Schets van een long-slak, in doorsnede.]

Wat wij slakken noemen, is een eigenaardig slag van volkje. Als

rechtgeaard weekdier, is het uitwendige kleedingstuk van de slak ook

weer de ~mantel~, die het geheele lichaam inhult, maar deze heeft hier

een eigenaardigen vorm, namelijk dien van een spiraal (fig. D, _Mt_) en

hij sluit bij _Mh_ de ~mantelholte~ in, terwijl _RMt_ den ~rand~ of

~zoom~ voorstelt. Die mantelholte vervult hier de rol van ~long~ en bij

_At_ dringt de lucht daarin, om in aanraking te komen met de, zich

daarin verspreidende bloedvaten. Uitwendig wordt door den mantel, uit

koolzure kalk, met veel hoornachtige stof, weer de schelp afgescheiden,

die hier dus ook spiraalvormig is en den naam draagt van ~huisje~. En

werkelijk huist daarin de geheele romp _R_, met de ingewanden en in het,

naar voren meer verwijde gedeelte, den ~mond~ van het huisje, kan zich

ook de ~kop~ _Ko_ en de ~voet~ F, die er anders buiten uitsteken, geheel

terugtrekken.

Zulk een longslak veroorlooft zich de weelde van ~twee paren~

terugtrekbare voelhorens _Fü_ te bezitten, twee kortere voorste en twee

achterste langere, en daarbij komt nog, als verdere eigenaardigheid, dat

boven op den top van de beide laatste de ~oogen~, als zwarte puntjes,

geplaatst zijn. Bij _M_ zien wij verder den ~mond~, die in het

darmkanaal _D_ voert, welks aarsopening bij _A_ ligt. De slakken

verkeeren in het gelukkige geval, dat zij, in letterlijken zin, „op een

grooten voet” kunnen leven, want haar bewegingsorgaan, de ~voet~ (_F_)

is zeer groot en gespierd en is voorzien van een breede ~kruipzool~,

onder den geheelen buik. Daarom noemt men de slakken ook wel

~buikpootige~ weekdieren.

Tot de longslakken van het zoete water behoort nu de kleine, napvormige

~ronde kaphorenslak~ (_Ancylus fluviatilis_), fig. 10, die slechts 4-8

millim. lang is en een slaapmutsvormig huisje heeft, dat zeer dun en

hoornachtig van kleur is. Zij zit op steenen of planten in beken of

rivieren, want zij houdt van stroomend water.

* * * * *

Een geheel andere ademhaling en levenswijze hebben de ~kieuwslakken~,

waarvan wij in fig. 9, 12 en 14 vertegenwoordigers afgebeeld zien.

Kieuwen zijn de typische water-ademhalingswerktuigen, maar waardoor

onderscheiden zij zich eigenlijk van longen? Bij de longen verspreiden

zich de bloedvaten over de ~buitenzijde~ van de oppervlakte (bij ons de

vliezige longblaasjes), in wier ~binnenste~ de versche buitenlucht

doordringt, terwijl bij de kieuwen de lucht, die in het water is

opgelost, de deelen, waarin zich de bloedvaten verspreiden, ~uitwendig~

omspoelt. Om echter zooveel mogelijk aanrakingspunten tusschen de lucht

en het bloed te hebben, moeten hier de deelen, waarin zich de bloedvaten

verspreiden, een groote oppervlakte aan het water aanbieden en in den

regel is dus de oppervlakte, waarin die bloedvaten gelegen zijn, door

een groot aantal sterk vertakte, fijne huidplooien, aanzienlijk

vergroot.

Doch een bijzonder geval vertoonen, onder de kieuwslakken, de ~pluim~-

of ~vederdragers~, hieronder in fig. E voorgesteld en waarvan op de

plaat in fig. 9 de ~vijver-pluimdrager~ (_Valvata piscinalis_) afgebeeld

is.

[Afbeelding: Fig. E.

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 36 / 92 题