudeeren wat ons nog overblijft als s t o c k."
Dadelijk was hij een donkere, slijmerig-vochtige trap opgesneld. Ik
volgde hem, kwam hijgend op een portaal, waar hij mij reeds wachtte. Een
deur was daar, waarachter zich een dof en aanhoudend gegons liet hooren.
Hij duwde die open.
Gemengd met wild gedruisch sloeg ons een walm van walglijke bevangenheid
in 't gezicht. Wij traden binnen.
't Was een enorme ronde zaal,--het binnenste van den circusvormigen
toren--met vuile, zwarte, naakte wanden, te nauwernood verlicht door
hoog-stekende, langwerpig-vierkante valraampjes; een soort van kuil, die
dreunde van beweging en lawaai, en waaruit walmde een
onvergetelijk-walgwekkende stank, die speciale tusschendekstank, mengsel
van bedorven zeewater en rans geworden desinfecteerstoffen, waarvan de
duizenden en duizenden, dagelijks daar aankomende landverhuizers, het
afschuwelijk gebouw overdoordrongen hadden. Houten staketsels, zooals
die waarachter in de slachthuizen, het vee geborgen wordt, verdeelden de
nare zaal in talrijke kompartimenten; in 't midden, op een breed
vierkant plankenvlak van twee voet hoogte en omringd door een
balustrade, wemelden, rondom hooge lessenaars en hooge stoelen, talrijke
bedienden en policemen: het bureau.
En, achter al die andere afsluitingen, precies gelijk kudden slachtvee
in hokken, waren er menschelijke schepsels.
Hier, een onnoemelijk gekrioel: mannen, vrouwen, kinderen, overhoop en
ondereen, smerig, halfnaakt, in lompen; daar, geheele, plat ten gronde
neergevleide hoopen, hoopen beweginglooze, haast levenloos uitgestrekte
lichamen met ontvleesde gezichten, met donkere, van koorts glinsterende
oogen, onder dikke, zwarte haarbossen. Enkelen waren luidruchtig,
opgewonden, met knarsend gevloek en woedende gebaren; anderen lachten,
spotten, den blik uitdagend, de bovenlip minachtend opgekruld, in een
grijnslach van bijtend-gesloten, wreedaardig-schitterende tanden. Er
waren mooie jonge vrouwen, matbleek van gelaatskleur onder de onreinheid
harer huid, met prachtige lichaamsvormen en vorstelijke houding; er
waren er oude en gerimpelde, geel gelijk verdroogde kwee-appels, met
hakende vingers, met den zwart-scherpen snuit eener rat of steenmarter.
Ik zag een man, klein en zwart, geheel alleen in zijn hok als een
gevaarlijk beest in een geïsoleerde kooi, in stom-roerloos-gebukte
houding op een houten blokje zitten, naast de traliën van het staketsel.
Hij had mij noch gezien noch hooren naderen, maar in de donkerder
schaduw, welke mijn gestalte over zijn hok verspreidde, hief hij even
't hoofd op, en door de houten latten ontwaarde ik een afzichtelijk gelaat,
een echte chimpanzéstronie, met platten neus en een baard, die haast tot
aan de oogen reikte: ronde, roodrandige oogen, die
vaalglinsterend-loensch naar mij opkeken, met een onvergetelijke
uitdrukking van haat en schrik.
Dit alles was de s t o c k, zooals de kleine Zweed het op echt
Amerikaansche wijze noemde. Het waren de zieken, de mismaakten, de
verminkten, de misdadigers. Het waren vooral deze die van alle middelen
tot bestaan ontbloot, en ook deze die, in tegenstrijdigheid met de wet,
onder arbeidskontrakt in Amerika gekomen waren. Het waren, met één
woord, al degenen, aan wie de vrije toegang tot het land der
millionnairs geweigerd werd, en die daar wachtten, in de verworpenheid
en in het lijden, in een afgrijselijke gemeenschap van misdaad en
ellende, totdat de bevoegde overheid over hun lot beschikte.
* * * * *
Langzaam, het hart gekneld als in een klauw van afschuw en van
medelijden, den zakdoek op den mond om mijn walging te bedwingen, liep
ik, tusschen de smalle gangen langs de staketsels, bleef er staan, keek,
tusschen de latten, naar de akelige, zwarte krielingen van lichamen,
waaruit voortdurend een lang en dof gemurmel opsteeg, nu en dan
overschreeuwd door een kreet, door een vloek, door een grijnzenden
schaterlach. De Zweed, een oogenblik vrij, was weer bij mij gekomen, en
vergezelde mij, korte, vlugge uitleggingen gevend. En, zoodra de
rampzaligen hem herkend hadden, kwamen zij, evenals gevangen beesten die
zich hunkerend aan de staven hunner kooi vastklampen, wanneer de wachter
met de levensmiddelen nadert, elkaar verdringen langs de hokken, om met
hem te spreken. Enkelen reikten stenend de hand uit, het hoofd scheef en
den blik smeekend, als bedelaars die om een aalmoes vragen; anderen
balden de vuist naar hem, met dofbrommende verwenschingen, en oogen
zwart van haat en wraaklust. En allen hadden hem 't een of 't ander te
zeggen: doorgaans langdradige, ingewikkelde verhalen; duistere,
onsamenhangende klachten, die zij met vlugge woorden uitten, in alle
mogelijke idiomas, terwijl zij ons stap voor stap volgden, achter het
latwerk der staketsels.
Hij, opgeruimd en levendig, vergenoegde zich met hen te antwoorden door
een welwillenden glimlach, door een verzoenend hoofdgeknik en soms
enkele korte woorden, maar zonder eenmaal stil te blijven staan, zonder
zich eenmaal boos te maken over de beleedigingen, of zich te laten
ontroeren door de smeekbeden, onverschillig geworden door het dagelijks
aanschouwen van al die ellenden, gewend aan de tergende halsstarrigheid
van al die voortdurend herhaalde klachten en verwenschingen.
En plotseling, als wij aan het verste uiteinde der zaal gekomen waren,
wipte hij op een bank en keek door een der hooge valramen, die uitzicht
hadden op de zee. Hij slaakte een kreet, sprong haastig weêr beneden,
en, mij driftig bij den arm grijpend:
- My God! daar landt reeds de eerste lichter der _Columbia!_" "Hurry up!
Komt spoedig binnen in 't bureau, gij zult de landverhuizers zien
ontschepen!"
* * * * *
Het onvergetelijk schouwspel....!
Joelend, in dicht opeengeperste horden, de zoldering dreunend onder hun
aanhoudende kudden-getrappel, kwamen zij, langs een onzichtbare trap,
als stegen zij uit de zee zelve, op den achtergrond van de immense, nare
zaal te voorschijn, in een luidruchtigen, ononderbroken vloed. Het was
een verbluffende, verbijsterende kakelbontheid van kleederdracht en
typen, de populaire typen en kostumen van het gansche oud Europa en
zelfs van een deel van Azië. Frischblanke Iersche vrouwen, met ruime,
groen- en zwartgeruite plaids over haar lompen; bruingebrande Italianen,
met hun schilderachtige, door de zon verkleurde plunje, ten toon
spreidend, als een glorie, de gaten hunner drapeerende mantels; blonde
Russen met puntige astrakanmutsen; dikke Hongaarsche vrouwen met
rijkkleurig-gestikt voorschoot en overvloedige sieraden van klatergoud,
met korte rokken en kloeke hooge manslaarzen. Er waren geelbleeke
Poolsche joden, wier bovenmatige gekromde neus hun aangezicht convex
maakte; er waren mooie, mooie Zeeuwsche meisjes, frisch gelijk kersjes
in melk, in haar wit kapje met kanten vleugeltjes en haar bont, over de
borst gekruist halsdoekje, dat lichtkens haren hals ontblootte. Een
soort verbluftheid hield hen allen even bij hun intrede een poosje als
verloren stilstaan, de oogen, nog vol van den weerglans der golven,
weifelend in de akelige schemering, de aan reine zeelucht reeds gewende
longen stikkend in de walglijke benauwdheid van de nare zaal, tot zij,
vooruitgedreven door de tolbeambten en policemen, verder doordrongen,
beladen met pakken, valiezen en arbeidsgereedschap, langs de smalle
gangen tusschen de staketsels, waarachter de opgezweepte gevangenen met
sterkere geluiden, met kreten als van dieren, als 't ware een gejoel van
opstand lieten hooren.
Zoo kwamen zij aan 't bureau. Dáár, langs beide zijden stil gehouden
vóór een ijzeren draaiboom, werden zij door de agenten der
landverhuizing ondervraagd:
- Uw naam? Uw ouderdom? Van welk land? Waar gaat gij heen? Welk is uw
vak of ambacht? Niet door kontrakt verbonden? Bezit u geld? Hoeveel?"
Die vlugge vragen, geformuleerd in allerhande talen, wisselden af met de
antwoorden, in 't midden van een oorverdoovend geraas. Toen knarste de
draaiboom, en de landverhuizer, voldoende aan de eischen der
Amerikaansche wet, stapte vrij door, 't gelaat stralend van vreugd, naar
den uitgang, waar verwanten en vrienden hem wachten.
Maar somtijds bleef de draaiboom vast gesloten en stapte de
landverhuizer niet door. Een kort, levendig gesprek ontstond in
't Engelsch tusschen tolbeambten en policemen; papieren, registers werden
geraadpleegd; men wenkte den rampzalige, die onthutst wachtte, binnen in
't bureau. En, 't oogenblik daarna, doorgaans na een zeer korte
woordenwisseling, leidde een reusachtig policeman hem in een der
afsluitingen, achter het staketsel, bij 't overige van den s t o c k.
Ten hoogste ontroerd en geïnteresseerd hield ik mij naast den kleinen
Zweed, dicht bij den linkerdraaiboom. Hij scheen zichzelven te
vermenigvuldigen, hij huppelde rechts en links, trillend van
oplettendheid en bedrijvigheid, elk oogenblik een lijvig pak papieren:
de dossiers der landverhuizers die aangehouden moesten worden,
raadplegend. En, opgewekt en levendig als hij daar stond, had men kunnen
denken dat hij die overweldigende taak tot zijn louter genoegen
verrichtte. Van tijd tot tijd, tusschen twee vragen, wisselde hij
kwinkslagen met zijn ambtgenooten; en telkens wanneer een mooi meisje,
wier papieren in orde waren, te voorschijn kwam, hield hij haar even
staan om haar onder de kin te streelen, en haar schertsend, met geruste
vermetelheid en een flikkering van ondeugende begeerte in de oogen toe
te roepen: "O, gij, kunt gerust zijn. Als men er zoo uit ziet en
't verstand heeft zijne ware te doen gelden, hoeft men in dit land voor
geen materieelen tegenspoed bevreesd te zijn," Toen keerde hij zich om
tot mij, en schalksch knipoogend naar de mooie passagierster, die
vertrok:
- Wat voor een klucht, wat een comediespel is toch het leven!" Ziedaar
eene die haar gansche fortuin op den rug draagt, en over een jaar, met
een weinig geluk, kan zij een millionaire zijn. Oh! ik ken ze zoo goed,
die type van landverhuisster daàr! Pas daar vooral mee op! Zij weten
maar te goed hoe al te bereidwillig de Amerikaansche wet de vrouw
beschermt, en als men zich met haar een weinigje te ver durft wagen, men
huwt ze, of men betaalt de schade. En welke schade, My God! 't Is
ongelooflijk welke gelden zij soms aan rijke Amerikanen afpersen!"
Doch af en toe werd zijn vroolijk-levendig gelaat een oogenblik zeer
ernstig; hij luisterde, roerloos, de wenkbrauwen laag, met ingespannen
aandacht, naar de doffe antwoorden van een ongelukkige. Dan deed hij, na
een langzaam hoofdschudden, zijn tong klappen in een uiting van
medelijden, als bij een wanhopend geval. En, half tot mij gekeerd,
murmelde hij, in het gedruisch der zaal:
- Ziet eens, luistert eens; dit is geen comedie, 't is tragedie...."
Hij scheen gansch innig vergenoegd over, die twee door hem gevonden
termen: "comedie, tragedie," die overigens nog al juist de beide
humoristische en lamentabele zijden van het voortdurend zich voor ons
vertoonend schouwspel samenvatten; en hij herhaalde ze elk oogenblik,
met een soort kinderachtige ijdelheid, beurtelings daarmee de korte
vlugge scènes kenschetsend. Maar 't was weldra niet moeielijk vast te
stellen met wat een onheilspellende kracht de tragedie over de comedie
zegepraalde. Zij waren wel overtollig, de snaaksche opmerkingen van den
kleinen Zweed; en hoevelen gingen er niet voorbij, wier "papieren in
orde waren," maar wier angstige, ontdane gezichten, toch de opperste
rampzaligheid verrieden! Tragedie, mijnheer Waldorf, die doodsbleeke
vrouw dáár, met haar groote, holle oogen, die gij zonder een opmerking
hebt laten voorbijgaan, een kind op den arm en een andere bij de hand,
en die buiten de balustrade blijft staan, zwijmend geleund tegen een
paal van 't staketsel, om te hoesten: een holle droge, reutelende hoest,
afschuwelijk om aan te hooren! Tragedie, die andere, dáár, die jonge,
man, welke zooeven voorbij liep, den glimlach op de lippen en den glans
in de oogen, als gaande naar een geluk, en wien een tolbeambte, bij het
afroepen van zijn naam, een telegram overhandigt. Zie toch!.... hij
wordt lijkbleek.... hij waggelt,.... hij drukt de handen op zijn slapen,
als kreeg hij een slag. Ik loop er heen, ik informeer; 't is zijn vrouw,
mijnheer Waldorf, zijn vrouw, die met de kinderen op een vorig schip,
waar hij geen plaats kon vinden, vertrok, en daags na haar aankomst te
New York, aan typhus in het hospitaal gestorven is! Tragedie, die
gansche eindlooze stoet van hongerige wezens, van uitgemergelde
gestalten, van zwarte armoede! Tragedie, al die vuile lompen, al die
kleederen aan flarden, al dat arbeidersgereedschap wegend en drukkend
als kruisen, als foltertuigen op al die gebogene schouders! Tragedie,
die afgrijselijke, verpeste zaal, daverend van voetengetrappel, dreunend
van kreten, snikken en verwenschingen! Tragedie, die zee, welke het
akelig gebouw omringt, en waarvan de opkomende vloed reeds dof tegen de
fondamenten aanbuldert, als de enorme dreiging der Natuur zelve, tegen
die verdrukten van het menschdom. Neen, neen, mijnheer Waldorf, wees
toch niet grappig, niet spiritueel meer: nergens ontwaar ik hier
comedie; ik zie niets dan tragedie, sombere, sombere Tragedie....!