Voor den verzamelaar een collectie om van te watertanden, uit allerlei
fraaie slakken en slakkenhuizen bestaande, in de bontste verscheidenheid
van kleuren en vormen en waarvan vele ook den mensch van nut zijn. Allen
behooren tot de groep der =voorkieuwigen=, waarvan wij reeds op bladz.
109 een paar voorbeelden hebben ontmoet en wier sierlijke schelpen in de
meeste musea, onder andere in dat van het aquarium te Amsterdam, steeds
in talrijke exemplaren vertegenwoordigd zijn.
Al de slakken van deze plaat behooren tot die afdeeling der
voorkieuwigen, welke men =kamkieuwigen= noemt, omdat zij, op den rug,
een ademholte hebben, waarin zich één grootere, ~kamvormige kieuw~ en
een kleinere ~bijkieuw~ bevinden. Zij hebben een duidelijken kop en
hals, twee voelers voor het tasten, aan wier basis de zeer volkomen
oogen staan en vóór aan den kop ligt de mond, die goed gewapend is met
kaak en wrijfplaat. Alle kamkieuwigen hebben een schelp of ~huisje~,
afgescheiden door den mantel, die het, veelal spiraalvormige lichaam
bedekt, zoodat ook het huisje meestal dien vorm vertoont. De ~voet~ is
het eenige bewegingsorgaan en kan lang en smal, of breed en schijfvormig
zijn; eerstgenoemde vorm maakt een snellere beweging mogelijk dan de
laatste. Bij alle kamkieuwigen loopt de mantel uit in een holle buis, de
adembuis of ~sipho~, die het water naar de ademholte voert en opgenomen
wordt door een buisvormig uitsteeksel van de schelp of door een
insnijding in den mond daarvan. Men vindt deze adembuis bij alle
vleescheters, niet bij de planteters. Bij de rangschikking dezer slakken
wordt in hoofdzaak op de ~tong~ gelet, die, ook bij alle andere slakken,
met een harde ~wrijfplaat~ bedekt is, waarop talrijke dwarsrijen van
plaatjes of tandjes geplaatst zijn, waarmede het voedsel tegen de kaak
verscheurd en fijngewreven wordt en die bij de verschillende groepen
zeer in aantal, vorm en grootte verschillen.
Onder de eerste groep: de =bandtongigen=, die een lange, smalle tong en
een wrijfplaat met 7 tandpuntjes in elke dwarsrij hebben en waartoe ook
de ~moerashorenslakken~ van Plaat I uit het zoete water behooren (zie
bladz. 18), ontmoeten wij op onze plaat vooreerst een goede bekende, die
wel bescheiden en onaanzienlijk van uiterlijk is, maar toch voor ons
hooggewaardeerde eigenschappen bezit, namelijk: de ~alikruik~
(_Littorina littorea_), fig. 7. Men ziet haar aan onze kusten, vooral
bij laag water, in groote menigte aan de steenen der zeeweringen
vastzitten, schijnbaar onbeweeglijk vastgegroeid. Maar dat is toch
geenszins het geval en de jonge diertjes zijn zelfs levenslustige
snelzwemmers, daar zij, evenals de jongen van de meeste zeeslakken,
twee, met trilharen bedekte, mondlappen bezitten, waarmede zij zich
behendig voortroeien.
Doch ook de oudjes zijn niet zoo suf, als zij er uitzien; komen zij
geheel onder water of brengt men ze in den bak van een aquarium, dan
zien wij uit het korte, dikke, eivormige, uit 5 of 6 windingen
bestaande, bruine en aschgrijze, dwarsgestreepte huisje, dat 3 centim.
hoog is, een kop met twee lange, draadvormige voelers en die in een
korten slurf eindigt, benevens een langen, glibberigen voet te
voorschijn komen, waarmede het dier over den ondergrond voortglijdt.
Doch bij het minste gevaar wordt het geheele lichaam, met kop en voet,
in het huisje teruggetrokken en de ingang met een rond hoornachtig
dekseltje afgesloten, om alle ongewenschte indringers buiten de deur te
houden. Aan de basis van de voelers liggen de oogen. De mond van de
schelp is van binnen bruin, de spil wit, het dier zelf is geel, met
bruine spiraallijnen en banden.
De alikruiken leven, in ontzaglijke menigte, aan de kusten van de
Noordzee, de westelijke Oostzee en de Middellandsche zee. In ons land
zijn zij vooral in Zeeland en westelijk Noord-Brabant bekend, waar zij
door de visschers, voornamelijk van Arnemuiden, bij massa’s gevangen,
met zout en peper gekookt, en als „kreukels” langs de huizen gevent
worden, als een smakelijk gerecht, dat, na verwijdering van het
dekseltje, met een speld uit het huisje gepikt wordt. De dieren leven
steeds vlak bij het strand, binnen het bereik van eb en vloed, waar zij
zich hoofdzakelijk van zeewieren voeden, zonder echter vegetariërs te
zijn, daar zij ook een hapje vleesch niet versmaden. De wijfjes leggen
een groot aantal eitjes in een soort ~eiernest~ (zie fig. K). De eitjes
worden daartoe, elk op zich zelf, door een geleiachtige massa omhuld en
het geheel wordt op steenen of rotsen vastgekleefd.
Met de alikruik komt, wat de organisatie betreft, veel overeen de
~geribde rissoa~ (_Rissoa costata_), fig. 23, doch deze heeft een veel
kleiner en spitser, sierlijk, torenspitsvormig huisje, met eivormige
monding en slechts enkele millim. lang. De snuit is uitgerand en
tweemaal zoo lang als de draadvormige voelers. Het dier komt in bijna
alle zeeën voor en voedt zich met zeewieren.
[Afbeelding: Fig. K.