Wij zien in fig. E, hoe hier de kieuwen zeer lang en veervormig vertakt
zijn en, ver uit de kieuwholte naar buiten uitgestoken en als een
opstaande piramidale vederbos, door het dier gedragen worden. De voet is
klein en naar voren in twee lobben verdeeld (fig. E), het huisje is
rond, kegelvormig, met vele windingen, terwijl de mond van het huisje,
zooals bij vele waterslakken, bij het terugtrekken door een hoornachtig
dekseltje afgesloten wordt. De kieuwslakken hebben slechts ~twee~
voelers en hier zijn de oogen aan de binnenzijde der basis van deze
geplaatst.
Onder de grootste van de zoetwaterslakken behoort de ~levendbarende
moerashorenslak~ (_Paludina vivipara_) van fig. 12 en 14, een kieuwslak
met eivormigen horen en niet spitse punt en 4 tot 5 sterk gezwollen
windingen of „omgangen”. De kleur is fraai glimmend, doorschijnend,
geelachtig groen of bruin, met donkerbruine banden over de omgangen.
Fig. 12 stelt het iets kleinere mannetje, fig. 14 het grootere wijfje
voor, het laatste in het huisje teruggetrokken, dat door een dik,
hoornachtig, concentrisch gestreept dekseltje gesloten is. Opmerkelijk
is, dat de eitjes reeds in het lichaam van het wijfje uitkomen, dat dus
~levendbarend~ is; gedurende den geheelen zomer kan men in het
moederdier eieren en jongen in verschillende ontwikkelingstoestanden
vinden, doch er wordt er telkens slechts één tegelijk geboren. Men vindt
deze slakken in modderige, stilstaande wateren, waar zij over het slib
of waterplanten rondkruipen, bij zonneschijn ook wel aan de oppervlakte
komen.