Sabellius, II, 262.
Sanseverino, I, 97.
Schelling, Grondgedachte van zijn wijsbegeerte uit de 2e periode
I, 107, 191; II, 203v., 393;
in zijn 1e periode over de openbaring I, 266;
zijn Godsbegrip II, 83, 267;
zijn Trin. leer II, 304v.;
zijn verklaring van den oorsprong aller dingen, II, 304v., 390v.;
III, 47, 169v.;
over de goede engelen II, 426;
zijn polygenisme II, 502;
over Christus, in zijn 1e periode III, 248;
in zijn 2e periode III, 251;
zijn symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
over de heilsorde III, 459.
Scherer, E. I, 131.
Schleiermacher, Over wezen en karakter v. een dogma I, 4;
over de plaats der Dogm. in de Encycl. I, 9, 45;
over het onderscheid van Dogm. en Eth. I, 12;
zijn Theol. en invloed I, 104v., 433v.; III, 249v.;
over de religie I, 180, 197;
over de openbaring I, 265;
over de inspiratie I, 319v.;
over de H. Schrift I, 383;
zijn subjectief uitgangspunt I, 437v.;
over de kenbaarheid Gods II, 13;
over het symbolisch karakter d. kennisse Gods II, 76;
over de eigenschappen Gods II, 76, 92, 98v.;
over de Trin. II, 267;
over de praedestinatie II, 342;
over de engelen II, 426, 429;
over h. Jodendom III, 202;
over Christus III, 249v., 328v., 354, 371;
over de vrucht van Christus’ werk III, 386v.;
vergeleken met Ritschl III, 387;
over de heilsorde III, 461;
over de kerk IV, 24, 38, 61;
over de onderscheiding van Protestantisme en Romanisme IV, 61;
over de Sacram. IV, 223v., 322;
over den Doop IV, 268;
over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
Scholten, I, 432.
Schopenhauer, Over het egoisme der menschel. natuur III, 153;
over de heilsorde III, 459.
Zie voorts Pessimisme.
Schultens, J. J. Over rechtvaardigmaking en geloof III, 454.
Schultz, Over de heiligheid Gods II, 185.
Schwally, Over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
Schweizer, Zijn vereenzelviging van Theologia natur. en foedus
operum I, 47v.
Scotus (Duns, Joh) Zijn bestrijding van Thomas I, 83;
over de kennisse Gods II, 9;
over het wezen Gods II, 81, 89;
over den wil Gods II, 210v.;
zijn bestrijding van de noodzakelijk h. der voldoening II, 211;
III, 317, 366v.;
over de werking der sacramenten IV, 239.
Servet, Over de Triniteit II, 266.
Shedd, I, 138; III, 497;
zijn Realisme in de leer d. erfzonde III, 131
en van Christus III, 371v.
Sherlock, Th. Zijn Tritheisme II, 264.
Smith, Henry I, 139.
Socrates, Over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
Sohm, IV, 152v.
Spencer, Herbert, Zijn Agnosticisme II, 15v.
Spener, Zie Pietisme.
Spinoza, Zijn bestrijding van de openbaring I, 279;
over de substantie II, 127, 134;
over de attributen der subst. II, 91;
over den oorsprong d. wereld II, 390;
over de onsterfelijkh. d. ziel IV, 356.
Stade, Over het begrip חטא in het O. T. III, 75, 95;
over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
Stancarus, Over het werk van Christus III, 322, 332v.
Stead, W. T. I, 134.
Stearns, Lewis I, 139.
Stoa, Haar Logosleer II, 232;
over den oorsprong der zonde III, 42.
Strausz, D. F. I, 106v., III, 249;
over de engelen II, 426.
Suarez, Over den grond des geloofs in de openbaring I, 487v.
Swedenborg, Over de Triniteit II, 267;
over de engelen II, 426;
over het werk van Christus III, 321v.