Sinds een week was de baanwachter ziek....
Hij had niets,....geen enkel verschijnsel van een duidelijk te
karakterizeeren ziekte; hij voelde slechts een duister, vreemd-kwellend
gevoel, een groote moreele drukking gepaard met een overgroote
lichamelijke vermoeidheid; een onverklaarbare en onoverwinbare
neerslachtigheid, een pijnlijke depressie over gansch zijn wezen. Hij
sliep weinig en onrustig, hij at haast niets....
Hij was ziek van onheilspellend voorgevoel. Ziek van iets dat komen zou,
ziek van iets dat hij, smartvol, in zich voelde tot rijpheid worden. Hij
voelde de nabijheid eener groote, triestige gebeurtenis met onzekeren
afloop, een dier groote gebeurtenissen van ons leven, waarin wij telkens
dreigen om te komen; een van die stormen, die, als ze voorbij zijn
zonder ons te raken, lange poozen rust en vrede achterlaten, tot de
nabijheid eener nieuwe groote gebeurtenis zich pijnlijk weer doet
voelen.
* * * * *
Van lieverlede werd dat vaag en kwellend ongemak intenser, duidelijker.
De geduchte gebeurtenis zweefde drukkender over zijn leven, drong door
in zijn gewoonten, in zijn dagelijksche bezigheid. Hij kreeg een angst
voor zijn dagelijksche bezigheid.
Sinds meer dan twintig jaar was hij baanwachter aan een spoorweg, langs
een lijn met druk verkeer, op een plaats, waar een steenweg over de
rails kruiste. Het was er een eenzaam, afgezonderd plekje, als verloren
midden in de groene velden, dicht bij een bocht der baan. Op korten
afstand, langs den steenweg, stond het armzalig hutteken van leem en
stroo, waarin hij met zijn vrouw en kinderen woonde; vlak naast de
spoorbaan was het houten blokhuisje, waarin hij, overdag, in de
tusschenpoozen van zijn werk, somtijds een rust--of--schuilplaats zocht.
En hij die, meer dan twintig jaren lang, zonder de minste emotie,
zooveel duizenden treinen had zien voorbijsnellen; hij die, zooveel
duizenden keeren, zonder de minste vrees of onrust, de witgeverfde
slagboomen welke de spoorbaan van den kruisenden steenweg afzonderden,
had gesloten en geopend, somtijds zelfs, in de sleur der gewoonte, de
voorschriften van een zeer streng reglement over het hoofd ziende, hij
voelde zich nu sidderen van angst, telkenmale als een trein zou komen.
Instinctmatig, zonder te weten waarom, nam hij nu overdreven-nauwkeurige
voorzorgen. Hij peilde voortdurend met angstige oogen, den doorgaans
eenzamen straatweg bezoomd met populieren, en de lange spoorlijn
afgebakend met telegraafpalen; zoodra een trein uit een der naast
gelegen stations werd aangekondigd liep hij ijlings de slagboomen
sluiten; en, telkens als het reusachtig gevaarte donderend voorbij
holde, gehuld in eene stoom- en stofwolk welke naar verbrand metaal
rook, telkens vloog hij haast achterover tegen 't blokhuisje, doodsbleek
en zwijmend, met verwrongen gezicht en oogen vol tranen, alsof hij
telkens, in een toenemende, voortdurend weer herhaalde foltering, de
Groote Schriklijke Gebeurtenis, waaronder hij vernield zou worden, op
zich voelde neerstorten. Telkenmale bleef hij er, minuten lang, als
bewusteloos onder. Dan ging hij, met bevende handen, de slagboomen weer
openen, en uitgeput zakte hij neer op 't houten bankje vóór het
blokhuis, het hoofd tusschen de handen en de ellebogen op de knieën,
verzonken in een smartvolle bedwelming, onder het zangerig gesuis der
telegraafdraden, tot het elektrisch belletje hem weer deed opschrikken,
de komst van den volgenden trein aankondigend.
* * * * *
Dien avond, Pinksteravond, leed hij buitengewoon hevig onder zijn
wondere kwaal....
De dag was brandend heet geweest, ontelbare treinen waren
voorbijgesneld, menigten voerend naar de zeekust. En de baanwachter, van
's morgens vroeg reeds op zijn post, voelde zijn overspannen zenuwen
trillen en schudden, als gemarteld onder foltertuigen. Zijn gelaat was
lijkkleurig bleek onder de geelgebrande huid, zijn kleine zwarte oogen
schitterden van koorts onder de verlakte klep van zijn uniformpet met
rood bandje. Hij had den ganschen dag volstrekt niets gegeten, maar hij
had enkele glazen bier gedronken, hem door zijn vrouw in eene kruik
gebracht. Sinds vier uur 's morgens was hij daar, en zijn dienst zou
dien dag duren tot 's avonds kwart na tien, tot na den doortocht van den
laatsten sneltrein....
* * * * *
't Was negen uur. De nacht daalde, sereen en zacht, na de brandende
daghitte. Uit het bedauwde gras steeg een verkwikkende frischheid; de
korenvelden, hooger dan manslengte, dichter dan een ondoordringbaar
woud, wasemden troeblante geuren uit. De laatste locaaltrein was
voorbij; de spoorbaan, gestippeld met veelkleurige, pinkende lichtjes,
strekte zich eenzaam en verlaten uit naar het nog rood-glanzend Westen,
als naar een droom van goud.
En, van lieverlede, ondanks zijn koortsige gejaagdheid, door een
overweldigende vermoeidheid neergedrukt, ging de baanwachter zijn
slagboomen sluiten voor den nacht, en kwam hij, in de zachte schemering,
op 't houten bankje vóór het blokhuisje zitten. Hij dacht in zichzelf,
dat nu, zoo laat, zeker geen rijtuig langs den eenzamen steenweg meer
zou komen, en dat, als het toch moest gebeuren, men hem wel roepen zou,
om weer de slagboomen te openen. Het hoofd tusschen de handen en de
ellebogen op de knieën, verzonken in zijn pijnlijke bedwelming onder
't mysterieus gezang der telegraafdraden die wegstraalden in het
onzichtbare, dacht hij dat het toch beter was die uiterste voorzorg te
nemen, ofschoon 't reglement dat niet eischte.
* * * * *
En, zachtjes aan, van de bedwelming zonk hij weg in sluimering, in
bewusteloosheid...... Hij droomde.
Verwarde, onsamenhangende droomen, om de beurt triestig en vroolijk,
duistere evocatie van diep-ontroerende dingen. Belofteland van vrede en
geluk, gezien en haast bezeten in den droom; doodsangst van arme
stumperd, gebukt onder een vloek. Mijsterieuze levenskracht der ziel in
dien schijndood van het stoffelijk wezen.
Zachte vizioenen kwamen tot hem, doordrongen hem langzaam met levensheil
en vreugd, gelijk de dauw die de verzengde bladeren laafde, in de
bespiegeling der avondrust. Zwarte spoken zweefden, omgaven hem van
nacht en lijden, dronken het leven van zijn ziel, wreedaardig-zwijgend,
als het Onheil. In hem ontstond, onweerstaanbaar, de Groote Gebeurtenis
die wezen moest.
En, in zijn lijdende prostratie, voelde hij de banden van het onvatbare
en 't onbegrijpelijke met de wereldsche realiteit. Hij voelde de
onzekere gebeurtenis, welke reeds zijn ziel bezat, in wezenlijke vormen
komen, ontstaan uit de realiteit die hem omringde en die hij nochtans
niet meer zag. Het kwam hem eensklaps voor of hij stemmen hoorde,
dringende stemmen, die hem een bevel riepen. Maar hij werd niet wakker,
hij gehoorzaamde niet. In hem nu, zegepraalde de almachtige Fataliteit,
die niet heeft te gehoorzamen. In hem, in een uiterste hallucinatie, was
reeds volbracht De Gebeurtenis, De Groote Onvermijdbare Gebeurtenis, die
hij, dagen lang, ziek van angst, onwederroepelijk had voelen komen.
* * * * *
Vervaarlijke kreten schrikten hem plotseling wakker!.... Hij vloog op,
slaakte zelf, instinctmatig, een gil van angst en gruwel, terwijl hij,
als door een orkaan, tegen het blokhuisje werd omvergeslagen....
De sneltrein stormde voorbij, zwart, woest, met bliksemvlammen, in
donderend gebulder. En midden op de baan, tusschen de wijd open
slagboomen, tusschen de rails reeds, steigerde, blazend en snuivend, een
wit paardje, wild vastgehouden bij het mondstuk door een man, een
paardje dat was aangespannen aan een karretje met wit dekzeil, waar
onder uit de schrikkelijke kreten kwamen.
Nog half bedwelmd, de oogen uitgepeuld van angst in den zacht-glanzenden
nacht, was de rampzalige baanwachter toegesneld. De man, die met een
woesten duw zijn paard weer achteruitgedrongen had, schreeuwde hem toe,
met een van schrik en toorn schor-hijgende, hikkende stem:
- Sloeber!.... sloeber!.... 't es ou schuld! ge sliept!.... ge zijt
zat[1]! 'k Hé ou zien sloapen,....ou heufd tusschen ou handen!.... mee
ouwe rugge tegen 't huizeken!.... 'k Hê vruchteleus geroepen,
geschrieuwd, mee mijn zwiepe geslegen!.... ge sliept,.... ge woart
zat!.... ge 'n hêt mij nie geheurd!...."