Haat Gods, II, 196.
הָדָר, II, 191.
Hades in het N. T., IV, 372v. Vgl. verder Scheol.
Haeresie. Zie ketterij.
Handoplegging, III, 306; IV, 124v.
Hart des menschen, II, 538v.
Hattemisten, III, 452.
Hebreën, III, 452.
Heerlijkheid Gods, II, 191v.
Heidendom, Oorspr. en kar. volg. de Schrift, I, 234v.; III, 425;
volg. de nieuwere godsdienstwetenschap, I, 236v.;
elementen van waarheid in het, I, 238v., 247v., III, 228v.;
vergeleken met de rel. v. Israel, I, 247v., III, 211v.;
met het Christendom, I, 240, 247v.
Heidenen. Mogelijkheid hunner zaligheid, I, 232; IV, 522v.
Heilig, als attribuut van personen en zaken, II, 186; III, 557.
Heiligen, als daad Gods, II, 186v.
Heiligheid Gods, II, 184v.
Heiligheid der kerk, IV, 54v.
Heiligmaking, III, 553v.; IV, 411;
in betrekking tot de rechtvaardigmaking, III, 431v., 540, 553v.;
volkomene, bij den dood, IV, 411v.
Heiligverklaring in de Roomsche kerk. Zie Canonisatie.
Heilsorde, III, 425v.
Hellenistisch Grieksch in het N. T., I, 348, II, 236.
Helsche straffen, IV, 496v.
Vergel. Gehenna.
Hemel in de H. Schrift, II, 434v.
Hemelvaart van Christus, III, 410v.
Herediteit. Zie Erfelijkheid.
Herrnhutisme, I, 101; II, 266v.; III, 300, 321, 457v.; IV, 21.
Hexaemeron. Zie Scheppingsdagen.
Historische boeken des O. T., I, 327.
Historisch-kritisch onderzoek der H. Schrift in verb. met de
inspiratie, I, 318v., 340v., 360.
הוֹד, II, 191.
Hoog-kerkelijke partij in Engeland, I, 133.
Huisgemeenten, IV, 6, 73, 116.
Huwelijk als Sacr. bij Rome, IV, 250.