Evenals bij de zoetwaterpoliep van fig. F op bladz. 21, is ook bij de
kwallen de mond M naar beneden gekeerd en haar lichaam kunnen wij, als
’t ware, vergelijken met een platgedrukte zoetwaterpoliep, die dus in
een schijf of klok overgegaan is. Ook hier hebben wij twee lagen van het
buitenste lichaamsbekleedsel: een uitwendige ~huidlaag~ (_aS_), waarin
de netelorganen liggen en een binnenste ~darmlaag~ (_iS_), die de
trechtervormige lichaamsholte of maag _H_ begrenst en het voedsel
verteert, terwijl zij naar beneden in een lange buis uitloopt, aan wier
onderste uiteinde de mond ligt en die als den stok van het scherm kan
beschouwd worden; aan den rand van dien stok staan de vangarmen en hij
draagt 4 franjeachtige lappen als verlengstukken. Uit die maagholte
loopen straalvormige ~randkanalen~ (_rK_) naar den rand van het lichaam.
Tusschen de huid- en de darmlaag ligt ook hier weer de ~steunlaag~
(_St_), die bij de kwallen echter uitgebreid is tot het dikke,
geleiachtige weefsel, dat de wanden van de klok vormt. Aan den
ingesneden rand van het scherm bevinden zich talrijke ~tastdraden~;
daarvan steken er ook (bij _F_) in de trechterholte der maag uit voor
het betasten van het voedsel en die dus „~maagvoelers~” genoemd worden.
Verder zijn er nog vele ~randlichaampjes~ (_R_), die door lapjes (_L_)
bedekt zijn en waarin zenuwen eindigen, zoodat zij als zintuigen dienst
doen. _Ah_ is de ringvormige uitholling aan de onderzijde van de schijf.
De ontwikkeling van de eieren, die in den ~eierstok~ (_E_) afgescheiden
worden, is bij de klassen der holtedieren nog zeer verschillend, doch
bij de schermkwallen is zij hoogst merkwaardig. Uit het eitje ontstaat
een langwerpige larve, die, door middel van trilharen, eenigen tijd vrij
in de zee rondzwemt. Later zet zij zich vast en neemt geheel en al den
vorm van een poliep aan, zooals die van fig. F op bladz. 21. Doch als
deze volwassen is, komen er dwarse insnoeringen in den lichaamswand, die
verder doordringen en het lichaam verdeelen in een aantal ronde
schijven, zoodat het er uitziet als een stapel, in elkaar passende,
theeschoteltjes. Deze krijgen aan den rand uitwassen, die in vangarmen
overgaan en nu laat eerst het bovenste schoteltje los en verandert weer
in een gewone, vrij zwemmende kwal en achtereenvolgens volgen de overige
schijven dit voorbeeld. Deze hoogst merkwaardige afwisseling van
~verschillende~ diervormen, uit hetzelfde ei ontstaan, noemt men
~teeltwisseling~ en zij is kenmerkend voor de klasse der schermkwallen.
Bij de klasse der holtedieren, waartoe de vroeger behandelde,
zoetwaterpoliep behoort (bladz. 20), komt deze teeltwisseling niet voor,
maar toch kunnen zich daaruit bij vele soorten, ook een soort van
kwallen ontwikkelen. Wij zagen vroeger (zie bladz. 23), dat zulk een
poliep zich op tweeërlei wijze, zoowel door ~eitjes~ als door
~knopvorming~, kon voortplanten. In het laatste geval ontwikkelen zich
die knoppen somtijds tot een soort van zeer kleine kwallen, doch van
veel eenvoudiger bouw dan de, zooeven beschreven, schermkwallen, en men
noemt die klasse daarom de =kwalpoliepen=. Dikwijls blijven deze knoppen
echter voor goed met het moederdier verbonden tot een vertakten
„~poliepenstok~” en dan komen uit die knoppen weer eitjes voort.
Tot de klasse der =scherm-= of =netelkwallen= ook =medusen= genoemd,
behooren de prachtig gekleurde dieren van fig. 1, 4 en 6 op de plaat. Om
met de schoonste van de geheele familie te beginnen, zien wij in fig. 4
de ~gewone lichtende zeekwal~ (_Pelagia noctiluca_), die, vooral in de
Middellandsche zee, in het voorjaar en den zomer, in ontzaglijke scharen
rondzwemt. Zij behoort tot die soorten, waar de gelobde, franjeachtige
~mondarmen~ een wijde mondopening vrijlaten en zeer lang en bladachtig
van vorm zijn. Aan den ingesneden rand van het scherm bevinden zich 8
gelobde ~tastdraden~, die van netelorganen voorzien zijn en daartusschen
8 ~randlichaampjes~ (fig. M op bladz. 166, bij _R_), die als zintuigen
dienen en waartusschen zich weer 8 paren franjeachtige ~randlappen~
bevinden. Uit de maag ontspringen 16 wijde kanalen (fig. M, _rK_), die
als stralen naar den rand loopen.
Het scherm heeft bij dit fraaie dier een halfbolvormige gedaante, het is
tweemaal zoo breed als hoog, ongeveer 6-8 centim. in middellijn en is
aan den rand voorzien van zeer talrijke en groote, langwerpige, dicht
opeengehoopte netelwratten, die, bij het aanvatten, een sterk brandend
gevoel teweegbrengen. De randlappen zijn bijna vierhoekig, aan de
buitenzijde een weinig uitgetand. De kleur van het glasheldere scherm is
rozerood, met prachtige roode vlekken en roode tastdraden; bij het
aanraken verspreidt de oppervlakte een fraai groen licht. Op een stillen
zomeravond kan men deze kristallen zwemklokken, die dan een fantastisch
licht verspreiden, langzaam enkele centimeters zien zinken en zich
daarna eenige malen zien samentrekken, waardoor zij weer naar de
oppervlakte opstijgen.
Bij haar buurvrouw op de plaat: de ~zeepaddestoel~ of ~zeelong~
(_Rhizostoma pulmo_), fig. 1, die ingelijks de Middellandsche zee
bewoont, doch waarvan ook soorten aan onze kusten voorkomen, doen de
mondarmen zich geheel anders voor. Zij zijn hier zoodanig ~met elkaar
vergroeid~, dat, in plaats van den mond, slechts talrijke kleine
openingen tusschen die armen, als in- en uitstroomingsopeningen,
overblijven. Zij zijn 8 in getal en alleen van onderen vrij; aan hun
basis, en verder naar beneden, bevinden zich aan die armen twee kransen
van gekroesde uitwassen, waarin zich talrijke kleine taschjes bevinden,
die voor het verteren van kleine vischjes en andere diertjes dienen en
die door kanalen met de maagholte in verband staan. Het scherm is hier
tot 60 centim. breed, hoog en klokvormig, zonder rand-tastdraden, doch
aan den rand met niet minder dan 80 randlappen en 8 randlichaampjes. De
kleur van de klok zelf is prachtig melkwit of blauwwit, doorschijnend,
hier en daar fraai blauw, soms een weinig roodachtig en de randlappen
zijn blauwviolet.
Een nog eenvoudiger schermkwal is de zoogenaamde ~teerlingkwal~
(_Charybdea grandis_) van fig. 6, die een scherm heeft, dat zeer hoog
gewelfd, buidelvormig en vierdeelig van bouw is, met slechts 4
randlichaampjes. De maag is nog door vier andere maagzakjes omgeven. Het
scherm is tamelijk vast, vierhoekig, bijna teerlingvormig. Aan het
onderste uiteinde van elk der vier zijkanten hangt, van den rand van het
scherm, een lap naar beneden, die „randblad” genoemd wordt en vanwaar
weer een enkelvoudige, lange en dunne holle vangdraad afhangt. De hoogte
van het scherm is 3-4, de breedte 2-3 centim. Het komt in de
Middellandsche zee voor.
Het fraaie dier van fig. 7 heeft een geheel ander uiterlijk dan de drie
vorige. Het is een voorbeeld van een derde klasse van darmholtedieren:
de =ribkwallen=, die weer geheel anders van maaksel zijn dan de beide
vorige klassen: de kwalpoliepen en de schermkwallen. Het lichaam is hier
meer ei- of peervormig, zelden bandvormig, doch de voortbeweging van
deze, steeds vrij zwemmende, geleiachtige en doorschijnende dieren
geschiedt veel krachtiger dan bij de schermkwallen en wel: door middel
van 8 rijen van kamvormige ~zwemplaatjes~, in den vorm van overlangsche
~ribben~ geplaatst (vanwaar de naam) en die uit trilharen of trillapjes
bestaan. De ribkwal van fig. 7 is de zoogenaamde ~meloenkwal~ (_Beroë
Forskaliï_), een prachtig gekleurd dier, langwerpig trechtervormig of
ovaal en dikwijls van vrij aanzienlijke grootte.
De ribkwallen zwemmen met de mondopening naar beneden, steeds in volle
zee, en, wat haar organisatie betreft, stellen zij het hoogtepunt voor
van de afdeeling der holzakdieren en ook uiterlijk spannen zij verreweg
de kroon, daar de rijen van roeiende zwemplaatjes, die het
doorschijnende, schitterende lichaam van het dier tamelijk snel
voorwaarts drijven, zulk een wonderbaar kleurenspel vertoonen, dat men
deze dieren wel de „~briljanten der zee~” genoemd heeft. De mond eindigt
weer in een buisvormige maag, waarvan de achterste opening in den
trechter van de lichaamsholte uitkomt. Terwijl vele ribkwallen vangarmen
of vangdraden voor het grijpen der prooi bezitten, ontbreken deze bij de
meloenkwal; zij vangt de kleine vischjes of andere, kleinere ribkwallen,
waarmede zij zich voedt, door middel van uitstulpbare mondlippen. De
voortplanting geschiedt door eieren, die zich echter dadelijk tot gewone
dieren ontwikkelen; er is dus ~geen teeltwisseling~, zooals bij de
schermkwallen. Deze dieren zijn zeer beweeglijk en draaien zich behendig
in alle richtingen om, tot het grijpen van den buit, waartoe de mond,
die onbescheiden afmetingen heeft, voortdurend geopend wordt. De jonge
dieren zijn kleurloos, later worden zij prachtig rozerood.
Een andere fraaie ribkwal is de ~tweevleugelige callianira~ (_Callianira
bialata_), een zeldzaam dier in de Middellandsche zee, doch waarvan een
andere soort ook wel op onze kusten waargenomen is. Het lichaam heeft,
in doorsnede, den vorm van een rechthoek, met stompe hoeken en aan de
mondpool eenigszins versmald, is 2-3 centim. lang en van boven van twee
prachtige, zeer lange, vleugelvormige, veerachtige aanhangsels voorzien.
Het lichaam is glashelder, met rozeroode vlekken, die langs de ribben
in regelmatige rijen gerangschikt zijn. De vangdraden zijn rozerood.
Een zeer bijzonderen vorm heeft de ~Venusgordel~ (_Cestum Veneris_),
fig. 5, een der fraaiste en sierlijkste van de ribkwallen, die in de
Middellandsche zee leeft. Het volkomen doorschijnende en glasheldere
lichaam, dat in den zonneschijn in de schitterendste kleuren speelt, is
naar twee kanten buitengewoon verlengd tot een langen, platten gordel
van 1,5 meter lang en ongeveer 8 centim. breed. De randen van den gordel
zijn met trilharen omzoomd en door de beweging van deze, en tevens door
de „zwemplaatjes”, houdt het dier zich in het water zwevend of beweegt
het zich kronkelend voorwaarts. Nu eens kronkelt de band zich, in
sierlijke bochten, door het water voort, dan weer rolt hij zich bijna
geheel op, om zich vervolgens weer uit te breiden. Het is een der
fijnste en fraaiste schepselen der zee, dat vooral in de Middellandsche
zee en den Atlantischen oceaan voorkomt en zich voedt met kleine
kreeftjes.
* * * * *
Thans vraagt ten slotte nog een lid van de ~vierde~ klasse der
darmholtedieren: die der =bloempoliepen=, op deze plaat onze aandacht,
waarvan wij een groot aantal op de volgende platen zullen ontmoeten,
doch waarvan het uiterst sierlijke diertje van fig. 3: de ~bekerkwal~ of
~bekerpoliep~ (_Lucernaria Leuckarti_) een merkwaardig voorbeeld is. Dit
is echter nog geen eigenlijke bloempoliep, doch een overgang of
verbindingslid tusschen deze en de schermkwallen, want het vertoont
sommige kenmerken van beiden tegelijk. Het lichaam is bekervormig en
loopt naar onderen in een steel uit, waarmede het op andere voorwerpen,
meestal op zeeplanten, bevestigd is. De bovenrand van den beker loopt in
8 zeer korte armen uit en daarop zijn hoopjes of bundels van voel- of
vangdraden bevestigd, die hol zijn en netelorganen dragen. In het midden
van den beker komt de vierhoekige mondbuis vrij naar voren en is hier
dus naar boven gericht en voert in een maagholte met vier straalvormige
zijdelingsche maagzakken. Deze laatsten zijn slechts door smalle
tusschenschotten van elkaar gescheiden, doch aan den rand van den beker
door een ringkanaal verbonden. De beker is tamelijk diep, de steel heeft
ongeveer ¹⁄₃ van de lengte van den beker en heeft een breedere basis.
Het dier heeft een olijfgroene kleur en leeft in de Noordzee, ook aan
onze kusten.
[Afbeelding: XVII.]