HET SPROOKJE VAN DEN KRAKEN.

Er was eens ...--om in den toon van het sprookje te blijven--er was eens

een reusachtig zeemonster, „~kraken~” genaamd, ook wel bekend onder den

naam van „reuzenpoliep”, dat de schrik was van matrozen en zeevaarders

en dat, als een rotsachtig eiland, plotseling uit de zee opdook en armen

uitstrekte, die langer en dikker waren dan de grootste mastboom. Met die

reuzenarmen werden door het ondier de schepen op zee aangevallen,

waaraan zij zich onverbreekbaar vastzogen, om ze naar de diepte te

sleuren en de bemanning daaruit weg te rooven en te verslinden. Reeds in

de Romeinsche oudheid, ten tijde van Plinius, werden van dit monsterdier

de meest fantastische en romantische verhalen gedaan, de Zweedsche

natuuronderzoeker Linnaeus gaf er een plaats aan in zijn beroemdste werk

en de Noorweegsche bisschop Pontoppidan, die in de 18e eeuw leefde, gaf

er zelfs een nauwkeurige beschrijving van. Later speelden deze

zeemonsters, onder den naam van „~poliepen~”, ook een groote rol in de

fantastische verhalen der zeeromans, zooals die van Victor Hugo.

En het merkwaardigste van dit sprookje is wel: dat het, ontdaan van een

weinig overdrijving en van veel fantasie, inderdaad waar gebeurd is, wat

niet van alle sprookjes gezegd kan worden. In het midden der 19e eeuw

was het „sprookje van den kraken” schijnbaar voor goed naar het rijk der

fabelen verwezen en niemand geloofde meer aan het bestaan van dat

wreedaardige gedrocht. Doch ziet: plotseling werd de wereld verrast door

een ontwijfelbaar vastgesteld bericht, waardoor althans het bestaan van

reusachtige =inktvisschen= of =koppootige weekdieren=, zooals deze

dieren in de wetenschap heeten, met onherroepelijke zekerheid bewezen

werd.

In het jaar 1861 werd, door de bemanning van het schip „Alecto”, zulk

een monster, in de buurt van Teneriffe, geharpoeneerd, dat 15 à 20

meters lang was en een gewicht had van ongeveer 2000 kilogram. Zijn

vangarmen hadden een lengte van verscheidene meters en daarmede kon het

ondier roeibooten aangrijpen en omverwerpen. De meeste van die

reuzenmonsters heeft men echter aan de kusten van Amerika, voornamelijk

bij New-Foundland, waargenomen; in 1872 strandde daar een exemplaar van

3 meters lang, doch welks beide groote vangarmen een lengte hadden van

13 meters en de dikte van de pols van een man. In 1873 werden in die

buurt twee matrozen in een roeiboot door een inktvisch aangevallen, bij

welke gelegenheid deze een stuk van zijn arm verloor, ter lengte van 6

meters. De oogen van dit monster hadden een middellijn van 20

centimeters. Men vermoedt, dat deze reuzen op zeer groote diepten in den

oceaan leven, en slechts bij uitzondering aan de oppervlakte komen.

[Afbeelding: Fig. J.

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 61 / 92 题