Eiernest van de gewone alikruik.]

De ~tepelhoren~ (_Natica_), fig. 17, heeft een zeer dik, opgeblazen, van

onderen afgeplat en van een nagel voorzien horentje, met lage windingen

en eironde opening. De voet is bijzonder groot en bedekt, met den

omgeslagen rand van den mantel, nog een deel van den schelprand. Het

deksel is kalkachtig, de kop is van een slurf voorzien en draagt twee

kegelvormige, vorksgewijs geplaatste voelers, aan wier basis van buiten

de oogen staan. Zij komen in alle zeeën voor, een paar soorten ook aan

onze kusten en leven op zand- of slibachtigen bodem. Zij boren

schelpdieren aan, waarmede zij zich voeden.

In fig. 14 zien wij de ~schroefvormige torenslak~ (_Turritella

terebra_), aldus genoemd naar het ongemeen sierlijke huisje, dat zeer

lang en puntig is, den vorm van een torenspits heeft en schroefvormig

gewonden is. De kleur van het horentje is roodgeel of roodachtig, met

spiraalvormige strepen, een ronde monding en een hoornachtig dekseltje.

De voelers, aan wier buitenzijde de oogen zitten, zijn lang en dik,

borstelvormig, de kop eindigt in een langen, gladden snuit en de rand

van den mantel is van franjes voorzien. Het is een vleescheter, maar het

dier is zeer traag en komt slechts zelden uit zijn huisje te voorschijn;

men vindt het in alle zeeën der warme luchtstreek, een enkele soort komt

ook aan onze kusten voor.

Zeer fraaie en sierlijke huisjes zijn ook die van de ~horenslakken~

(_Cerithium_), fig. 18, waarvan talrijke soorten bestaan, die zoowel in

de zee als in brak water leven. Ook hier is het langwerpige, spitse

huisje torenspitsvormig, bruin van kleur, overlangs geplooid en dwars

gestreept. De monding is klein, scheef-eivormig, met een naar links

gericht kanaal. De kop eindigt in een verlengden snuit en de oogen staan

midden tusschen de voelers. Van dit geslacht leven een aantal zeer

kleine soorten (minder dan 1 centim.) in de Noord- en Oostzee en zij

kwamen reeds in vóórhistorische tijden in zulke ongelooflijke

hoeveelheden voor, dat gansche kalksteenlagen, zooals de cerithiënkalk

en de grofkalk van Parijs, uitsluitend uit de zeer kleine horentjes van

deze versteende (fossiele) slakken gevormd zijn. Omgekeerd vindt men

onder die versteende soorten ook de grootste van alle slakken, zooals de

~reuzenhoornslak~ (_Cerithium giganteum_), die meer dan 60 centim. hoog

was en in het bekken van Parijs voorkomt.

Merkwaardige soorten van =bandtongigen= vindt men onder de familie der

~vleugelslakken~, die zoowel uitmunten door grootte, als door schoonheid

en bijzonderen vorm. Op de plaat is daarvan in fig. 16 de

~pelikaansvoet~ (_Strombus_ of _Aporrhaïs pes pelecani_) afgebeeld,

aldus genoemd naar den eigenaardigen vorm van de schelp, die aan het

uiteinde spits en torenvormig is, doch naar beneden in een handvormige,

in drie spitse vingers gespleten, lip overgaat. De oogen staan aan de

basis der borstelvormige voelers en het dekseltje is zeer klein. De

voet is, bijna onder een rechten hoek, knievormig gebogen en dit maakt,

dat de vleugelslakken niet kunnen kruipen, doch, door stootsgewijze

bewegingen van den voet, voorwaarts ~springen~. De afgebeelde soort komt

in de Europeesche zeeën, ook aan onze kusten, voor, doch de meeste

vleugelslakken leven in de warmere zeeën, waar zij vooral de

koraalriffen bewonen. De beroemdste is de ~groote vleugelslak~

(_Strombus gigas_) uit Midden-Amerika, wier schelp meer dan 30 centim.

hoog is en een fraaien rozerooden mond heeft. Deze schelpen komen in

menigte uit West-Indië in den handel ter kamerversiering en ter

omlijsting van bloemperken.

Tot dezelfde groep behoort de merkwaardige familie der

~porseleinslakken~, van welke in fig. 20 de ~slangenkop~ (_Cypraea

mauritiana_) voorgesteld is. De schelp heeft hier een zeer bijzonderen

vorm, zij is eivormig, op den rug zeer bol en de laatste winding omsluit

al de overige bijna geheel en deze zijn dus bijna niet zichtbaar. De

mond van de schelp is een lange en smalle spleet, met omgeslagen randen,

die getand of gekarteld zijn. Het langwerpige, in elkaar gerolde dier

heeft aan weerszijden een, van breede lappen voorziene, uitbreiding van

den mantel, die van binnen met draden bezet is, welke zich over de

schelp kunnen heenslaan. De voelers zijn lang, kegelvormig en op een

verdikte plek daarvan staan de oogen. Een deksel ontbreekt. Deze soort

komt in Oost-Indië voor.

Een paar andere bekende soorten spelen een niet onbelangrijke rol in de

samenleving van sommige natuurvolken. De ~getijgerde porseleinslak~

(_Cypraea tigris_), uit den Indischen oceaan, levert de schelpjes, die

onder den naam van „~katjes~” bekend zijn en die in Oost-Indië in groote

hoeveelheid in den handel komen voor allerlei sieraden en speelgoederen,

en door de inboorlingen voor het versieren van gordels, kleeren en

wapens gebezigd worden. Interessant is verder het gebruik van de

~kauri’s~ of ~muntslakken~ (_Cypraea moneta_) uit den Indischen oceaan,

die 2-3 centim. lang en geelachtig wit van kleur zijn en zoo genoemd

worden, omdat zij in een groot deel van Midden-Afrika als gangbare munt

gebruikt worden. Hoofdstapelplaats voor deze schelpjes is Zanzibar en

van daar worden zij door karavanen over geheel Afrika als munten

verspreid.

In fig. 2 zien wij de ~tonslak~ of ~patrijs~ (_Dolium perdix_), die een

buikige, tonvormige, dunne schelp heeft van 10-12 centim. hoog, met

dwarse ribben en zeer korte en stompe windingen, behalve de laatste, die

buikig en wijd en veel grooter is dan al de overige te zamen. Een deksel

is niet voorhanden. De voet is zeer groot en naar voren verbreed. De

snuit is buitengewoon lang en sterk, langer dan de schelp, de voelers

zijn dun en dragen aan de buitenzijde, niet ver van de basis, de oogen.

De kleur van de schelp is bruin geteekend. Zij komt in Oost-Indië voor.

Zeer merkwaardig is, dat deze dieren, als zij geprikkeld of vervolgd

worden, een sterk bijtend speeksel uitspuiten, waarin men meer dan 2

procent ~vrij zwavelzuur~ aangetoond heeft. Een bijzondere soort van

tonslak is het zoogenaamde ~vat~ (_Dolium galea_), de grootste slak van

de Middellandsche zee, zoo groot als een menschenhoofd, 25 centim. hoog,

met een sipho van 15 centim.

Curieuze namen draagt de tonslak van fig. 10, die wel iets heeft van een

Duitsche „Pickelhaube” en dan ook ~helmslak~ of ~stormhoed~, ook wel

~Poolsche muts~ (_Cassis testiculum_) genoemd wordt. Het huisje is

langwerpig eivormig, ongeveer 6 centim. hoog, roodachtig geel of fraai

rozerood van kleur, met roode, overdwars geplaatste vlekken en

gordelvormige strepen. De spits van de schelp is kort en puntig, de

laatste winding, met den mond, is zeer groot. Deze, en nog andere

soorten, deels zeer groote, leven in de Oost-Indische zeeën; de

prachtige vuurroode monding van de schelp wordt in Italië veel tot

valsche cameeën gesneden.

Tot de bandtongigen op de plaat behoort eindelijk ook nog de

~Tritonshoren~ (_Tritonium lotorium_), fig. 6, die een buikige schelp

van ongeveer 10 centim. heeft, welke aan de spits kegelvormig uitgerekt

is; zij is hoog en met knobbels bezet, de oppervlakte is zeer bultig,

dwars gestreept en gerimpeld, bruinachtig of geelrood van kleur; de

laatste winding is zeer groot en aan de basis is een groeve of kort

kanaal. De monding is langwerpig driehoekig, wit van kleur. De voet is

dik en breed; de snuit matig van lengte en de sipho lang. Er leven meer

dan 100 soorten van ditzelfde geslacht in de warmere zeeën, daaronder

ook een soort, die niet minder dan ¹⁄₂ meter lang is: de ~trompethoren~

(_Tritonium variegatum_), die reeds in de oudheid, en ook nog

tegenwoordig, den natuurvolken aan de kusten van den Indischen oceaan

als krijgstrompet diende. De naam is afgeleid van ~Triton~, één der

lagere zeegoden uit de Grieksche fabelleer, van boven mensch, van

onderen visch, die de golven kalmeerde door de tonen van zijn

schalmtrompet.

* * * * *

Een tweede gezelschap van kamkieuwigen zijn de =vedertongigen=, aldus

genoemd, omdat de wrijfplaat op de tong uit talrijke ~veervormige~, in

rijen geplaatste haakjes of klauwtjes bestaat. Twee soorten van deze

groep zijn, op de plaat vertegenwoordigd. Vooreerst zien wij in fig. 3,

bovenaan, een aardig en fraai horentje: de ~blauwslak~ (_Janthina

communis_), vooral beroemd door de zonderlinge wijze, waarop zij zich

ophangt en drijvende weet te houden. Dit is de eenige slak in de open

zee, die nog de posthorenvormig gewonden schelp bezit. Deze is dun,

buikig, zonder deksel, fraai violet of blauw van kleur, met grooten

mond. De voelers zijn kort, priemvormig en geringd en daaronder staan de

oogen op korte steeltjes. De voet is klein en rond, doch draagt van

achteren een zoo uiterst merkwaardig orgaan, dat het in de geheele

dierenwereld zijnsgelijke niet heeft, namelijk: een uitgebreide, uit

louter luchtblaasjes gevormde schuimmassa, die, als ’t ware, een

drijvend vlot vormt, waaraan het dier met den voet is opgehangen en op

de open zee ronddrijft (zie fig. 3). Deze blaasjes worden gevormd door

een groef in den voet, die telkens een luchtblaasje aan de

wateroppervlakte grijpt en dat met een slijmig, verhardend omhulsel

omgeeft. Zoo worden die blaasjes aan den voet en aan elkaar tot een

drijvend vlot vastgekleefd, aan welks onderzijde ook de eitjes bevestigd

worden. Deze blauwslakken, die in de Middellandsche zee en andere

soorten, die in ontzaglijke menigte in den Stillen oceaan leven, zijn

ware roofdieren, die echter, op hun beurt, in onnoemelijke massa’s, aan

de walvisschen ten prooi vallen.

De tweede vedertongige slak van de plaat is de ~echte wenteltrap~

(_Scalaria preciosa_) van fig. 13, die tot de zoogenaamde

„~perspectiefslakken~” behoort en wier wenteltrapvormig horentje puntig

en spits en geelachtig wit van kleur is. De windingen zijn, als bij een

wenteltrap, van elkaar afgezonderd en met hooge en scherpe ribben bezet.

Het dekseltje is dun en hoornachtig, de voet kort en eivormig en aan den

hals bevestigd--wel een curieuze plaats voor een voet! Op de twee dunne

voelers zijn van buiten de oogen geplaatst. Deze slak komt in den

Indischen oceaan voor, doch is betrekkelijk zeldzaam en vroeger werden

er hooge prijzen voor betaald. Een andere soort: de ~gewone~ of ~onechte

wenteltrap~, met windingen, die elkaar niet aanraken, komt in Europa,

ook aan ons Noordzeestrand, voor.

* * * * *

De thans volgende, derde groep van zeeslakken, de =smaltongigen=,

hebben, in een lange, terugtrekbare slurf, een lange en smalle tong, met

hoogstens drie rijen plaatjes, waarvan de middelste breed en aan den

achterrand met scherpe tandjes bezet zijn. Al deze slakken zijn

vleescheters en bezitten dus, volgens bladz. 119, een sipho, die in een

gleuf of kanaal of ook in een insnijding van de schelp gelegen is. De

laatste is altijd gewonden en van een deksel voorzien.

Hiertoe behooren vele bekende en deels zeer fraaie soorten. In fig. 12

zien wij de ~plooislak~ (_Voluta scapha_), genoemd naar de schuine

~plooien~ aan den rand van de spil der schelp, die tolvormig, buikig en

van boven verbreed is, met roodbruine, hoekige, overlangsche lijnen of

vlekken geteekend en zeer groot is. De voet is groot en breed, de

voelers, aan wier basis de oogen zitten, zijn driehoekig. Zij ontbreken

in Europa en leven in de tropische zeeën. Bij een andere soort: de

~muziek~- of ~notenslak~, gelijken de donkere lijnen eenigszins op

notenbalken.

Een zeer fraaie smaltongige slak is die van fig. 22, in vorm en kleur

eenigszins op een olijf gelijkend, en daarom ~olijf~- of ~dadelslak~

(_Oliva_) genoemd. Het zeer gladde en glimmende, langwerpig eironde

huisje heeft een zeer korte winding, doch een bijzonder langen en

smallen mond, met insnijding voor de sipho. De kleur is olijfgeel, met

eenige bruine golven, grootte als op de plaat, doch de ~porfierslak~ van

Brazilië wordt wel 9 tot 12 centim. Daarentegen zijn de ~rijstkorrels~

(_Oliva oryzae_), die wit van kleur zijn en in vorm en grootte aan rijst

doen denken, niet langer dan 5-9 millim. Het dier zelf heeft een kleinen

kop en de oogen staan op het midden der voelers. De voet is zeer groot

en zijn breede zijlobben kunnen om den rand der schelp naar boven

geslagen en tot zwemmen gebezigd worden. Het zijn zeer levendige, snel

kruipende dieren, die op zandige gronden in de warme zeeën leven.

Verwant aan de vorige is de ~bisschopsmuts~ (_Mitra episcopalis_) van

fig. 19, die bij de Philippijnen voorkomt. Het fraaie en zeer gladde

huisje is ongeveer 8 centim. lang, hoog en spits kegelvormig, als een

bisschopsmijter, wit van kleur, met hoogroode, in dwarse rijen

geplaatste, bijna vierhoekige vlekken. De mond van de schelp is klein,

van een uitsnijding voor de sipho voorzien. Het dier zelf is

spiraalvormig, met kleinen voet en kop, doch zeer langen slurf. Het

deksel ontbreekt. In de zeeën van Indië leven honderden soorten,

waaronder ook één, die, naar den vorm, ~pauselijke kroon~ (_Mitra

papalis_) genoemd wordt.

De ~fuikhorenslak~ (_Nassa reticulata_), fig. 15, eenigszins op een

palingfuik gelijkend en 3 centim. hoog, komt algemeen op slibgronden van

de Noordzee en de westelijke Oostzee voor en is dikwijls met kolonies

van poliepen bezet. Er is een kanaal, met diepe insnijding voor de

sipho, de slurf komt, als een roode buis, uit den mond en boort zich in

het vleesch van de prooi. Een na verwant familielid van deze slak is de

bekende ~wulk~ of ~kinkhoren~ (_Buccinum_), waarvan de fraaie en

wijdmondige, groote horens (9 centim.) veel aan onze kusten aanspoelen

en door oude visschers verkocht worden. Ook behoort tot deze groep het

~duifje~ (_Columbella mercatoria_) van fig. 11, met een ei-kegelvormig

huisje van 1,5 centim., dat dwarsgegroefd en met witte en bruine

zigzagvormige dwarsbanden geteekend is. Het kleine deksel is

hoornachtig, de voet klein en aan de geringde voelers staan de oogen.

Zij komt in den Atlantischen oceaan voor.

Als laatste voorbeeld van de smaltongigen bespreken wij nog de

interessante ~purperslak~ (_Purpura lapillus_), fig. 5, insgelijks

verwant aan de ~kinkhorens~, met een eivormig, vrij groot, dwars

gegroefd huisje, ~zonder stekels~, waardoor zij zich onderscheidt van de

stekelpurperslak (zie bladz. 110). Het huisje is groenachtig geel, met

witte banden, het gewonden gedeelte is kegelvormig, met bolle windingen

en de monding, die met een hoornachtig deksel kan gesloten worden, is

groot, met zeer kort kanaal. De voet is breed, vooruitstekend, van voren

tweelobbig. Het dier leeft in de Noordzee en heeft een „purperklier”,

wier kleurstof in de oudheid veel gebruikt werd voor het verven van

mantels en gewaden, waartoe in Tarente in Italië en in Tyrus in

Phoenicië zich talrijke purperfabrieken bevonden. Nog heden ten dage

wijst men, bij Tarente, den bezoeker den zoogenaamden „Monte-Testacea”,

dat is: den berg der schelpen, die alleen bestaat uit de schelpen van de

purperslak, welke men daar, na het uittrekken van de verfstof, sedert

eeuwen opgehoopt heeft.

Twee zeeslakken op de plaat: de ~kegelslak~ van fig. 9 en de

~schroefslak~ van fig. 21, behooren tot de vierde groep der

kamkieuwigen: de =pijltongigen=, bij welke de tong bezet is met twee

rijen lange, spitse ~pijlen~, wier steek voor de levende prooi doodelijk

is. De ~gemarmerde kegelslak~ (_Conus marmoratus_), fig. 9, heeft een

prachtig gemarmerde schelp, zwart van kleur, met ongeveer driehoekige

witte vlekken, die den vorm heeft van twee, met de basis op elkaar

staande, kegels, waarvan de kleinste, lagere het gewonden gedeelte, de

veel grootere en hoogere alleen de laatste winding voorstelt. De mond

van de schelp is zeer lang en smal, met een kleine groef aan de basis.

Het deksel is geel, met zwarte strepen. Het smalle, afgeplatte en

opgerolde dier heeft een kleinen voet en een lange sipho, die door de

insnijding uitgestoken wordt. Er is een duidelijke kop met 2 voelers,

waarop halverwege de oogen zitten en een lange slurf met korte tong,

gewapend met pijlvormige weerhaken. De schelpen behooren tot de

bekendste en gezochtste van de verzamelaars en worden vooral in de warme

Indische zeeën, als bewoners der koraalriffen, aangetroffen. Sommige

soorten hadden vroeger een groote waarde.

Een eveneens zeer fraaie schelp is die van een andere pijltongige slak:

de ~gevlekte schroefslak~ (_Terebra maculata_) van fig. 21. Het huisje

is zeer lang en spits, toren- of naaldvormig, met kleinen mond, scheeve

gedraaide spil en een kort kanaal. Het wordt 20 centim. hoog, is

geelachtig van kleur en heeft op elke winding twee rijen van bijna

rechthoekige, grijsachtig bruine of roodbruine vlekken. De voet is

klein, de sipho lang, de oogen zijn onduidelijk. Deze soort leeft in den

Indischen Oceaan; vele kleine soorten zijn uiterst sierlijk en hebben

veel waarde voor verzamelaars.

* * * * *

Tot de laatste groep der kamkieuwigen, de =waaiertongigen=, genoemd naar

de vele, waaiervormig geplaatste, zijplaten langs den rand der

middelplaten van de zeer samengestelde tong, behooren nog drie soorten

op onze plaat, waarvan de twee eerste een groote ademhalingsholte

hebben, met een kieuw, die uit twee bladen bestaat. Zij zijn plantetend

en houden zich bij voorkeur op tusschen zeewieren op het strand. De

eerste soort is de ~Grieksche sleutelgathoren~ (_Fissurella graeca_),

fig. 4, die ook op onze kusten voorkomt, met straalvormig elliptische

schelp en een ademopening boven in het midden. De schelp is roodachtig

grijs van kleur en heeft straalvormige overlangsche en concentrische

dwarse ribben. De slurfvormige mond heeft twee kegelvormige voelers, aan

wier basis de oogen liggen. De tweede waaiertongige slak is de

~rondmond-slak~ (_Turbo pica_), fig. 8, die in de warme zeeën leeft,

vooral in die van den Atlantischen oceaan. De schelp is ~tolvormig~,

rond en buikig, het gewonden gedeelte kegelvormig, de oppervlakte is

glad, wit van kleur, met zwarte vlekken of strepen, de monding der

schelp is rond, het deksel dun en hoornachtig.

Ten slotte zien wij op de plaat nog een derde voorbeeld van de

waaiertongigen, namelijk: de ~uitsnijdingsslak~ (_Emarginula_), fig. 1,

aldus genoemd naar de ondiepe insnijding over het midden der schelp, die

van den voorsten rand uitgaat. Zij is ongeveer 1,5 centim. lang,

geelachtig wit, eivormig en tralievormig gestreept. Het dier zuigt zich

aan rotsen vast.

[Afbeelding: XIII.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 68 / 92 题