Uit het opschrift van deze plaat gelieve men vooral niet af te leiden,
dat hier slechts sprake zou zijn van onze gewone waschsponsen; één
enkele blik op de plaat doet ons reeds zien, dat er ook wezens op
voorkomen, die zelfs in de verste verte niet op onze spons gelijken. De
=sponsen= vormen dan ook weer een groote afdeeling van het dierenrijk,
waartoe dieren van zeer verschillend uiterlijk behooren, doch die, in
hun algemeene organisatie, toch zoozeer overeenkomen, dat zij bij elkaar
moeten gevoegd worden tot één afzonderlijke hoofdgroep, die vroeger wel
tot de darmholtedieren gerekend werd, doch thans als een overgang
tusschen dezen en de oerdieren beschouwd wordt. En dus komen alle
sponsen, hoe verschillend ook van aard en van uiterlijk, toch in vele
gewichtige hoofdkenmerken met elkaar overeen, waarvan vroeger reeds het
een en ander bij de ~zoetwatersponsen~ vermeld werd (zie bladz. 25),
doch die wij thans vooraf nog even nader zullen beschouwen.
De sponsen zijn, na de oerdieren, de eenvoudigste en laagst ontwikkelde
van alle dieren, die, meer dan eenige andere groep, nog eenigszins tot
de planten naderen. Zij vertoonen geen spoor van zintuigen of van de
gewone dierlijke organen, behalve die voor de voortplanting. Deze
brengen de eitjes voort, welke, na de bevruchting, tot een jong dier
uitgroeien, dat oorspronkelijk nog zeer eenvoudig van maaksel is. Het
bestaat slechts uit een weeke, holle massa, met dikken wand, die één
groote ~uitvoeropening~, doch een groot aantal fijne ~poriën~ aan de
oppervlakte bezit, welke laatste naar fijne kanaaltjes voeren. Deze
komen alle in de gemeenschappelijke lichaamsholte uit, doch loopen
daarbij eerst door talrijke kleine holten, de zoogenaamde
„~trilkamers~”, waarin talrijke trilharen onophoudelijk in beweging
zijn en daardoor een strooming verwekken, die het water van de
ademhaling, met de aanwezige voedingsdeelen: mikroskopische plantjes of
diertjes en half vergane organische stoffen, door de kanalen naar
de centrale lichaamsholte voert. Als dan in al die holten de
ademhaling en spijsvertering hebben plaats gehad, stroomt het verbruikte
water, met de afvalstoffen, uit de lichaamsholte weer door de groote
uitstroomingsopening naar buiten.
[Afbeelding: Fig. O.
Stukje van een waschspons, met poriën, inwendige kanalen en
uitstroomingsopeningen (doorsnede).]
Zulk een dier blijft nu echter niet op zichzelf staan, doch plant zich
weer voort door ~knopvorming~. De aldus gevormde knoppen scheiden zich
echter niet af, doch blijven met elkaar verbonden en vergroeien
langzamerhand zoodanig met elkaar tot een kolonie, dat de afzonderlijke
individu’s later niet meer op het oog zijn te onderscheiden. Het geheel
van zulk een vergroeide kolonie noemen wij nu ~één~ spons, maar elke
groote uitvoeropening van deze voert uit een afzonderlijke
spijsverteringsholte naar buiten, terwijl deze anderzijds met de
talrijke kanalen en toevoerporiën in verband staan. Dit kunnen wij zien
op de afbeelding der doorsnede van een stukje waschspons in fig. O.
Van zulk een kolonie is nu onze gewone spons slechts het ~skelet~ of
~geraamte~, want aan de weeke, geleiachtige lichaamsmassa der spons
wordt meer stevigheid verleend door de afscheiding daarin van hardere
deeltjes, die bij onze waschsponsen uit een net van, door elkaar
gevlochten, ~hoornachtige~ vezels bestaat (~hoornsponsen~). Na den dood
van het dier en na het vergaan van de weeke lichaamsmassa, blijft dit
hoornachtige geraamte als onze gewone spons achter. Bij andere sponsen
bestaat dit skelet slechts uit enkelvoudige, of ook wel drie- of
vierarmige, kalknaaldjes (~kalksponsen~), soms uit hoornvezels met
daartusschen verspreide kiezeldeeltjes (~kiezelsponsen~), soms ook wel
uitsluitend uit kiezelafscheidingen (~glassponsen~), of eindelijk ook
uit zeer harde en dichte kiezeldeelen, zonder hoorn (~steensponsen~).
Van elk dezer sponsen zijn voorbeelden op de plaat aanwezig.
Tot de ~kalksponsen~ behooren de merkwaardige dieren van fig. 1
(_Sycones capillosum_), wier grondvorm een beker of gesteelde cylinder
is, met dikken wand en enkelvoudige, rechte, straalsgewijs naar de
centrale lichaamsholte voerende, kanalen en in regelmatige lagen
uitgespreide kalknaalden. Hier hebben wij een voorbeeld van het geval,
dat de afzonderlijke dieren op zich zelf blijven staan en niet tot een
kolonie vergroeien; slechts zelden zijn 4-6 individu’s, hoogstens van
onderen, door een korten steel met elkaar vereenigd. De dieren zijn 1,5
à 3 centim. lang en 2-5 millim. breed, zij hebben een witte,
zilvergrijze of bruingrijze kleur en een krijt- of gipsachtig, brokkelig
uiterlijk. Men vindt ze vooral op de vlakke kusten van den noordelijken
Atlantischen oceaan en de Noordzee, op donkere plaatsen tusschen planten
en zeeschelpen.
In fig. 2 zien wij een voorbeeld van de ~hoornsponsen~ en wel de
bekendste en voor ons belangrijkste van alle sponsen: de ~bad~- of
~waschspons~ (_Euspongia officinalis_). Levend doet deze zich voor als
een bol- of bekervormige, donkere, vleezige klomp, die van buiten met
een glimmende laag bedekt is en waarin men een groot aantal
trechtervormige uitstroomingsopeningen en velden van poriën ziet,
waarvan wij bij fig. O (bladz. 198) de beteekenis verklaard hebben. Zij
leeft vooral in de Adriatische zee en aan de kusten van Klein-Azië,
waar de sponsen „opgevischt” worden door middel van lange, viertandige
vorken, waarmee zij van de rotsen losgemaakt worden. Dan laat men ze
eenigen tijd in de lucht liggen, waardoor de eigenlijke geleiachtige
lichaamsmassa in rotting overgaat, zoodat slechts het hoornachtige
skelet, dat wij als „spons” kennen, overblijft, dat dan verder nog onder
water gekneed, uitgewasschen, soms nog gebleekt en daarna gedroogd
wordt. Den vorm van de vroegere kolonie en de aanhechtingsplaats aan den
bodem kan men aan de meeste sponsen uit den handel nog goed zien.
Den overgang van de hoornsponsen tot de glassponsen vormen de
~kiezelsponsen~, waar de hoofdmassa nog wel hoornachtig is, doch waarin
kiezeldeeltjes van den meest uiteenloopenden vorm verspreid liggen.
Hiertoe behoort de ~kurkspons~ (_Suberites massa_), fig. 3, die in de
Noord- en Middellandsche zee leeft en groote, onregelmatig vertakte
massa’s, met gladde oppervlakte, vormt. Zij zijn, na het drogen, zeer
broos en breekbaar. In de lichaamsmassa liggen tweeërlei soorten van
kiezelnaalden: langere, die aan het ééne uiteinde stomp en in het midden
verdikt zijn en andere kortere, zeer fijne. Bovendien zijn er ook
S-vormige lichaampjes voorhanden. De hoogte bedraagt 10 tot 12 centim.
Een merkwaardige spons van dezelfde afdeeling is de ~boorspons~ (_Vioa
celata_) van fig. 7, uit de Middellandsche zee, die een vertakt lichaam
bezit en zich, zooals wij op de plaat zien, in allerlei kalkachtige
steenen, schelpen en koraalriffen vastboort, zoodat de steenen geheel
doorboord worden en ten slotte uiteenvallen. Hoe dit geschiedt, is nog
niet bekend, waarschijnlijk door chemische werking. Zeker is het echter,
dat deze boorsponsen, die zeer algemeen voorkomen, een hoogst
belangrijke rol spelen bij het uiteenvallen der gesteenten en dat zij
zulks reeds in vroegere geologische tijdperken deden.
Tot deze groep der hoorn-kiezelsponsen behooren ook de
~zoetwatersponsen~, die wij vroeger ontmoet hebben (zie bladz. 25).
In fig. 6 zien wij een voorbeeld van de ~steensponsen~ (zie blz. 199),
namelijk: de ~reuzen-schorsspons~ (_Geodia gigas_) uit de Middellandsche
zee, bestaande uit een zeer vaste massa, zonder hoornvezels, doch
uitsluitend gevormd uit regelmatige, meestal vierstralige of
ankervormige kiezellichaampjes van uiterst sierlijken vorm. De
oppervlakte is zwavelgeel en bedekt door een donsachtige laag van zeer
fijne en breekbare naaldjes, die, bij het aanvatten, in de huid dringen
en gevoelige pijn veroorzaken. In de gangen en holten van deze spons
leven talrijke kreeften en ringwormen.
Van de ~glassponsen~, wier skelet ~uitsluitend~ uit kiezelnaalden
bestaat en waarvan de menigvuldigste, uiterst sierlijke vormen, de
schoonste van de geheele afdeeling, voorkomen, vinden wij op de plaat
twee soorten afgebeeld. Fig. 4 is de ~glasbuisspons~ of ~waterkanspons~
(_Euplectella aspergillum_), één der schoonste glassponsen, waarvoor men
vroeger hooge sommen betaalde, daar de eenige bekende plaats, waar men
ze vond, op een diepte van 200 meters onder den zeespiegel, bij het
eiland Cebu, één der Philippijnen, gelegen was. Door de talrijke
diepzee-expedities van de laatste 40 jaren werden de glasbuissponsen
echter ook elders in menigte opgehaald, zoodat zij tegenwoordig ook in
de kleinste verzamelingen te vinden zijn. Het lichaam der kolonie is hol
en buisvormig, met een zeefvormig deksel op de bovenste opening en het
teere kiezel-vlechtwerk van het skelet, dat, na de reiniging, glasachtig
is en een prachtige, doorschijnend witte kleur vertoont, is uit louter
tralievormig vergroeide, hoogst sierlijke kiezelnaaldjes gevormd, die
zesstralig van bouw zijn en door een kruis van drie, elkaar rechthoekig
kruisende, kanaaltjes doorsneden worden. Het lichaam van de spons is
30-40 centim. hoog, hard en broos, en het is meestal in den vorm van een
kan of drinkhoren gebogen, die naar onderen smal toeloopt. In de
inwendige holte huizen in den regel talrijke parasieten, zooals
kreeftjes, garnalen, schelpdieren en wormen. Merkwaardig is ook de
glasspons van fig. 5, de ~glasspons van Siebold~ (_Hyalonema
Sieboldiï_), wier huidskelet bestaat uit overlangsche bundels van
kiezelnaalden, die elkaar menigvuldig kruisen. Zij wordt 40 centim. hoog
en de uitvoeropening is met een onregelmatige zeefplaat bedekt, die
bijna steeds door een zeeroos (_Palythoa fatua_) bewoond wordt. Deze
glasspons was vroeger alleen uit Japan bekend, doch later is zij ook in
de Europeesche zeeën, op groote diepten, aangetroffen.
* * * * *
En om nu onze gesprekken over de dierenwereld van het water nog met een
interessante mededeeling te besluiten, vermelden wij, dat deze
glassponsen uit de diepzee de laatste overblijfselen voorstellen van een
rijke fauna uit de oudste geologische tijdvakken der aarde, die, vooral
tijdens de Jura- en de Krijtformatie, door een onnoemelijk aantal
soorten vertegenwoordigd was.