G.

Gabriel, II, 431.

Gallikanisme, I, 403.

‎‏חַטָּאת‏‎, III, 74v., 95.

Gaven, geestelijke. Zie Charismata.

Geest, Heilige II, 246v., 285v.;

als principe der openb. I, 256v.; II, 230v.;

als principe d. schepping, II, 228v., 405;

zijn uitgang, II, 246v., 287v.;

zijn persoonlijkh. en Godh., II, 247, 285v.;

bij den mensch in den staat der rechtheid, II, 540v.;

zonde tegen den, III, 101v.;

werkzaamheid in betr. tot de menschel. natuur van Christus,

III, 268v., 272v., 416v., 430, 471v.;

in betrekking tot de uitverkorenen, III, 430v., 469v., 556v.;

IV, 342;

uitstorting op den Pinksterdag, III, 217, 430v.; IV, 5;

zijn werking ten opz. van het Woord, IV, 209v.;

als uitdeeler v. d. gaven in de kerk, IV, 29.

Geest des menschen, II, 537;

en ziel, II, 537v.

Geestenverschijningen, IV, 395, 396v.

Geestelijke natuur Gods, II, 145v.

Geestelijke wereld, II, 424v.;

beteekenis v. h. geloof daaraan voor de religie, II, 428, 454v.

Geestelijk leven in verh. tot natuurlijk en zedelijk leven, IV, 188.

Gehenna, IV, 374, 495.

Gehoorzaamh. van Christus. Dadelijke,

Zie obedientia activa. Lijdelijke,

zie obedientia passiva.

Geloof in alg. zin, I, 469v.; III, 514;

in relig. zin, I, 174, 181v., 472v.; III, 450, 514v.;

als princ. internum v. d. rel. openb. Theol. I, 468v.;

opvatting in de eerste Chr. kerk, I, 475v.;

bij Rome, I, 476, 523; III, 442, 521v.;

in de Reform. I, 477v., 523; III, 522;

en Theologie I, 509v.;

bij Christus, III, 294v., 515;

eisch van IV, 206v.;

in verh. tot de rechtv. making, III, 452v., 535v.;

beteek. voor de Sacramenten IV, 241v., 344.

Geloofsstandpunt, onmisbaar voor den dogmaticus, I, 467v., 524.

Gelooven en weten, I, 463v., 483v.

Gelooven op gezag, I, 374v., 376v.

Gemeenschap der heiligen, IV, 28v., 520v.;

der strijdende en triomf. kerk, IV, 417v., 520.

Gemeente en kerk, IV, 25v.;

haar beteekenis en invloed in de regeering der kerk, IV, 73, 79,

122v., 180v.

Gemeente godsdienstoefeningen in den apost. tijd en verv. IV, 215v.,

311.

Genade Gods, II, 181;

hare openbaring terstond na den val, III, 155, 187v., 207v.;

geen tegenstelling van de gerechtigheid Gods, II, 200v.;

III, 339v., 346v., 381v.

Genade, III, 474v.;

karakter bij Rome, II, 524, 528; III, 443v., 475v.;

bij de Geref. III, 476v., 508v; IV, 187v.;

alg. zie gratia communis; voorber., zie gratia praeparans.

Generatie v. d. Zoon, II, 282v.;

in verband tot de schepping, II, 282, 310v., 401; III, 257.

Geologie over de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, II, 469v.,

482v.; III, 208;

verschil met de openb. II, 470v.;

waarde v. d. II, 477.

Geologische perioden, Bezwaren daartegen, II, 482v.

Gerechtigheid Gods, II, 194v; III, 157, 340, 533. Vgl. ook genade

Gods.

Gerechtigheid bij menschen, II, 197v.; III, 427.

Gereformeerden, verschil van de Lutherschen, I, 111; II, 328, 418;

schakeeringen onder hen, I, 115; II, 331v.;

over de Heid. religies, I, 239;

over de inspiratie, I, 315v.;

over de onbegrijpelijkh. Gods II, 10v.;

over de nat. Godskennis, II, 37v.;

hun omschrijving Gods, II, 81v.;

over de praedestinatie, II, 330v., 358v., 373;

over het beeld Gods, II, 531, 535;

over den staat der rechtheid, II, 557v.;

over de erfzonde III, 126v.;

hun verbondsleer, III, 199v.;

hun Christologie, III, 246, 291v., 294, 300v.;

over de particul. voldoening, III, 394v.;

over het koningschap van Christus, III, 424;

over de heilsorde, III, 447v., 463v.;

verschillen met het oog op de heilsorde, III, 452v.;

over de kerk, IV, 16v.;

over de kenteekenen der kerk, IV, 44;

over de onderscheidene ambten in de kerk, IV, 130v.;

over de macht der kerk, IV, 153v., 164v.;

hun verwerping van de biecht, IV, 154, 170;

over de genademiddelen, IV, 196v., 199;

over de wet, IV, 208;

over de verhouding van Woord en Geest, IV, 210v.;

over de Sacramenten, IV, 226v., 236v.;

over den Doop, IV, 265v., 275v.;

over den Kinderdoop, IV, 281v., 297, 298;

over het Avondmaal, IV, 321, 331v., 341v.;

over den tusschentoestand, IV, 380;

over de vroegsterv. kinderen, IV, 523.

Gereform. Dogmatiek. Geschiedenis I, 111v, vgl. Dogmatiek.

Gevoel als kenbron der Dogmatiek, I, 16v.;

als zetel der religie, I, 195v.

Gevoelsrichting in Duitschland in de 18e eeuw, I, 104.

Geweten, III, 164.

Gezag in gezin en maatschappij, I, 376;

in wetenschap en kunst, I, 377;

in religie en Theol. I, 378v.

Gezag der Heilige Schrift. Zie Schrift.

Giesseusche en Tubinger theologen over de exinanitio Christi

III, 245.

‎‏עֶלְיוֹן‏‎, II, 105.

Gnesio lutheranen in de 16e eeuw, I, 98v.

Gnosimachi, I, 509.

Gnosticisme, I, 54v.;

over de Schrift, I, 380;

over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 4;

over het Oude Test., III, 196v.;

over de schepping, II, 401;

over Christus, III, 240, 275;

over het werk van Christus, III, 320;

over de kerk, IV, 9;

over de Eschatologie, IV, 375v.

God, als de Wordende in de panth. philos., II, 122, 124v.;

als de Zijnde, II, 115v.;

als Geest, II, 140v.;

als Licht, II, 155v.;

als de Heilige, II, 176v.;

als Souverein, II, 202v.;

afleiding v. d. naam, II, 103;

als nomen personale v. d. eersten persoon, II, 240v.;

toegepast op den Zoon, II, 245v.; III, 239, 264v., 266v.

Godheid van Christus. Zie Christus.

Godsbegrip, Geschied. v. h. II, 78v.

Godsdienstwetenschap, nieuwere I, 183v.;

methode, I, 185v., 208v.;

over den oorsprong der religie, I, 204v., 236v.;

over oorspr. karakter v. h. Heidendom, I, 236v.

Goede, Het II, 177.

Goede werken, III, 564v., 571v.

Goedertierenheid Gods, II, 180.

Goedheid Gods, II, 176;

in abs. zin als volmaaktheid, II, 178;

voor anderen, II, 179v.;

als motief der wereldschepping, II, 415v.

Goedheid des menschen, II, 539v.

Gottschalksche strijd, II, 322v.

Graden in de zonde, III, 89v.;

in de helsche straffen, IV, 421v., 510;

in de toek. zaligheid, IV, 421v., 526v.

Gratia communis bij de Geref. I, 239;

III, 2O7v.;

IV, 188, 384.

Gratia praeparans, III, 493v.

Gratia praeveniens bij Rome, II, 326; III, 439, 440v.

Grieksche kerk. Haar karakter en Theol. I, 68v.;

II, 292v., 319, 539;

III, 116, 242;

over de nederdaling ter helle, III, 378;

over de kerkelijke macht, IV. 153, 164.

Gronden des geloofs. Moeilijkheid v. h. onderzoek daarnaar, I, 418v.;

volg. de histor. apolog. bewijsvoering, I, 420, 423v.;

volg. de speculatieve bewijsvoering, I, 420, 431v.;

volg. de ethisch psycholog. bewijsvoering I, 420, 444v.;

in de Christ. kerk en Theol. I, 484v.

Groninger Theologie, I, 129;

haar Godsbegrip, II, 84;

over Christus’ werk, III, 330, 354.

Grootheid Gods, II, 194.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 64 / 83 题