Heel zijn lichaam beefde en schokte, zijn mond, wijd open, slikte droog
van 't wilde hijgen, zijn oogen fonkelden als karbonkels in den nacht,
terwijl de wachter, stom van angst en gruwel, smeekende handen vouwde.
- O sloeber! sloeber!.... g' en weet nie wat er hoast gebeurd es!....
Omdat het zeulang duurde,.... en dat er toch gienen trein en kwam,....
ben ek uit mijn kerreke gekomen, en hê 'k zelve de beumen ope
gedoan!.... Moar mijn peird en was nog op de rails niet,.... of doar
komt de trein!.... 't Es er compleet van wiggeslegen!.... 'n seconde,
'n halve seconde loater en we woaren allemoal verpletterd!... Doar, in
't kerreke, zitten mijn wijf en mijn drei kinders!.... We kwoame van
'n fieste!.... van 'n fieste!...."
Onder het dekzeil waren de angstkreten veranderd in huilend gekerm en
geklaag, en ook de man, die eindelijk zijn karretje over de spoorbaan
leidde, snikte nu hevig, terwijl de baanwachter, de oogen zwart in zijn
doodsbleek gelaat, hem sprakeloos en werktuigelijk volgde, onder den
overweldigenden indruk van een echte omwenteling die in hem ontstond.
Een gevoel van oneindige, volzalige verlichting ontlastte eensklaps van
hun vreeselijke knelling, de zoolang overspannen zenuwen en spieren van
zijn gansche wezen. Hij voelde zich in eens verlost van zijn
afgrijselijke nachtmerrie, hij voelde dat de Groote Geduchte Gebeurtenis
voorbij was, dat zij langs hem heen was gestormd, vervaarlijk maar
onmachtig, meegeslingerd met den ruischenden express naar andere
bestemmingen....
Bevend en zwak, nadat hij nu voor goed de slagboomen der baan gesloten
had, had hij langs den steenweg 't karretje achterhaald, waar de man,
ietwat bedaard, zijn vrouw en kinderen was gaan terugvinden. Maar hij
kon niet meer spreken, hij kon hun niets meer zeggen om zich te
verontschuldigen of hen weer gerust te stellen. Op zijn beurt weende hij
heete tranen, uitstortend zijn geleden folteringen in 't gevoel zijner
oneindige verlichting, in de volzalige sensatie van den langen vrede en
het zacht geluk welke nu zouden komen.
De man was weer in 't karretje gestegen, had weer de leidsels in de hand
genomen. Toen deed de wachter zich geweld aan om hem toch te kunnen
zeggen:
- O, neemt 'et mij nie kwoalijk, 'k was zeu ziek. Moar nou ben ik
genezen, veur lang, veur lang genezen."
En hij stak een sidderende hand uit, welke de man, onder 't zeil,
onweerstaanbaar in de zijne drukte, een schor "goên avend" murmelend. De
vrouw en de kinderen, in een laatsten snik, gaven hem insgelijks een
groet, zacht en triestig, vol verzoening. En, op een kort-gekandanseerde
trippeldrafje, verwijderde zich het witte paardje met het witte karretje
over den eenzamen steenweg, vaag-grijzig in de nachtschaduw der
populieren,....
Terwijl de baanwachter, alleen nu in den zachten geuren-nacht, zijn
breed-ademende longen als geopend van geluk, zijn gansche wezen als
doordrongen van rust en vrede, van tijd tot tijd nog lange, diepe
zuchten van bevrijding slaakte, met halfgesloten oogen en weifelende
schreden naar zijn nederig hutteken terugkeerend....