Deze dieren zijn met een breede basis aan rotsen, steenen, zeeplanten of
schelpen vastgegroeid en daartegenover ligt de ~mond~ (M), die hier dus
naar boven gericht en door een groot aantal holle ~vangarmen~ (A)
omringd is, wier holten, zooals wij bij den doorgesneden arm ter
linkerzijde zien, weer met de lichaamsholte in verband staan. Deze
laatste vertoont echter een groot verschil met die van de kwalpoliepen
en de schermkwallen, daar zij door overlangsche, straalsgewijs
geplaatste tusschenschotten (Mesenteriën), S en _S1_, in een aantal
kamers verdeeld is, wier holten (K) met de holle vangarmen samenhangen,
zoodat deze laatsten, door inpersen van water uit die holten, uitgebreid
en door uitpersen weer ingetrokken kunnen worden. Het is curieus, om in
het aquarium te zien, hoe handig de dieren die talrijke vangarmen
uitslaan en er de prooi of het aangeboden middagmaal mee grijpen.
Van boven naderen die tusschenschotten veel meer tot elkaar en zijn daar
verbonden met een soort van buis (Sch), waar de mond (M) in uitkomt en
die als een soort van slokdarm kan beschouwd worden, waardoor het
voedsel in de zoogenaamde ~maag~ komt, die hier niets anders is dan de
spijsverterende lichaamsholte. In die holte bevinden zich ook de
~eieren~ (E), welke aan den rand der tusschenschotten bevestigd zijn en
langs den minder gebruikelijken weg van den mond het lichaam verlaten,
evenals de uitwerpselen. Elk eitje groeit uit tot een afzonderlijk dier,
want de zee-anemonen leven geheel op zich zelf, dus niet in kolonies.
Toch geschiedt de voortplanting ook wel door ~deeling~, waarbij deelen
van het lichaam afgescheiden worden, die dan tot nieuwe dieren
uitgroeien. Het aantal vangarmen bedraagt, evenals dat der
tusschenschotten enz., altijd 6 of een veelvoud daarvan; bij de minste
aanraking of bij rust worden zij geheel in de lichaamsholte
teruggetrokken en dan biedt het dier een geheel ander beeld aan. De zoo
sierlijke, teere en zwellende bloem krimpt dan plotseling ineen tot een
onooglijken, vormloozen klomp, zooals kan blijken, door vergelijking van
de figuren 5, 6 en 12 op de plaat, die alle hetzelfde dier voorstellen.
De bloempoliepen van deze plaat leven op zich zelf en blijven steeds
week, zij scheiden geen kalk af en vormen geen knoppen, dus ook geen
koloniën of poliepenstokken, zooals die bloempoliepen, welke
„~koraaldieren~” genoemd worden en die wij op Plaat XIX zullen
ontmoeten.
Een zeer fraaie bloempoliep is de ~gegroefde zeeanemone~ (_Anemonia
sulcata_) van fig. 4, wier poliepachtig lichaam den vorm heeft van een
hollen cylinder, die met een breedere, ovale basis, een soort zuigende
schijf, de ~voetschijf~, op steenen, rotsen, schelpen, zeeplanten enz.
vastgehecht is, terwijl de tegenovergestelde pool, de ~mondschijf~, den
ovalen mond met den krans van voelers of vangarmen draagt. Met die
voetschijf kunnen deze vrij levendige bloempoliepen eenigszins over haar
onderlaag voortschuiven. De weeke lichaamsmassa is aan de
buitenoppervlakte met een groot aantal groeven doorsneden (vandaar de
naam), wier aantal overeenkomt met dat van de voelers, waarvan er niet
minder dan omstreeks 200, doch steeds een veelvoud van 6, aanwezig zijn.
Aan den bovenrand bevindt zich een krans van duidelijke wratten. De
kleur van het lichaam is lichtbruin tot groenachtig, de vangarmen hebben
een lichtere kleur. De lengte van het lichaam bedraagt 10, die van de
vangarmen 15 centim. Uit de eitjes ontwikkelen zich reeds in de
lichaamsholte larven, die door den mond uitgespuwd worden en dan eenigen
tijd in het vrije sop rondzwemmen, om zich daarna aan eenig vast
voorwerp vast te hechten en tot een nieuw dier uit te groeien. De dieren
leven in de Middellandsche zee en aan de kusten van West-Europa.
Uiterst sierlijk en fraai van kleur zijn ook de „~zeerozen~” tot het
geslacht _Actinia_ behoorend. Daarvan zien wij in fig. 5, 6 en 12 drie
exemplaren van de gewone ~zeeroos~ (_Actinia equina_), die, zooals uit
de afbeeldingen blijkt, nog verschillende kleuren kan vertoonen: in fig.
5 roodbruin met roode vangarmen, blauwe randwratten (de netelorganen) en
een blauwen band over den rand van de voetschijf, terwijl fig. 6 een
groen gekleurd exemplaar is en fig. 12 een roodgekleurd, met ingetrokken
vangarmen. Overigens komt de lichaamsbouw grootendeels met die van de
zee-anemone overeen. Het lichaam is zeer vleezig, ~laag~ van vorm (7
centim. breed en 5 centim. hoog), heeft een zeer breede voetschijf en
192 vangarmen van 1,5 centim. lang. Verschillende soorten van het
geslacht _Actinia_ komen op onze kusten voor.
Ook nog andere bloemen zijn in onzen dierlijken, onderzeeschen
bloementuin vertegenwoordigd. Fig. 11 stelt de fraaie ~zee-anjelier~
(_Actinoloba dianthus_) voor, die een ~hoog~ lichaam (15 centim. hoog, 7
centim. breed), met breede, van een golvenden rand voorziene, voetschijf
bezit. De talrijke vangarmen zijn kort en breed, aan den rand
franje-achtig, waardoor zij veel gelijken op de kroonblaadjes van een
anjelier. De kleur is zeer verschillend: geel, olijfgroen, oranje,
rozerood of wit. Zij leeft op klippen en steenen in de Noord- en Oostzee
en in de Middellandsche zee.
Ongemeen sierlijk, doch weer geheel anders van vorm is de ~vliezige
wasbloem~ (_Cerianthus membranaceus_) van fig. 7. Deze is meestal niet
vastgegroeid, doch heeft zich van onderen in een vleezige, van den
lichaamswand afgezonderde, dunne buis vastgezogen. De vorm is langgerekt
en slank, van boven eenigszins trompetvormig en op de mondschijf
bevinden zich twee kransen van talrijke, zeer lange (tot 35 centim.),
niet voor terugtrekking vatbare voelers, die violet zwartachtig of
rozerood van kleur zijn. De lichaamsholte eindigt van onderen in een
kleine opening, „_porus_” genaamd, die afgesloten kan worden en dit
gedeelte boort zich in het fijne zand van de kusten. Het dier komt voor
van de Middellandsche zee tot aan het Kanaal.
In de Noordzee, den Atlantischen oceaan en de Middellandsche zee komt,
op steenen, de ~zonne-zee-anemone~ (_Heliactis bellis_), fig. 13, voor,
een bloempoliep, die verschillende kleuren, van geel tot rozerood, kan
vertoonen. Het lichaam is leerachtig, 9 centim. lang en 6 centim. breed,
met een ronde, breede, gegolfde of naar onderen gebogen mondschijf, aan
wier rand de vrij talrijke, 1¹⁄₂ à 2 centim. lange vangarmen staan. De
lichaamswratten staan in overlangsche rijen en nemen naar beneden in
grootte af.
Een lieflijk en gezellig tooneeltje van eendracht, vrede en vriendschap,
dat men ook in het aquarium kan bijwonen, leveren ons de figuren 8, 9 en
10, waaraan zeer verschillende diersoorten, in de schoonste harmonie,
samenwerken. Wij zien op den bodem, in den ondersten hoek links, de
ledige schelp van een groote zeeslak, een soort van wulk of kinkhoren
(zie bladz. 128), die tot woning is uitgekozen door een levenden kreeft,
wiens scharen en pooten wij buiten de voordeur zien uitsteken, terwijl
het zachte en zeer kwetsbare achterlijf in de ledige schelp opgeborgen
wordt. Het is de ~eremiet~- of ~kluizenaarskreeft~ (_Pagurus
bernhardus_), fig. 9, ook wel „~snijder~” genoemd, die werkelijk, als
een kluizenaar, eenzaam in zijn huisje leeft en zonder die bedekking van
zijn weeke achterdeelen volkomen hulpeloos en aan de heidenen--zijn vele
vijanden--overgeleverd zou zijn. Met dat harde, geleende pantser echter
is hij genoeg „mans”, om het zich aan niets te laten ontbreken en
terwijl hij zich, met het gansche huis en toebehooren op zijn rug,
langzaam voortbeweegt, is hij, zonder gevaar voor zijn teere achterlijf,
in de gelegenheid om zooveel te rooven, als hij slechts kan. Groeit het
dier en wordt hem het huis te klein, dan trekt hij er uit en verhuist
naar een grooter slakkenhuis, waarbij hij nooit verzuimt, om, bij de
verhuizing, ook zijn „levende have” mee te nemen.
Want het merkwaardigste komt nog. Onze kluizenaar is niet zoo
eenzelvig, als het schijnt; hij leeft gezellig, wel niet met
zijnsgelijken, maar verkeert toch voortdurend in aangenaam--en vooral
hulpvaardig--gezelschap. Op het dak van zijn woning--de buitenzijde van
het slakkenhuis--zien wij, bij fig. 8, een geheele kolonie van kleine
bloempoliepjes: de ~gestekelde hydractinia~ (_Hydractinia echinata_),
diertjes van ongeveer 1 centim. hoog, met dichte kransen van vangarmen
om den mond en bruinrood van kleur, die zich uit een korstvormig
uitgebreide wortelmassa verheffen. En aan de overzijde van het
slakkenhuis zien wij nog een andere, grootere bloempoliep: de
~mantel-aktinie~ (_Adamsia palliata_), fig. 10, die een gedrongen,
kegelvormig lichaam, met breede grondschijf, heeft, dat 25 centim. lang
en 2 centim. breed is en een groot aantal vangarmen om den mond
vertoont. De kleur is van boven wit of blauwachtig wit, naar beneden in
geel en ten slotte in bruin overgaand. En het is hoogst merkwaardig, dat
deze poliep bijna nooit anders voorkomt, dan juist op die slakkenhuizen,
welke tot woonplaats van de eremietkreeft dienen. Een andere aktinie,
die ingelijks op de, door eremietkreeften bewoonde, slakkenhuizen leeft,
is die van fig. 14. Zij behoort ook tot het geslacht ~Adamsia~ (_Adamsia
Roteletti_), is hoog van vorm (9 centim. hoog, 4 centim. breed), met een
groot aantal witte vangarmen, tot ongeveer 700 in getal. De kleur van
het dier is wit-geel, met bruine overlangsche strepen.
Wat voeren nu die poliepen op het dak van de woning uit? Een zeer nuttig
en liefderijk werk, maar waarvoor zij ook ruimschoots beloond worden. De
kreeft plaatst die dieren zelf op het slakkenhuis en zijn gehechtheid
aan dit volkje van bovenbewoners is zelfs zoo groot, dat hij, bij een
noodzakelijke verhuizing, de bovenbedoelde „levende have” geregeld
meeneemt; hij maakt de poliepen met zijn scharen voorzichtig los en
plakt ze weer boven op de nieuwe woning. En de poliepen laten zich die
kunstbewerking geduldig welgevallen en zij geschiedt blijkbaar met
onderling goedvinden.
De zaak is deze. De eremietkreeft wenscht van de netelorganen der
bloempoliepen, als verdedigingsmiddel tegen alle mogelijke vijanden,
partij te trekken; met den zoeten last op zijn rug is hij inderdaad
tegen elken aanval gevrijwaard. Maar de poliep doet dat niet gratis, zij
trekt insgelijks voordeel uit haar positie en wij zien hier, hoe ook in
de natuur een praktische „handelsgeest” tusschen verschillende
organismen bestaat: het over en weer aanbieden van hulp of bescherming,
een eerlijke ruilhandel volgens de wet van vraag en aanbod, die met een
wetenschappelijken term: _symbiose_, dat is: samenleving, genoemd wordt
(zie ook bladz. 71). Terwijl de poliep, door haar venijnige netelslagen,
de al te indringerige vijanden van den kreeft op een afstand houdt, moet
deze laatste haar den wederdienst bewijzen, haar als „rijpaard” te
dienen. Zij zit veilig en stevig op het dak van het huis en als de
bewoner ter jacht gaat, rijdt zij gratis mee en trekt partij van de
hapjes, die afvallen van den buit van den kreeft; zoo is dus de ééne
dienst den anderen waard. Daarom zoeken de poliepen ook dikwijls zelf
deze slakkenhuizen op, doch zij vestigen zich steeds op bewoonde, nooit
op ledige. Door dit handelsverdrag zijn de reizende poliepen meer
verzekerd van het noodige voedsel, dan wanneer zij, zooals haar
familieleden, onbeweeglijk aan rotsen vastgehecht waren en dus voor haar
middagmaal meer „op zien komen” moesten spelen. Men heeft dit
merkwaardige verschijnsel--waarvan in de natuur nog vele andere
voorbeelden bekend zijn--ook wel „_commensalisme_” genoemd. Inderdaad
houdt de eremietkreeft, in zekeren zin, „commensalen”, die hij kost en
inwoning--zij het dan ook maar op zijn dak--verschaft, terwijl de
kostgangers hem de verschuldigde huur betalen, in den vorm van het op
een afstand houden van vijanden door middel van haar netelorganen.
* * * * *
De overige bevolking van de fraaie waterpartij op onze plaat, bestaat
niet uit bloempoliepen, doch uit vertegenwoordigers van een geheel
andere klasse, dus van de ~vijfde~ klasse der darmholtedieren: de
=buiskwallen= of =blaaskwallen= (_Siphonophoren_), waarvan in fig. 1, 2
en 3 drie soorten afgebeeld zijn.
Zij doen ons gevallen zien van één der merkwaardigste toepassingen van
het beginsel: ~verdeeling van den arbeid~, in het dierenrijk. Terwijl
andere dieren dit beginsel in toepassing brengen, door de verschillende
~organen~ van één en hetzelfde dier, elk voor zich, een bepaalde
levensverrichting te doen vervullen, zien wij hier, bijvoorbeeld bij de
prachtige, sierlijke siphonophore van fig. 3: de ~in ’t water zwevende
blaasdrager~ (_Physophora hydrostatica_), niet één enkel dier, doch een
kolonie, een ~staat~ of sociale gemeenschap van een groot aantal dieren,
die elk op zich zelf echter slechts ~één~ bepaalde levensfunctie
verrichten en eigenlijk maar uit één enkel orgaan bestaan. Hier hebben
wij dus een sociale kwal, een „~staatskwal~”, en de leden van dien staat
vervullen gezamenlijk dezelfde levensverrichtingen als anders één enkel
dier.
De larve, die uit het ei komt, bestaat hier uit niets anders dan een met
lucht gevulde, in het water drijvende, peervormige ~blaas~, waaraan van
onderen een lange, loodrechte, draadvormige ~buis~ naar beneden afhangt
Deze larve vermenigvuldigt zich door knopvorming, maar de nieuw gevormde
individu’s laten niet los, doch blijven met de buis verbonden. Aan het
boveneinde der gemeenschappelijke buis ontwikkelen zich die knoppen tot
klokvormige wezens, die geheel op kwallen gelijken, doch zij eten niet
en hebben nooit gegeten, want zij worden gratis gevoed door de
voedingssappen, die haar door andere leden der gemeenschap toegevoerd
worden door het kanaal van de lange buis, die eigenlijk een leidingsbuis
is, met voedingsbouillon voor al de dieren, die er aan bevestigd zijn.
Daarom ontwikkelen zich zelfs geen voedingsorganen--noch andere
organen--aan deze bovenste kwallen; elk van deze dieren is niets meer
dan een eenvoudige ~zwemklok~, die, door haar uitzetting en
samentrekking, de geheele kolonie voortbeweegt, zoodat de overige leden
van den staat zich daarmede het hoofd niet hebben te breken. Die
zwemklokken zijn, zooals wij op de figuur zien, in twee rijen, ter
weerszijden langs de voedingsas gerangschikt.
Lager langs dezen gemeenschappelijken steel zitten de ~voedingsdieren~,
die den vorm van zuigbuizen hebben aangenomen en op gewone bloempoliepen
gelijken; zij zijn uitsluitend belast met de zorg voor de voeding van de
geheele kolonie, verteren het, door haar opgenomen, voedsel en verzenden
het voedingssap door den hollen steel naar al de overige dieren. Maar
zij doen dan ook hun gansche leven niets anders dan eten en nog eens
eten, al het overige laten zij aan de andere leden van de gemeenschap
over en, behalve den mond en de maag, zijn alle overige organen
weggekwijnd. Verder vindt men daartusschen nog prachtig rozerood
gekleurde ~tastdieren~, die eigenlijk vervormde voedingsdieren zijn,
maar zonder mond en maag, doch met tastorganen, die voor de geheele
kolonie tasten en ook zeer lange en fraaie, vertakte gele ~vangdraden~,
die de dieren voorstellen, welke, voor den geheelen staat, met het
grijpen van den buit belast zijn, doch overigens niets anders doen.
Eindelijk zitten er onder de rozekleurige tastdieren nog
druiventrosvormige ~geslachtsdieren~, die uitsluitend voor de
voortplanting hebben te zorgen. Al deze dieren nu worden door de
zwemklokken op sleeptouw genomen en door de algemeene voedingsbuis
gevoed.
En zoo zijn al deze bijzondere individu’s van elke categorie, daar zij
zich met niets anders behoeven bezig te houden, specialiteiten in hun
eigen vak geworden. Evenals in de menschelijke maatschappij, bekleedt
hier elk individu van den staat, tengevolge van deze arbeidsverdeeling,
juist die betrekking, waarin hij ’t meest ervaren is--een staat van
zaken, die natuurlijk voor het welzijn van de gansche kolonie
buitengewone voordeden moet opleveren.
In fig. 2 zien wij een andere blaaskwal, den ~gelen paardevoet~
(_Hippopodius luteus_), aldus genoemd naar de hoefijzervormige
zwemklokken. Hier ontbreekt de luchtzak of blaas. De zwemklokken zijn in
twee rijen langs een zijas van den stam gerangschikt en vervullen tevens
de plaats van de ontbrekende dekstukken, daar de draadvormig verlengde
stam, met de daaraan hangende diergroepen, zich daartusschen kan
terugtrekken. Aan de basis van de voedingspoliepen zitten
druiventrosvormig gerangschikte mannelijke en vrouwelijke
geslachtsdieren.
Van geheel anderen aard is de blaaskwal van fig. 1, de
~schijfzwempoliep~ (_Velella spirans_), die, in vorm, eenigszins aan de
schijfkwallen herinnert. Hier is de lichaamsstam niet dun en verlengd,
doch schijfvormig afgeplat en er loopt een stelsel van kanalen door, dat
luchtholten insluit. Boven op de schijf bevindt zich een, in schuine
richting loopende, vertikale kam, die in een driehoekige punt eindigt en
het dier, als door een soort van zeil, voortbeweegt, als een spel van
den wind en de golven. Aan den onderkant van de schijf zitten de
geslachts- en de voedingsdieren, welke laatste den vorm hebben van een
enkelvoudige, buisvormige poliep, die aan haar uiteinde een mondopening
heeft, doch zonder den krans van vangarmen er om heen; in de plaats
daarvan heeft zij aan hare basis een langen, zeer samentrekbaren
vangdraad, met netelorganen. De geslachtsdieren zijn ingewikkeld van
bouw. Het geheele dier is van een prachtige indigoblauwe kleur, heeft
een lengte van 2-4 centim. en leeft in de Middellandsche zee.
[Afbeelding: XVIII.]