P.

Pascal, Als verdediger van het Christendom I, 446.

Payon, Claude I, 123; III, 454, 497.

Pelagius, Over zonde en genade II, 319v., 349; III, 434v.;

over den status integritatis en het beeld Gods II, 512;

over de erfzonde III, 112.

Perrone, I, 97.

Peyrère, Isaac de la, Zijn Praeadamitisme II, 501.

Pfleiderer, I, 107,

Philaret, I, 68.

Philippi, I, 108.

Philippisten in Duitschland I, 98.

Philo, Over den naam Ihvh in verband met de onbegrijpelijkheid Gods

II, 4, 80;

zijn Logosleer II, 86, 233v.

Photius, I, 66.

Piscator, Over de obed. activa III, 322, 350v.

Placaeus, I, 122; III, 127.

Plato, Over de mogelijkheid v. h. leeren II, 29;

over de ideeën II, 85v., 232;

over oorsprong en wezen der zonde III, 42, 46, 70, 129;

over de onsterfelijkheid der ziel IV, 355.

Plotinus, Over de onbegrijpelijkheid Gods II, 4;

over het worden Gods II, 123, 204.

Pobedonoszew, IV, 22.

Poiret, Over het werk van Christus III, 321.

Porphyrius, Als bestrijder van het christendom I, 54, 318.

Procopowitsch I, 68.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 51 / 83 题