Schets van de dwarsdoorsnede van een inktvisch.]

Op Plaat X zijn eenige van die =inktvisschen=, trouwens van veel

bescheidener afmetingen, voorgesteld. Den naam =koppootige weekdieren=

dragen zij naar de geweldige vangarmen aan den kop, die wel geen pooten

zijn, maar toch ook bij de voortbeweging een zekere rol spelen. Ten

einde kennis te maken met de organisatie bij deze klasse van weekdieren,

hebben wij in fig. J de schets der overlangsche doorsnede van een

inktvisch opgenomen.

Zulk een inktvisch heeft een duidelijken kop (_Ko_), met twee zeer

groote en hoog ontwikkelde oogen, en, als weekdier, is hij natuurlijk

weer behoorlijk in een ~mantel~ (_Mt_) gekleed, die hier het geheele

dier, als een zak, omgeeft, doch zoodanig, dat die zak aan de buikzijde

vrij is en daar de ~mantelholte~ (_Mh_) vormt, waarin de ~kieuwen~ (_K_)

gelegen zijn. Aan de rugzijde echter is de mantel met het lichaam

vergroeid en vormt daar een plooi, tusschen welke een kalkachtige, aan

den rand hoornachtige, plaat gelegen is (_Sch_), die men als een

onvolkomen ~schelp~ kan beschouwen en die aan den rug meer stevigheid

verleent. Deze platen, ~zeeschuim~ of ~sepiabeen~ genaamd, spoelen

dikwijls aan onze kusten aan en het poeder wordt wel als poetsmiddel

voor metalen, als polijstmiddel voor ivoor en als kalkvoeder voor

kanaries gebruikt. Aan de onderzijde eindigt de mantel in een soort van

vin (_Fl_), die, evenals de zijdelingsche vinvormige aanhangsels,

eenigszins tot de voortbeweging medewerkt.

De hoofdbeweging vindt echter plaats door een hoogst merkwaardig orgaan.

Bij alle inktvisschen heeft de mantel aan den hals een spleetvormige

opening, waardoor het water voor de ademhaling, volgens het pijltje op

figuur J, in de mantelholte (_Mh_) stroomt en de kieuwen omspoelt,

terwijl het, bij het sluiten dier spleet, door het bedoelde orgaan: een

gespierde, trechtervormige buis, vooraan onder den kop, ~trechter~

genaamd (_F_), volgens de pijl weer naar buiten stroomt. Die trechter is

niets anders dan de vervormde ~voet~, het bewegingsorgaan van alle

weekdieren (zie bladz. 13), dat hier echter hol is. Als de bovenste

spleet van den mantel gesloten is en de mantelholte (_Mh_) dan door het

dier plotseling sterk samengetrokken wordt, dan stroomt het water met

zooveel kracht door den trechter F naar buiten, dat het dier zich, door

den terugstoot, snel achterwaarts beweegt. Daartoe dient het dier zich

dus vooraf goed te oriënteeren omtrent den weg, dien het wil inslaan,

iets wat hem echter best toevertrouwd is, want de inktvisschen zijn, in

hun soort, genieën, die geestelijk zelfs veel hooger staan dan sommige

gewervelde dieren. Zij hebben scherpe zintuigen, een goed ontwikkeld

hart, met een volledig bloedvatenstelsel, en de centrale deelen van het

zenuwstelsel in den kop zijn zelfs door een kraakbeenige doos omgeven,

een zeer merkwaardig geval en een nader bewijs, dat de inktvisschen een

overgang vormen tot de gewervelde dieren.

Thans nog een enkel woord over de voeding van deze dieren en over de

wijze, waarop zij hun buit bemachtigen. De mondopening zien wij op fig.

J bij _M_, in het midden, tusschen de vangarmen; zij is voorzien van een

hoornachtige boven- en onderkaak, in den eigenaardigen vorm van een

papegaaisnavel, terwijl bovendien de tong met een ruwe, hoornachtige

~wrijfplaat~ bedekt is, om het voedsel fijn te wrijven. Dan voert zij in

een lang darmkanaal (_D_), met een groote maag (_Ma_), terwijl de

uitwerpselen, langs den min gebruikelijken weg van de ademholte, door de

aarsopening (_A_) naar den trechter gevoerd en door dezen weggespoeld

worden. Inktvisschen zijn zeer vraatzuchtige roofdieren, die zich

slechts voeden met levenden buit: visschen, krabben, kreeften,

weekdieren enz. En hoewel zij niet zoo zwart zijn, als zij in het

beruchte sprookje afgeschilderd worden, en ook niet zoo romantisch als

de roep, die van hen uitging, zoo zijn zij toch echte vechtersbazen, die

in het aquarium--waar in den regel velen van hen aangetroffen worden--in

een afzonderlijk bassin moeten geborgen worden, daar zij te gevaarlijk

zijn voor andere aquariumbewoners.

Nu is de beweging dezer dieren, die, gelijk wij zagen, achterwaarts

plaats heeft, niet bepaald geschikt om een snelzwemmenden buit te

achtervolgen, daar de trechter hen juist in de verkeerde richting drijft

en de vinnen slechts een zeer langzame beweging toelaten. Er moest dus

iets anders op gevonden worden, om behoorlijk aan den kost te komen en

de natuur heeft daarin op hoogst vernuftige wijze voorzien, door deze,

in alle opzichten zoo interessante, dieren van allermerkwaardigste

grijporganen te voorzien, in den vorm van een krans van ~vangarmen~

(_Ar_) aan den kop, rondom den mond. Daar deze ook eenigszins tot de

beweging bijdragen, noemt men deze dieren ook =koppootige weekdieren=.

Het zijn echter geen pooten, doch grijparmen, waarmede het dier, terwijl

het op de loer ligt, zonder dat het zich behoeft te bewegen, den snelst

zwemmenden buit gemakkelijk vangt en waaraan de naam ~poliep~ (dat is:

veelarm) te danken is, dien men, ten onrechte, wel eens voor deze dieren

bezigt. Soms zijn er 8 gelijke van die vangarmen om den mond

(=achtarmigen=) en deze zijn alle, over hun geheele binnenzijde, met

~zuignappen~ bezet. Deze bestaan uit een kraakbeenigen ring, die tegen

de prooi wordt gedrukt en waarbinnen zich, als een zuiger, een verhoogde

spier kan terugtrekken, zoodat de lucht in den ring verdund wordt en

deze zich aan het voorwerp vastzuigt. Andere inktvisschen--en tot dezen

behoort die van fig. J--bezitten 10 vangarmen (=tienarmigen=), waarvan

er echter twee veel langer zijn en deze zijn alleen aan het breedere

uiteinde van zuignappen voorzien. Deze armen worden, als ware lasso’s,

uitgeslingerd en omklemmen de prooi zoo stevig, dat er geen ontkomen aan

is en deze aan de 8 korte vangarmen overgegeven wordt, ter verdere

expeditie naar den mond.

Het is ’s werelds loop, dat vechtersbazen vele vijanden hebben en ook de

inktvisch ondervindt de waarheid daarvan aan den lijve, want hij wordt

door allerlei groote visschen, door dolfijnen, bruinvisschen enz.

vervolgd en zelfs de mensch maakt in sommige landen jacht op hem, daar

het vleesch van vele soorten zeer smakelijk is. Nu kan daarbij hun

snelle achterwaartsche retraite, door middel van den spuitenden

trechter, hun daarbij van veel nut zijn en bovendien kunnen zij zich

tamelijk onzichtbaar maken door sterke kleursveranderingen van het

lichaam. De inktvisch is, met recht, de „kameleon van de zee”; als hij

verschrikt of geplaagd wordt, schieten er allerlei gele, roode en

blauwe tinten over zijn huid. Men beweert zelfs, dat, als men een

levenden inktvisch in een glazen vat met water op een vel wit papier

zet, hij bijna dadelijk wit, en op een zwarte tafel zwart wordt. Zoo kan

hij dus ook de kleur zijner omgeving nabootsen en zich moeilijk

zichtbaar maken. In elk geval kan hij zoo bedriegelijk de kleur van den

zeebodem nabootsen, dat men in een aquarium dikwijls moeite heeft, om

hem te vinden, terwijl dit tevens een probaat middel is, om de prooi te

verschalken en haar arglistig te laten naderen.

En als dit alles nog niet helpt, dan heeft het dier nog andere pijlen op

zijn boog. Bij vervolging door vijanden kan het, uit een blaas aan de

buikzijde (_T_, fig. J), die door een lange buis in den trechter (_F_)

uitmondt, een zwartbruin vocht naar buiten stuwen, waardoor het dier in

een zwarte wolk gehuld wordt. Men noemt daarom die blaas de

„~inktblaas~”, de dieren zelf: „~inktvisschen~” en het vocht, dat wel

als bruine verfstof gebruikt wordt: ~sepia~.

Vermeldenswaard is nog de zucht tot ~gezelligheid~ bij deze dieren; zij

vormen dikwijls geheele scholen, ook met het doel tot onderlingen steun

en hulp tegenover vijanden. Daarbij heerscht een voorbeeldige

discipline, zoodat allen, bij vervolging, op een zeker teeken, dezelfde

bewegingen maken, bijvoorbeeld uit de zee opspringen, soms een boog van

tientallen meters in de lucht maken en dan weer neervallen. Vandaar dat

er op het dek van een schip wel eens letterlijk een regen van

inktvisschen valt, die dan in menigte gevangen worden en een

geliefkoosde versnapering voor de bemanning vormen, want vele soorten

zijn eetbaar.

* * * * *

Op onze plaat ontmoeten wij vooreerst den ~gewonen inktvisch~ (_Sepia

officinalis_), fig. 2, dezelfde, die op bladz. 102 in doorsnede

afgebeeld is. Deze heeft, evenals de drie volgende soorten, slechts

~twee kieuwen~ en bezit 10 vangarmen, waarvan de 8 kleinere en gelijke

ongeveer ¹⁄₃ der lengte, de beide lange grijparmen iets meer dan de

geheele lengte van het lichaam hebben. Laatstgenoemde zijn aan het

uiteinde verbreed en alleen daar van zuigschijven voorzien, bij de korte

armen is de geheele binnenzijde daarmede bezet. Het dier vertoont fraaie

kleuren, de geheele rugzijde heeft een zachte rosé-kleurig gele tint,

met witte vlekken, de oogen zijn hemelsblauw, de vinnen doorschijnend

violet, met ondoorschijnende witte vlekken. Lengte 15-30, en tot de punt

der groote vangarmen 60 centim. Hij houdt zich steeds aan de kusten, ook

aan de onze, op en wordt, wegens het smakelijke vleesch, veel gevangen.

Men vindt hem in elk aquarium.

Ook een paar soorten van ~pijlinktvisschen~, en daaronder ook de gewone

~pijlinktvisch~ (_Loligo vulgaris_) van fig. 1, zijn inlandsche dieren.

Men noemt ze zoo naar de pijlvormige gedaante van de schelpplaat op den

rug. Deze soort komt in den Atlantischen oceaan en de Middellandsche zee

voor. Zij wordt 30 centim. lang en 10 kilogr. zwaar. De kleur is zacht

blauwachtig wit, met lichtroode vlekken. De vinvormige aanhangsels van

den mantel zijn zeer groot en vormen aan de achterzijde een ruitvormige

figuur.

Eerst fig. 5 echter doet ons kennis maken met den ~kraken~ uit het

sprookje, den ~gewonen achtarm~ of ~zeepoliep~ (_Octopus vulgaris_),

die, zooals uit den naam volgt, slechts 8 even groote, en betrekkelijk

zeer lange, vangarmen bezit. Hij bewoont de warmere zeeën, doch is een

enkele maal ook wel naar onze kusten verdwaald en aldaar gezien. Het

dier wordt 1 meter lang, houdt zich steeds bij de kusten op, meestal in

rotsspleten, waar het op zijn buit loert en het zwemt eigenlijk niet,

doch beweegt zich kruipend voort. Op schoonheid kan dit wezen niet

bepaald bogen en het laat zich verklaren, dat zijn kolossale broeder: de

~reuzenpoliep~ (_Octopus maximus_), die 7 meters lang wordt, op de zoo

romantisch aangelegde zeelieden een fantastischen indruk maakt en tot

het sprookje van den „~kraken~” aanleiding kon geven. De kleur is

witgrijs, doch gaat, bij geprikkelden gemoedstoestand, in rood, bruin en

geel over en er ontstaan wrattige verhevenheden op de huid. Met zijn

armen kan hij zware steenen wegsleepen, waarvan hij een soort van grot

bouwt, als schuilplaats.

* * * * *

De ~gewone papiernautilus~ (_Argonauta argo_) van fig. 4 heeft

insgelijks twee kieuwen en 8 armen, waarvan echter de beide bovenste het

langst zijn. Hij is een goede zwemmer, die dan ook vooral in volle zee

voorkomt, het meest in de Middellandsche zee. De kleur is bijzonder

fraai; van onderen en ter zijde bruinachtig, met zilveren glans, en op

de oppervlakte een menigte glinsterende, gele, bruine of rozeroode

puntjes. De bovenkant is donkerder, groenachtig, met gele tot

kastanjebruine vlekken. Het mannetje is veel kleiner dan het wijfje en

heeft geen schelp, doch het wijfje, op de plaat afgebeeld, bouwt een

kalkschelp, die zoo dun is als papier (vandaar de naam) en ter zijde

talrijke ribben vertoont. De uiteinden der beide bovenste armen zijn

hier schijfvormig verbreed, om het dier in de schelp vast te houden.

* * * * *

Al de tot nogtoe genoemde inktvisschen bezaten slechts twee kieuwen. Die

van fig. 4 echter, de ~scheepsboot~ of ~paarlemoer-nautilus~ (_Nautilus

pompilius_) mag zich in het bezit van ~vier~ kieuwen verheugen en

vertoont tevens de bijzonderheden, dat het lichaam in een

spiraalvormige, uitwendige schelp besloten is en dat de vangarmen om den

mond draadvormig en zeer talrijk zijn en geen zuignappen bezitten. De

schelp is door tusschenschotten in een aantal kamertjes verdeeld, doch

het dier huist alleen in de voorste kamer. De overige kamers zijn met

lucht gevuld, doch staan door een nauwe buis (~sipho~) met elkaar in

verband. Door de geheele sipho loopt een vliezige koker heen en deze

bevestigt het dier in de schelp. Deze is van binnen fraai

paarlemoerachtig, van buiten wit, met roodbruine strepen. De doorsnede

bedraagt 25 centim. Bij dit dier ontbreekt de inktblaas. Het komt voor

in den Indischen en Stillen Oceaan.

[Afbeelding: XI.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 62 / 92 题